Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

EDJSL031 - Hoe de Gruwel aan zijn paard kwam

Een sage (boek), 1980

Hoofdtekst

Hoe de Gruwel aan zijn paard kwam
Een eindje buiten het dorp stond een huisje, waar kinderen niet langs durfden. De muren en kozijnen werden elk jaar rood geverfd met paardebloed.
Daar woonde de Gruwel, een mannetje met ontstoken ogen en een vuile rossige baard. Voor de Gruwel zelf waren de kinderen nog banger dan voor zijn huisje. Als ze hem zagen aankomen, zetten ze het op een lopen.
Hij reed in zijn hondekar de Veluwe af om dood vee op te kopen. Sommigen noemden hem de koudslachter of de vilder, maar iedereen kende hem als de Gruwel.
Op een dag bleek hij de hondekar vervangen te hebben door een paard en wagen. Hoe hij aan die knol kwam, is een verhaal apart.
In die tijd woonde ergens achter Lieren een tovenaar en duivelbanner. Hoewel hij in zijn eentje in een krot leefde, waarvan de groen uitgeslagen muren zo bouwvallig waren dat ze door boomstammen werden gestut, moest hij schatrijk zijn.
Voor ziek of behekst vee en ook voor mensen kende hij allerlei geneesmiddelen, gemaakt van wolfskers, heksenkruid, duiverlseieren, dammelbezen, tot moes gekookte padden en slangen, die in flessen en potjes onder zijn bedstee stonden. Dagelijks kwam men van heinde en ver zijn hulp inroepen.
Op een namiddag kwam een boertje met een ziek paard bij de tovenaar.
Deze bekeek het dier aan alle kanten, staarde het een poosje strak in de ogen, en zei: "Dit paard is behekst. Daar kan ik vannacht om twaalf uur pas iets aan doen. Laat het maar hier, dan kun je het morgen weer ophalen."
"Nee," zei het boertje, "dat doe ik liever niet. Onderweg heb ik een voorgezicht gehad, dat je huis in lichterlaaie stond. Eigenlijk was ik verbaasd dat ik je hier nog aantrof. Je denkt toch niet dat ik zo dom ben mijn paard achter te laten?"
"Er is geen enkele reden om aan te nemen dat je voorgezicht vannacht al uitkomt," zei de tovenaar. "Dat kan nog wel maanden duren. Het paard kun je zo niet meenemen, daar krijg je onderweg last mee. We kunnen het hier op stal zetten. Of heb je de schuur ook zien branden?"
"Nee, alleen je huis," zei het boertje.
Het paard werd in de schuur vastgebonden en kreeg wat hooi. Het rook er aan, maar at niets.
"Hij ruikt de brandlucht," zei het boertje.
"Ik zal hem wel opknappen," zei de tovenaar. "Kom hem morgen maar halen."
Die nacht liet de maan verstek gaan. In het huisje van de tovenaar was het aardedonker. De bewoner lag al een paar uur te slapen. Een torenklok sloeg elf toen twee kerels met zwartgemaakte gezichten uit de struiken tevoorschijn kwamen en naar het achterhuis slopen, waar het half verrotte rieten dak zo laag was, dat ze er zich gemakkelijk een weg door konden banen.
Meer dan een uur bleven ze binnen. Wat ze er uitspookten viel van de weg af niet te zien. Het huisje leek verlaten.
Door dezelfde opening, waardoor ze binnen waren geslopen, kwamen de rovers ook weer naar buiten, maar nu de zakken gespekt met rijksdaalders.
Ze doorzochten het schuurtje, maakten het behekste paard los en namen het mee. Alles ging in de grootste rust, alsof het zo hoorde.
"Wacht even," zei de ene schurk tegen de andere. "Laten we dat krot maar meteen in de brand steken. Anders vinden ze die oude vrek morgen met een afgesneden hals en gaan ze nog op zoek. Als we de zaak in de brand steken, kraait er geen haan naar."
Terwijl de een het paard vasthield, klom de ander opnieuw naar binnen. Door het raam flakkerde even een flauw schijnsel.
Plotseling dachten ze in de verte voetstappen te horen en zonder de schuur aan te steken gingen ze er haastig vandoor.
