Beschrijving
(a) Een meisje, (a1) boerendochter, (a2) vrouw, (a3) man, (a4) dierenarts, (a5) baron Hector [van Heemstra, uit Veenklooster] op weg naar het Heilige Land, (b) krijgt een lift van een man, (b1) neemt een lifter, (b2) liftster, mee (c) met (op, in) een (zijn) paard en wagen (rijtuig), (c1) sjees, (c2) auto. (d) Zij (hij) ontdekt dat deze de beruchte rover Japik Ingberts is, (d1) moordwerktuigen onder zijn kleren draagt, (d2) geen vrouw, maar een man is [K1836, K311.16]; (d3) hij vertrouwt het niet. (e) Zij laat onopvallend haar beugeltas, (e1) zakdoek, (e2) sjaal, vallen en brengt de man ertoe dat hij aanbiedt deze op te pakken; (e3) hij (zij) vraagt hem een hek open te doen, (e4) de beurs, die hij zegt verloren te hebben, te zoeken, (e5) zijn pet, die hij heeft laten waaien uit de sloot te vissen, (e6) te kijken of zijn achterlichten wel branden, (e7) hij stoot hem "per ongeluk" zijn hoed af. (f) Als de man af-, uitgestapt is rijdt zij (hij) snel weg en geeft hem het nakijken. (g) In de wagen, (g1) tas (koffer), van de rover vinden ze (h) gestolen rijkdommen, (i) moordwerktuigen, (j) inbekersgereedschap.
Subgenre
sprookje
Literatuur
H. Bausinger, in: Fabula I (1957-58) 251
Cammann & Karasek 1977 346-347
Dorson 1967 297-28
V.d. KOOI 1978, 39-40
Portnoy 1978 117, 164
Vildomec 1979 122-123, 180. Y. Poortinga, in: IB 35 (1973) 117.

