Hoofdtekst
Blauwe Gerrit
In een bos woonde een plaaggeest. Hij heette Blauwe Gerrit en men wist niet, waaruit hij bestond. De ene keer was hij lucht, de andere keer zou je zweren, dat hij van vlees en bloed was. Hij kon zich licht als een veertje op je neerlaten, maar hij kon ook met zo'n gewicht op je drukken, dat je je niet meer kon verroeren. Hij was overal en nergens.
Op een dag was hij op de schouder van een boer neergestreken, die op weg was naar huis. De boer had niets in de gaten, maar elke stap die hij deed, viel hem zwaarder. Op het laatst was het of hij lood in zijn schoenen had. De hele nacht had hij nodig om een weg af te leggen, waar hij anders een uurtje over deed. Toen de zon opkwam, liet Blauwe Gerrit hem gaan. De boer kwam geheel van streek thuis, maar hij kon zijn vrouw niet aan het verstand brengen wat hem had opgehouden.
Een andere keer ging Blauwe Gerrit op een kar zitten, die met heideplaggen was beladen. De kar zakte weg in het mulle zand en het paard kon geen been meer verzetten. De boer moest wachten tot het licht werd, voor hij zijn reis kon vervolgen.
Eens kwam een ridder terug van de jacht. Hij had niets geschoten en zijn stemming was bedrukt. De zon was onder gegaan, en hij gaf zijn paard de sporen, omdat hij gauw thuis wilde zijn. Op een zeker ogenblik zag hij een mooi meisje langs het pad lopen. Ze droeg een bos sprokkelhout op haar schouder.
"Dag kind," zei hij, "zo laat nog op pad? Zal ik je naar huis brengen?"
Het meisje had van de ridder gehoord en wilde vluchten, maar eer het goed en wel tot haar doordrong, zat ze al voor hem in het zadel.
Toch nog een mooie jachtbuit, dacht de ridder, terwijl hij zijn paard de sporen gaf. Het meisje was gaan sprokkelen, omdat het hout voor de haard op was. Haar moeder lag ziek op haar te wachten. Ze smeekte de ridder haar te laten gaan.
"Je bent veel te mooi voor zo'n armoedig leventje. Je hoort op mijn kasteel."
Vergeefs probeerde ze zich los te rukken, toen ze Blauwe Gerrit tussen de manen van het paard zag neerstrijken. Op hetzelfde moment stond het dier stil. De schok was zo hevig dat ze bijna uit het zadel vlogen.
De ridder haalde zijn zweep uit, maar het paard bleef stokstijf staan. Toen drukte hij zijn sporen zo krachtig in de buik van het dier, dat het bloed eruit spatte, maar toch deed het geen stap vooruit.
"Dan maar te voet," riep de ridder.
Hij sprong op de grond en wilde het meisje uit het zadel tillen, maar bleef als vastgenageld staan. Blauwe Gerrit was op zijn schouders gaan zitten.
Het paard was bevrijd van de last op zijn nek. Het meisje nam de teugels, deed het paard omkeren en leidde het terug over het bospad, tot ze bij het huisje van haar moeder kwam. Deze had zich al ongerust gemaakt en was blij toen ze haar kind heelhuids terugzag.
Blauwe Gerrit hield de ridder vast tot de zon opkwam. Het had die nacht gevroren en de ijspegels hingen in het haar van de ridder toen hij de volgende morgen naar zijn kasteel strompelde.
Hoe hij zijn paard was kwijtgeraakt, heeft hij nooit iemand verteld.
(Gelderland)
In een bos woonde een plaaggeest. Hij heette Blauwe Gerrit en men wist niet, waaruit hij bestond. De ene keer was hij lucht, de andere keer zou je zweren, dat hij van vlees en bloed was. Hij kon zich licht als een veertje op je neerlaten, maar hij kon ook met zo'n gewicht op je drukken, dat je je niet meer kon verroeren. Hij was overal en nergens.