Toen ze de straatweg hadden bereikt, zagen ze de vlammen hoog uit het rieten dak oplaaien. Over de hele omgeving verspreidde zich een rode gloed.
Maar alles bleef rustig; niemand scheen iets te hebben bemerkt.
De twee onverlaten vluchtten over de Arnhemse straatweg. De een hield het paard bij de halster, de ander dreef het ongelukkige dier met zijn stok voort. Tenslotte kon het geen stap meet verzetten. Hoe ze ook vloekten, sloegen en schopten, het paard bleef midden op de weg liggen.
Toen de bandieten in het eerste daglicht elkaars zwarte gezichten en met bloed bevlekte handen zagen, zei de een tegen de ander: "Laten we die dode knol hier maar achterlaten en ons in dat vennetje wassen, anders worden we straks nog gepakt."
Ze waren net klaar toen ze de Gruwel op zijn hondekar zagen aankomen.
Hij stopte bij het paard, dat op apegapen lag, en vroeg: "Is dat beest van jullie?"
"Van wie dacht je anders? Het was al ziek toen we van huis gingen en viel hier dood neer. Wat is het je waard?"
De vilder gluurde tussen zijn ontstoken oogleden.
"Tien stuiver wil ik er voor geven. En dan hoop ik dat ik er geen strop aan heb en er geen last mee krijg."
Na wat loven en bieden ging het kadaver voor een gulden van de hand.
Toen het boertje zijn paard 's morgens bij de tovenaar kwam halen, zag hij tussen de rokende puinhopen een paar buren rondscharrelen. In de smeulende bedstee hadden ze het verkoolde lijk van de oude man gevonden.
"Wat kun je je vergissen," zei een van hen. "Iedereen dacht dat hij schatrijk was, maar we hebben nog geen cent gevonden."
"Hij zal het wel ergens begraven hebben," zei een ander.
De meest hardnekkigen bleven de hele dag in het puin wroeten en graven.
De schuur was voor de vlammen gespaard gebleven. De deur stond open, het paard was verdwenen. Wie het boertje er ook naar vroeg, niemand had het gezien. Na de hele omtrek te hebben afgezocht, keerde hij mismoedig naar huis terug.
Kort na dit voorval reed de Gruwel niet meer met zijn hondekar, maar met een wagen waarvoor hij een oude magere, roodharige knol had gespannen. Men zei, dat het een behekst dood paard was geweest, dat hij weer tot leven had gewekt door het zijn stinkende adem in de neusgaten te blazen.
Dat kan best zo geweest zijn, want met een normaal paard kun je zo'n kunstje niet uithalen. Dit paard liep met stijve poten en hoewel het altijd de indruk wekte dat het op een drafje ging, kwam het bijna niet vooruit.
(Utrecht)

Beschrijving

In een krot woont een schatrijke tovenaar en duivelbanner, die allerlei geneesmiddelen heeft voor behekste dieren. Een boer komt langs met een behekst paard. Het paard blijft een nacht bij de tovenaar. De tovenaar wordt die nacht beroofd door twee rovers. Ze stelen het geld van de tovenaar en nemen het behekste paard mee. Vervolgens steken ze het huis in brand. Het paard krijgen ze echter niet mee. Het dier blijft midden op de weg liggen. De rovers verkopen het paard aan een eng mannetje. Wanneer de boer zijn paard weer op komt halen ziet hij tussen de rokende puinhoop het verkoolde lijk van de oude tovenaar. De mensen gaan op zoek naar al het geld wat de tovenaar zou bezitten, maar kunnen niets vinden.

Bron

E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 82

Motief

Commentaar

1980
Bron: G. van de Wall Perne: Veluwsche Sagen, deel II, Amsterdam 1930, pp.30-48

Naam Overig in Tekst

Gruwel    Gruwel   

Naam Locatie in Tekst

Veluwe    Veluwe   

Lieren    Lieren   

Arnhemse Straatweg    Arnhemse Straatweg   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20