Hoofdtekst
Het ijdele melkmeisje
In Oost-Souburg op Walcheren woonde een arme melkboer die maar vier koeien bezat. Zijn dochter Keetje ging elke dag met de emmers aan het juk naar Middelburg om de melk uit te venten. Zij was een lust voor het oog, en iedereen zag haar liever komen dan gaan.
Het bleef dan ook niet onopgemerkt, dat ze soms een uur later in de stad kwam dan gewoonlijk.
De oorzaak was Eine, de zoon van een herenboer. Als Keetje hem onderweg tegenkwam, wat steeds vaker gebeurde, vergat ze de tijd.
Langs de weg naar Middelburg lag, verscholen tussen het struikgewas, een drinkplaats die het Ronde Putje werd genoemd. In het voorbijgaan leste het melkmeisje er wel eens haar dorst en dan keek ze in het spiegelende wateroppervlak of ze mooi genoeg was.
Zij droeg koperen oorkrullen, omdat haar vader geen gouden kon betalen, en elke keer als ze zich over het Ronde Putje boog, ergerde ze zich daaraan.
Toen kwam Keetje op de gedachte haar melk met water aan te lengen, om zo aan geld voor gouden krullen te komen.
Ze lichtte het deksel van de emmer en goot een scheut water bij de melk.
's Avonds kwam ze met een paar stuivers meer thuis dan anders.
Het duurde niet lang of Keetje kwam in de stad met melk die voor de helft uit water bestond.
De mensen zeiden wel eens: "Die melk is zo blauw. Is die wel goed?"
Maar dan antwoordde ze: " 't Is niks mevrouw, met dat schrale weer is de melk niet zo vet."
Op het laatst had ze genoeg geld bij elkaar om gouden oorkrullen te kopen. Op de terugweg kwam ze Eine tegen. Hij zei dat hij nooit mooiere krullen had gezien.
De uren vlogen om, en Keetje haastte zich om voor het eten thuis te zijn. Maar toen ze voorbij het Ronde Putje kwam, moest ze zien hoe de krullen haar stonden. Het goud blonk in het zonlicht. Ze draaide haar hoofdje naar alle kanten.
Opeens schoten de krullen los en vielen in het water. Keetje bukte zich om ze te pakken, verloor haar evenwicht, en verdronk.
In haar graf kon het ijdele melkmeisje geen rust vinden.
's Nachts om twaalf uur rijst ze als een witte gedaante uit het water, en roept haar een stem na uit de diepte:
Half water, half melk!
Te krap gemeten!
De ziel vergeten!
(Zeeland)
In Oost-Souburg op Walcheren woonde een arme melkboer die maar vier koeien bezat. Zijn dochter Keetje ging elke dag met de emmers aan het juk naar Middelburg om de melk uit te venten. Zij was een lust voor het oog, en iedereen zag haar liever komen dan gaan.
Het bleef dan ook niet onopgemerkt, dat ze soms een uur later in de stad kwam dan gewoonlijk.
De oorzaak was Eine, de zoon van een herenboer. Als Keetje hem onderweg tegenkwam, wat steeds vaker gebeurde, vergat ze de tijd.
Langs de weg naar Middelburg lag, verscholen tussen het struikgewas, een drinkplaats die het Ronde Putje werd genoemd. In het voorbijgaan leste het melkmeisje er wel eens haar dorst en dan keek ze in het spiegelende wateroppervlak of ze mooi genoeg was.
Zij droeg koperen oorkrullen, omdat haar vader geen gouden kon betalen, en elke keer als ze zich over het Ronde Putje boog, ergerde ze zich daaraan.
Toen kwam Keetje op de gedachte haar melk met water aan te lengen, om zo aan geld voor gouden krullen te komen.
Ze lichtte het deksel van de emmer en goot een scheut water bij de melk.
's Avonds kwam ze met een paar stuivers meer thuis dan anders.
Het duurde niet lang of Keetje kwam in de stad met melk die voor de helft uit water bestond.
De mensen zeiden wel eens: "Die melk is zo blauw. Is die wel goed?"
Maar dan antwoordde ze: " 't Is niks mevrouw, met dat schrale weer is de melk niet zo vet."
Op het laatst had ze genoeg geld bij elkaar om gouden oorkrullen te kopen. Op de terugweg kwam ze Eine tegen. Hij zei dat hij nooit mooiere krullen had gezien.
De uren vlogen om, en Keetje haastte zich om voor het eten thuis te zijn. Maar toen ze voorbij het Ronde Putje kwam, moest ze zien hoe de krullen haar stonden. Het goud blonk in het zonlicht. Ze draaide haar hoofdje naar alle kanten.
Opeens schoten de krullen los en vielen in het water. Keetje bukte zich om ze te pakken, verloor haar evenwicht, en verdronk.
In haar graf kon het ijdele melkmeisje geen rust vinden.
's Nachts om twaalf uur rijst ze als een witte gedaante uit het water, en roept haar een stem na uit de diepte:
Half water, half melk!
Te krap gemeten!
De ziel vergeten!
(Zeeland)
Onderwerp
SINSAG 0003 - "Was von mir kam, kehrt zu mir zurück."
  
Beschrijving
Een arme melkboer heeft een knappe dochter, die elke dag naar de stad gaat om melk te verkopen. Telkens wanneer ze de zoon van de herenboer tegenkomt, vergeet ze de tijd. Bij de drinkplaats lest het meisje haar dorst en kijkt ze in het water om te zien of ze er mooi genoeg uitziet. Ze ergert zich aan haar koperen oorkrullen; haar vader kan geen gouden betalen. Om aan geld te kunnen komen voor gouden krullen lengt ze de melk aan met water. Zo krijgt ze genoeg geld bij elkaar om gouden oorkrullen te kopen. Op de terugweg komt ze de jongen tegen. Hij is erg onder de indruk van haar krullen. Ze bekijkt zich weer in de waterput. De krullen schieten los en vallen in het water. Het meisje probeert ze te pakken, verliest haar evenwicht en verdrinkt. In haar graf kan het ijdele meisje geen rust vinden. 's Nachts komt ze als een witte gedaante uit het water.
Bron
E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 80
Commentaar
1980
Bron: W. Geldof: Volksverhalen uit Zeeland en de Zuidhollandse eilanden, Utrecht/ Antwerpen 1979, pp.53-55
"Was von mir kam, kehrt zu mir zuruck" & SINSAG 0413, "Zu knapp gemessen, die Seele vergessen."
Naam Overig in Tekst
Oost-Souburg   
Keetje   
Ronde Putje   
Naam Locatie in Tekst
Walcheren   
Middelburg   
Eine   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
