Hoofdtekst
Een komiek werd in gezelschap gedwongen een mop te vertellen. Hij wist niets. Eindelijk, ja, daar schiet hem wat te binnen.
Hij begon dus: "Ik liep 's avonds in de Kalverstraat. Het was laat; ik kwam niemand meer tegen. Daar vond ik een mantel. Ik besloot die naar het politiebureau te brengen. Maar zie, een eind verder daar vond ik een pantalon. Ik raap die weer op. Doch nu nog gekker: een eind verder vond ik een hoopje rokken. Wat hiermee te doen? Ik wist het niet. Wat zoude gij gedaan hebben, dames, als het uw rokken geweest waren?"
"Wel, we hadden ze dadelijk opgenomen."
"Nu, dan had ik zoo vrij geweest mijn broek te laten vallen."
Hij begon dus: "Ik liep 's avonds in de Kalverstraat. Het was laat; ik kwam niemand meer tegen. Daar vond ik een mantel. Ik besloot die naar het politiebureau te brengen. Maar zie, een eind verder daar vond ik een pantalon. Ik raap die weer op. Doch nu nog gekker: een eind verder vond ik een hoopje rokken. Wat hiermee te doen? Ik wist het niet. Wat zoude gij gedaan hebben, dames, als het uw rokken geweest waren?"
"Wel, we hadden ze dadelijk opgenomen."
"Nu, dan had ik zoo vrij geweest mijn broek te laten vallen."
Beschrijving
Komiek vertelt dat hij laat op de avond eerst een mantel vindt, daarna een broek die hij opraapt. Daarna komt hij een hoop rokken tegen. Als hij de dames vraagt wat zij met de rokken zouden doen en hun antwoord is dat ze die zouden opnemen, antwoordt hij dat hij dan zijn broek zou laten zakken.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
28 november 1899
De dubbelzinnigheid van de mop schuilt hem in de tweeledige betekenis van de begrippen "opnemen" en "laten vallen", respectievelijk "oprapen"/"omhoog doen" en "loslaten"/"laten zakken".
Naam Locatie in Tekst
Kalverstraat   
[Amsterdam]   
Plaats van Handelen
Amsterdam (Noord-Holland)   
Kloekenummer in tekst
E109p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21
