Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

EDJSL057 - Het dodenappèl

Een sage (boek), 1980

Hoofdtekst

Het dodenappèl
Achter de dijk woonde een visser met zijn dochter. Hij viste niet op zee, maar in de binnenwateren. De vangst was nooit groot.
Op een avond was hij nog laat bezig zijn boot voor de volgende dag in orde te maken. Opeens stond er een man naast hem in een lange, grijze jas. Hij vroeg of de visser voor hem die nacht over zee een vracht wilde vervoeren.
De visser zei dat hij aan het verkeerde adres was, omdat zijn schip niet over de dijk kon. Maar de man zei dat hij zich daarover geen zorgen hoefde te maken. Hij moest alleen aan het roer staan en varen. En hij mocht er met niemand over spreken.
De visser ging akkoord. 's Nachts lag zijn schip aan de andere kant van de dijk. Er was een dichte mist komen opzetten en in de verte hoorde hij het suizen van de wind.
Het schip werd volgeladen en zonk dieper en dieper, tot het water aan de boorden stond.
Toen klonk het sein tot vertrek.
De visser gooide het anker los, hees de zeilen en voer de zee op. Hij kon geen hand voor ogen zien en wist niet welke koers ze uitgingen.
Nadat ze zo een tijdje hadden gevaren, riep een stem: "We moeten appèl houden!"
Er volgde een lijst met namen. De visser begreep dat hij de zielen van gestorvenen aan boord had.
Toen alle namen waren afgeroepen ging hij voor anker. Hij hoorde mensen overboord springen in ondiep water en zijn schip kwam hoger en hoger te liggen. Zodra de vracht was gelost, mocht hij het anker lichten en terugvaren.
Thuisgekomen werd het schip uit het water getild en op zijn vaste aanlegplaats achter de dijk neergelaten. De visser ontving als beloning drie goudstukken.
Dat ging tijden achter elkaar goed. De visser hoorde of zag nooit iets en sprak er met niemand over.
Maar op een keer was hij ziek. Zijn dochter moest invallen.
"Het is heel simpel," zei hij. "Horen, zien en zwijgen. Je houdt het roer vast en je vaart maar. Je komt vanzelf weer thuis."
Die nacht nam ze de plaats in van haar vader. Het schip werd over de dijk gezet en volgeladen tot het water aan de boorden stond. Na het vertreksein haalde ze het anker op, hees de zeilen en voer in dichte mist uit.
Toen ze een tijdje hadden gevaren, riep een stem:
"We moeten appèl houden!"
Het meisje wist dat ze niks mocht vragen, maar ze was te nieuwsgierig.
"Wie zijn dat?" vroeg ze toen de namen werden afgeroepen.
"Het zijn de mensen die deze week op zee zijn verdronken," zei de stem.
Ze had verkering met een jongen die op zee was en schrok niet weinig toen ze zijn naam hoorde en hij zich present meldde.
Ze gooide het roer om en zette alle zeilen bij om zo snel mogelijk thuis te komen. Maar een vliegende storm stak op en het schip, met de zielen van de gestorvenen aan boord, sloeg op het strand van een groot wit eiland te pletter.
Het meisje verdronk in de branding.
Toen een tijdje later een andere boot met een andere schipper achter het roer voor het eiland aanlegde, werd ook haar naam afgeroepen.
Ze bleef voor altijd bij haar jongen in de andere wereld.
(Friesland)

Beschrijving

Een man vraagt een schipper voor hem een vracht te vervoeren over zee. De schipper merkt dat hij de zielen van gestorvenen aan boord heeft. Zodra de vracht gelost is, vaart hij terug. De visser krijgt drie goudstukken en vertelt het verhaal aan niemand. Als de schipper ziek wordt valt zijn dochter voor hem in. Zij hoort dat de ziel van haar geliefde aan boord is. Zo snel mogelijk probeert ze thuis te komen. Een storm steekt op en het schip slaat stuk op het strand. Het meisje verdrinkt.

Bron

E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 151

Commentaar

1980
Bron: Y. Poortinga: It fleaned skip, Baarn / Ljouwert 1977, pp. 169-170

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20