Hoofdtekst
Samenspraak A en B; B moet zeggen "ik ook".
A: "Ik ging er eens over een eerste hek."
B: "Ik ook."
A: "Ik ging er eens over een tweede hek."
B: "Ik ook."
A: "Ik ging er eens over een derde hek."
B: "Ik ook."
A: "Ik graafde daar een kuiltje."
B: "Ik ook."
A: "Ik scheet er in."
B: "Ik ook."
A: "Toen kwam er een kraai en die pikte erin."
B: "Ik ook."
Hilariteit.
A: "Ik ging er eens over een eerste hek."
B: "Ik ook."
A: "Ik ging er eens over een tweede hek."
B: "Ik ook."
A: "Ik ging er eens over een derde hek."
B: "Ik ook."
A: "Ik graafde daar een kuiltje."
B: "Ik ook."
A: "Ik scheet er in."
B: "Ik ook."
A: "Toen kwam er een kraai en die pikte erin."
B: "Ik ook."
Hilariteit.
Beschrijving
Samenspraak waarin de ene iets meedeelt en de ander antwoordt dat hij het ook doet. Hilariteit ontstaat als het eindigt met dat de antwoordgever aangeeft dat hij net als de kraai in de poep pikt.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
26 oktober 1899
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21