Hoofdtekst
DE ZEEMEERMIN
Er was eens een knecht, die met de twee kinderen van zijn heer langs de oever van de zee ging wandelen.
Aan het strand kwam hij iemand tegen die hij kende en daar bleef hij mee praten, en onderwijl dwaalden de kinderen al verder en verder weg. Eensklaps bemerkte hij tot zijn schrik dat zij er niet meer waren; hij liep en hij liep en hij zocht en hij riep, maar het enige wat hij vond, waren de kousen en schoenen van de kinderen. Je kunt je indenken, hoe ongerust hij was; hij durfde eerst niet naar het kasteel te gaan. Maar eindelijk kwam hij toch 's avonds, moegedwaald en moegezocht terug. Toen gingen allen op zoek: vader en moeder, meiden en knechts, maar het was tevergeefs.
De volgende morgen, toen de moeder alleen naar het strand was gegaan en de kinderen bij hun naam riep en huilde kwam er uit zee een meermin gezwommen, die wondermooi zong.
"Waarom huil je zo?" vroeg de meermin en de moeder vertelde haar, wat er gebeurd was.
"O," zei de meermin, "over je kinderen behoef je je niet ongerust te maken, ze hebben het heel goed en spelen in mijn kasteel op de bodem van de zee."
Toen de moeder dat hoorde, vroeg en smeekte ze natuurlijk of ze haar kinderen terug mocht hebben en toen of ze hen tenminste alleen maar even mocht zien. Maar ook dat wilde de meermin niet en de moeder moest ongetroost weer naar huis terugkeren.
Alle dagen ging ze weer naar het strand en alle dagen zag ze daar ook de meermin en sprak met haar. Eens had ze zo lang en zo dringend aangehouden, dat de meermin haar over het water droeg, opdat ze haar kinderen zou zien.
Hoe verder ze kwamen, hoe donkerder de zee werd, tot ze eindelijk heel in de diepte een lichtje zagen pinkelen. Daar dook de zeemeermin met haar naar beneden; het water ruiste langs hen heen en hoe dieper ze kwamen, hoe heller het licht werd. Eindelijk stonden ze voor het paleis van de zeemeermin; dat was helemaal van kristal met licht aan alle vensters.
De zeemeermin ging met haar het onderzeese paleis binnen en geleidde haar naar een vertrek, waar ze stilhield voor een deur van fijn geslepen glas. Achter die glazen deur zag de moeder een troep kinderen vrolijk spelen: dat waren zeker allemaal kinderen, die door de meermin aan het strand waren gevonden. Ze mocht wel naar hen kijken, maar de deur openen en het andere vertrek binnengaan mocht ze niet. Nadat ze een tijd gekeken had, zag ze haar jongste tussen de kinderen, maar de oudste kon ze maar niet in het oog krijgen.
Sindsdien bleef de moeder wonen in het onderzees paleis en alle dagen mocht ze door de glazen deur kijken en de derde dag herkende ze ook haar oudste jongen.
Ze vroeg toen weer of ze haar kinderen mee naar huis mocht nemen, maar de meermin wilde het niet. Eindelijk, na lang bidden en smeken, zei ze dan toch: "Ik zal je de kinderen teruggeven, maar dan moet je mij eerst een groot plezier doen".
"En wat voor plezier is dat?" vroeg de moeder.
"Je moet voor mij een mantel weven van je blonde haren," zei de zeemeermin.
De edelvrouw werd naar haar slot teruggebracht en daar begon ze dadelijk te weven en na lange tijd had ze een halve mantel gereed. Toen ging ze weer naar het strand en klaagde de meermin, dat heur haar helemaal verweven was en smeekte haar dat ze genoegen zou nemen met een halve mantel.
Maar de meermin was daarmee niet tevreden. Ze gaf haar een potje. "Wat daarin zit, zal je haar doen groeien," beloofde ze. De edelvrouw ging daarop weer naar huis en elke avond smeerde ze wat van het potje op heur haar en waarlijk, het haar ging groeien, maar het duurde toch weer maanden en maanden voor heur haar lang genoeg geworden was. Toen ging ze opnieuw aan het weven en weefde de mantel af. Ze bracht hem naar de meermin en die was eindelijk tevreden.
De volgende morgen kwam uit zee een koets, in de vorm van een schelp, aandrijven. Twee meerminnen waren ervoor gespannen en ze brachten de beide kinderen over het water naar huis terug.
(Limburg)
Er was eens een knecht, die met de twee kinderen van zijn heer langs de oever van de zee ging wandelen.