Op een dag was hij op de schouder van een boer neergestreken, die op weg was naar huis. De boer had niets in de gaten, maar elke stap die hij deed, viel hem zwaarder. Op het laatst was het of hij lood in zijn schoenen had. De hele nacht had hij nodig om een weg af te leggen, waar hij anders een uurtje over deed. Toen de zon opkwam, liet Blauwe Gerrit hem gaan. De boer kwam geheel van streek thuis, maar hij kon zijn vrouw niet aan het verstand brengen wat hem had opgehouden.
Een andere keer ging Blauwe Gerrit op een kar zitten, die met heideplaggen was beladen. De kar zakte weg in het mulle zand en het paard kon geen been meer verzetten. De boer moest wachten tot het licht werd, voor hij zijn reis kon vervolgen.
Eens kwam een ridder terug van de jacht. Hij had niets geschoten en zijn stemming was bedrukt. De zon was onder gegaan, en hij gaf zijn paard de sporen, omdat hij gauw thuis wilde zijn. Op een zeker ogenblik zag hij een mooi meisje langs het pad lopen. Ze droeg een bos sprokkelhout op haar schouder.
"Dag kind," zei hij, "zo laat nog op pad? Zal ik je naar huis brengen?"
Het meisje had van de ridder gehoord en wilde vluchten, maar eer het goed en wel tot haar doordrong, zat ze al voor hem in het zadel.
Toch nog een mooie jachtbuit, dacht de ridder, terwijl hij zijn paard de sporen gaf. Het meisje was gaan sprokkelen, omdat het hout voor de haard op was. Haar moeder lag ziek op haar te wachten. Ze smeekte de ridder haar te laten gaan.
"Je bent veel te mooi voor zo'n armoedig leventje. Je hoort op mijn kasteel."
Vergeefs probeerde ze zich los te rukken, toen ze Blauwe Gerrit tussen de manen van het paard zag neerstrijken. Op hetzelfde moment stond het dier stil. De schok was zo hevig dat ze bijna uit het zadel vlogen.
De ridder haalde zijn zweep uit, maar het paard bleef stokstijf staan. Toen drukte hij zijn sporen zo krachtig in de buik van het dier, dat het bloed eruit spatte, maar toch deed het geen stap vooruit.
"Dan maar te voet," riep de ridder.
Hij sprong op de grond en wilde het meisje uit het zadel tillen, maar bleef als vastgenageld staan. Blauwe Gerrit was op zijn schouders gaan zitten.
Het paard was bevrijd van de last op zijn nek. Het meisje nam de teugels, deed het paard omkeren en leidde het terug over het bospad, tot ze bij het huisje van haar moeder kwam. Deze had zich al ongerust gemaakt en was blij toen ze haar kind heelhuids terugzag.
Blauwe Gerrit hield de ridder vast tot de zon opkwam. Het had die nacht gevroren en de ijspegels hingen in het haar van de ridder toen hij de volgende morgen naar zijn kasteel strompelde.
Hoe hij zijn paard was kwijtgeraakt, heeft hij nooit iemand verteld.
(Gelderland)
Onderwerp
SINSAG 0252 - Plagegeist lässt sich tragen   
Beschrijving
Plaaggeest gaat op de schouder van iemand zitten, gaat op een kar zitten waardoor de reis de hele nacht duurt. Doordat de plaaggeest het paard van een ridder die een meisje meevoert op zijn paard, laat stilstaan kan het meisje ontkomen.
Bron
E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 20
Commentaar
Bron: E. de Jong & H.Sleutelaar: Sprookjes van de Lage Landen, Amsterdam 1972, p.101. Het verhaal van de jonker, het meisje en Blauwe Gerrit is voor het eerst als het gedicht 'Blaauw Garrit (een sage van Veluwezoom)' door B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis (1807-1884) opgenomen in zijn bundel Winteravondrood uit 1876. Zie De Blécourt, Koman, Van der Kooi & Meder: Verhalen van Stad en Streek, p.247-249.
Naam Overig in Tekst
Blauwe Gerrit   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
