Hoofdtekst
Er was ers een woekeraar, die pikte alles in. Hij had ook een arme weduwvrouw uitgekleed. Op laatst moest zij het huis uitgezet. Nou waren er twee jonge kerels, die mochten haar nog al. Zij besloten den woekeraar op eerlijke manier geld afhandig te maken. Ze verkleedden zich als spoken. Eén klom in de schoorsteen met een kachelpijp voor zijn mond, de tweede liep voor het raam heen en weer. Ze begonnen geluiden te maken, te rammelen enzovoort. Op laatst toen de woekeraar goed benauwd was, liet degeen die in den schoorsteen zat een zak zakken en beval die te vullen. De woekeraar deed er wat in. De zak werd opgetild, doch te licht bevonden. Dit ging zoo lang, tot ze geld genoeg hadden. Toen togen ze naar de weduwvrouw en schoven het raam open, en zetten het geld in huis. Anders had zij het bepaald niet aangenomen.
Beschrijving
Een woekeraar die een arme weduwe veel heeft laten betalen, krijgt met twee mannen te maken die hem geld afhandig maken. Ze verkleden zich als spoken, maken hem bang met geluiden, en laten een zak in de schoorsteen zakken die hij met geld moet vullen, net zo lang tot er genoeg in zit. De zak met geld zetten ze ongemerkt in haar huis.
Bron
Collectie Bakker (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
[6 januari 1902] in brief van 25 april 1902
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:21