Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CBAK0229

Een mop (mondeling), woensdag 02 oktober 1901

Hoofdtekst

Zoo was er ook ers een kastelein die altijd een boel slapers kreeg. Op een goeje nacht ware er al een hoop, toe er een boer kwam met een paard en wage, en om nachtlogies vroeg. Dat kon, maar hij was den de laaste. Maar pas was ie binne, of er kwam een heer, en die wou ook blijve.
Dat kon natuurlijk niet, maar na lang over en weer prate, zei de kastelein: "Ja, ik ken me eigen bedstee wel geve: daar kunne der twee in. Als nou die boer bij je wil slapen, ken jelui allebei blijve."
Nou, de boer had daar geen bezwaar in. Ze gonge dus te bed.
Maar vooraf zei de heer: "Nou moet je maar niet schrikke as ik vannacht raar doen, want ik heb wel ders last van de nachtmerrie."
"O," zeit de boer, "deer ben ik niet bang voor. Deer heb ik wel kennis an, maar weet je wat mijn scheelt? Ik droom 's nachts welders van wat ik bij dag beleefd heb."
Zoo gonge ze den slape.
Maar midde in de nacht begon de ander op de kol te rije of wat aars; tenminste, de boer docht: nou, maat, nou is het mijn tijd. Hij neemt dus zijn zweep die die mee enome had, omdat ie het zakie niet vertrouwde, en geeft de heer een ferme opstopper. Die op de loop natuurlijk. De boer hem achternee.
"Vort bles, hort den, loop den voor den donder."
En onderwijl sloeg ie maar met de zweep of met het dikke end ervan. Deur al dat lawaai wiere de gaste natuurlijk wakker, maar toe liep de boer weg, ging na bed en hield zijn eigen of ie sliep.
Toe de heer de kastelein beschuldigde en op hem ook erg te keer gong, zeidie: "Ja maat, deer ken ik niks an doen. Ik heb zeker dan gedroomd dat ik uit rije most."
Ik weet niet of de heer nog meer last van de nachtmerrie ehad heb.

Beschrijving

Een boer en een heer moeten een bedstee delen. Ze waarschuwen elkaar voor hun eigenaardigheden. De heer zegt dat hij wel eens last heeft van nachtmerries, de boer zegt dat hij wel eens droomt over wat hij overdag heeft beleefd. 's Nachts begint de heer op een kol te rijden, waarop de boer hem een klap met zijn zweep geeft. De boer gaat de vluchtende heer achterna, maar als de gasten wakker worden, gaat de boer naar bed en doet alsof hij slaapt. De heer beschuldigt de kastelein en de boer, die zegt dat hij er niets aan kan doen, hij heeft zeker gedroomd dat hij moest gaan rijden.

Bron

Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)

Commentaar

2 oktober 1901

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:21