Aan het strand kwam hij iemand tegen die hij kende en daar bleef hij mee praten, en onderwijl dwaalden de kinderen al verder en verder weg. Eensklaps bemerkte hij tot zijn schrik dat zij er niet meer waren; hij liep en hij liep en hij zocht en hij riep, maar het enige wat hij vond, waren de kousen en schoenen van de kinderen. Je kunt je indenken, hoe ongerust hij was; hij durfde eerst niet naar het kasteel te gaan. Maar eindelijk kwam hij toch 's avonds, moegedwaald en moegezocht terug. Toen gingen allen op zoek: vader en moeder, meiden en knechts, maar het was tevergeefs.
De volgende morgen, toen de moeder alleen naar het strand was gegaan en de kinderen bij hun naam riep en huilde kwam er uit zee een meermin gezwommen, die wondermooi zong.
"Waarom huil je zo?" vroeg de meermin en de moeder vertelde haar, wat er gebeurd was.
"O," zei de meermin, "over je kinderen behoef je je niet ongerust te maken, ze hebben het heel goed en spelen in mijn kasteel op de bodem van de zee."
Toen de moeder dat hoorde, vroeg en smeekte ze natuurlijk of ze haar kinderen terug mocht hebben en toen of ze hen tenminste alleen maar even mocht zien. Maar ook dat wilde de meermin niet en de moeder moest ongetroost weer naar huis terugkeren.
Alle dagen ging ze weer naar het strand en alle dagen zag ze daar ook de meermin en sprak met haar. Eens had ze zo lang en zo dringend aangehouden, dat de meermin haar over het water droeg, opdat ze haar kinderen zou zien.
Hoe verder ze kwamen, hoe donkerder de zee werd, tot ze eindelijk heel in de diepte een lichtje zagen pinkelen. Daar dook de zeemeermin met haar naar beneden; het water ruiste langs hen heen en hoe dieper ze kwamen, hoe heller het licht werd. Eindelijk stonden ze voor het paleis van de zeemeermin; dat was helemaal van kristal met licht aan alle vensters.
De zeemeermin ging met haar het onderzeese paleis binnen en geleidde haar naar een vertrek, waar ze stilhield voor een deur van fijn geslepen glas. Achter die glazen deur zag de moeder een troep kinderen vrolijk spelen: dat waren zeker allemaal kinderen, die door de meermin aan het strand waren gevonden. Ze mocht wel naar hen kijken, maar de deur openen en het andere vertrek binnengaan mocht ze niet. Nadat ze een tijd gekeken had, zag ze haar jongste tussen de kinderen, maar de oudste kon ze maar niet in het oog krijgen.
Sindsdien bleef de moeder wonen in het onderzees paleis en alle dagen mocht ze door de glazen deur kijken en de derde dag herkende ze ook haar oudste jongen.
Ze vroeg toen weer of ze haar kinderen mee naar huis mocht nemen, maar de meermin wilde het niet. Eindelijk, na lang bidden en smeken, zei ze dan toch: "Ik zal je de kinderen teruggeven, maar dan moet je mij eerst een groot plezier doen".
"En wat voor plezier is dat?" vroeg de moeder.
"Je moet voor mij een mantel weven van je blonde haren," zei de zeemeermin.
De edelvrouw werd naar haar slot teruggebracht en daar begon ze dadelijk te weven en na lange tijd had ze een halve mantel gereed. Toen ging ze weer naar het strand en klaagde de meermin, dat heur haar helemaal verweven was en smeekte haar dat ze genoegen zou nemen met een halve mantel.
Maar de meermin was daarmee niet tevreden. Ze gaf haar een potje. "Wat daarin zit, zal je haar doen groeien," beloofde ze. De edelvrouw ging daarop weer naar huis en elke avond smeerde ze wat van het potje op heur haar en waarlijk, het haar ging groeien, maar het duurde toch weer maanden en maanden voor heur haar lang genoeg geworden was. Toen ging ze opnieuw aan het weven en weefde de mantel af. Ze bracht hem naar de meermin en die was eindelijk tevreden.
De volgende morgen kwam uit zee een koets, in de vorm van een schelp, aandrijven. Twee meerminnen waren ervoor gespannen en ze brachten de beide kinderen over het water naar huis terug.
(Limburg)
Onderwerp
AT 0315 - The Faithless Sister   
ATU 0315 - The Faithless Sister.   
Beschrijving
Twee kinderen raken zoek aan het strand. De moeder gaat ze elke dag zoeken. Aan het strand spreekt ze een zeemeermin die haar vertelt dat haar kinderen het goed hebben. Ze smeekt de meermin haar kinderen te mogen zien. De meermin neemt de moeder mee naar een paleis, diep in de zee. Ze mag de kinderen pas meenemen als ze een mantel van haar haar voor de zeemeermin heeft gevlochten. Eindelijk is de mantel af. Uit de zee verschijnt een koets in de vorm van een schelp die de kinderen draagt en ze weer naar huis brengt.
Bron
J.R.W. Sinninghe: Volkssprookjes uit Nederland en Vlaanderen. Den Haag 1978, p. 104-106
Commentaar
The Faithless Sister
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
