Beschrijving
(a) Een heer, (a1) landheer, (a2) jonker, (a3) officier, (b) nodigt een brutale jongen uit iets uit zijn wijnkelder te drinken, (b1) vraagt hem zijn knecht, (b2) oppasser, daar te helpen, (b3) daaruit een fles wijn te halen. (c) Zijn knecht (oppasser) draagt hij op de (een) brutale jongen daar een pak slaag te geven. (d) De jongen ziet dit aankomen en opent snel een of meer wijnvaten, waardoor de knecht, enz. gedwongen wordt ze (met zijn duim(en)) dicht te houden. De jongen geeft hem hierop het voor hemzelf bedoelde pak salag. (e) Als de heer, enz., het geschreeuw van het (verkeerde) slachtoffer hoort, beveelt hij er nog een schepje bovenop te doen. (f) De jongen vertrekt met medeneming van enkele kannen wijn, (f1) een hoeveelheid spek (g) en een brood, (g1) rollade, (g2) worsten. - (h) Een grappenmaker wil een kasteleinsvrouw, die er prat op gaat dat ze nog nooit bedrogen is, te pakken nemen en verkleed zich als koopman; (h1) een koopman probeert in een herberg onder het betalen van zijn rekening uit te komen. (i) Hij maakt de kasteleinsvrouw wijs dat hij uit een en hetzelfde vat zowel de rode als witte wijn, (i1) elke gewenste wijnsoort, kan tappen. (j) Hij boort in de wijnkelder 2 gaten in een vol vat en laat haar deze met de duimen dichthouden. Vervolgens gaat hij naar boven om een glas (glazen) te halen, maar komt niet terug. Zij moet blijven staan tot haar man haar verlost.
Subgenre
mop
Literatuur
Ausubel 1974 315-316
Camman & Karasek 1977 472-474
De Meyer 1968 nr. 1539A*
Henssen 1940 1-4
Moser-Rath 1964 116-117, 438
P. Nicholson, in: Fabula XXI (1980) 212
cf. Orso 1979 175-176
cf. Randolph 1955 78-79, 193
K. Ranke, in: Fabula VI (1964) 76
Wossdilo-Neumann 1963 3-4. IB 41 (1979) 93-4.

