Hoofdtekst
De mand met stenen
`Vrijdagavond was de laatste werkman vertrokken. Het huis was af, geheel voltooid stond het op het lapje grijze woestenij dat nog een tuin moest worden.
Zaterdag ging de gelukkige eigenaar erheen, alléén, zodat zijn genot niet door de voorbarige eisen van zijn vrouw, noch door het rommelig gedrag van zijn kinderen bedorven zou worden. Ongestoord nam hij het naar cement en verf ruikende huis in bezit.
Op zolder hadden de metselaars een flinke hoop puin achtergelaten, brokken baksteen, klonten cement, stukken ongeschaafd hout met kromme spijkers erin, stukjes buis van de electriciteit, restanten materiaal. Een aanstootgevend gezicht.
Naast de hoop afval stond een rieten mand met twee oren. Het timmermansoog schatte dat de inhoud ervan ongeveer gelijk was aan het volume van het afval, en aangespoord door deze overeenkomst begon de man onverwijld te scheppen met een stuk rafelig triplex.
Toen er een kop van afval op de mand zat, was de vloer schoon. De man keek om zich heen: het dakraam stond op een kier en door de bestofte ruit zag hij een touw bungelen aan het katrol van de verhuisbalk. Hij schoof de mand over de vloer naar het raam, waarvan de onderkant gelijk met de vloer was. De mand kon er gemakkelijk door. Hij liep naar beneden om te gaan hijsen.
Het was een kleine man, mager en vlug van bewegingen. Binnen een paar seconden was hij beneden en had hij het touw gegrepen. Voorzichtig begon hij te takelen, maar de mand was zwaarder: ook na enig rukken aan het touw zat er nog geen beweging in de lading.
Toen werd hij kwaad: als een aap sprong hij in het touw en klemde zich met armen en benen vast zoals hij dat op school geleerd had. Dit hielp. De mand zwaaide het raam uit en begon een snelle tocht naar beneden. Onderweg ontmoetten de man en de mand elkaar met een dof geluid. Bovengekomen bonsde de man met zijn hoofd tegen de balk. Inmiddels was de mand beneden gearriveerd en had daar door de schok haar bodem verloren. Het aldus van zijn gewicht bevrijde restant schoot omhoog en ontmoette halverwege opnieuw de man. Nauwelijks een oogwenk later was deze opnieuw beneden, terwijl de mand tegen de balk sloeg en in deze beweging van de haak losschoot.
Het einde van de noodlottige sequens is, dat de man, zwaar gekneusd op de puinhoop zittend, door de resten van de mand omstulpt wordt en slechts door hulp van buiten bevrijd kan worden.'
(H.J.A. Hofland, NRC Handelsblad, 17 oktober 1970)
`Vrijdagavond was de laatste werkman vertrokken. Het huis was af, geheel voltooid stond het op het lapje grijze woestenij dat nog een tuin moest worden.
Zaterdag ging de gelukkige eigenaar erheen, alléén, zodat zijn genot niet door de voorbarige eisen van zijn vrouw, noch door het rommelig gedrag van zijn kinderen bedorven zou worden. Ongestoord nam hij het naar cement en verf ruikende huis in bezit.
Op zolder hadden de metselaars een flinke hoop puin achtergelaten, brokken baksteen, klonten cement, stukken ongeschaafd hout met kromme spijkers erin, stukjes buis van de electriciteit, restanten materiaal. Een aanstootgevend gezicht.
Naast de hoop afval stond een rieten mand met twee oren. Het timmermansoog schatte dat de inhoud ervan ongeveer gelijk was aan het volume van het afval, en aangespoord door deze overeenkomst begon de man onverwijld te scheppen met een stuk rafelig triplex.
Toen er een kop van afval op de mand zat, was de vloer schoon. De man keek om zich heen: het dakraam stond op een kier en door de bestofte ruit zag hij een touw bungelen aan het katrol van de verhuisbalk. Hij schoof de mand over de vloer naar het raam, waarvan de onderkant gelijk met de vloer was. De mand kon er gemakkelijk door. Hij liep naar beneden om te gaan hijsen.
Het was een kleine man, mager en vlug van bewegingen. Binnen een paar seconden was hij beneden en had hij het touw gegrepen. Voorzichtig begon hij te takelen, maar de mand was zwaarder: ook na enig rukken aan het touw zat er nog geen beweging in de lading.
Toen werd hij kwaad: als een aap sprong hij in het touw en klemde zich met armen en benen vast zoals hij dat op school geleerd had. Dit hielp. De mand zwaaide het raam uit en begon een snelle tocht naar beneden. Onderweg ontmoetten de man en de mand elkaar met een dof geluid. Bovengekomen bonsde de man met zijn hoofd tegen de balk. Inmiddels was de mand beneden gearriveerd en had daar door de schok haar bodem verloren. Het aldus van zijn gewicht bevrijde restant schoot omhoog en ontmoette halverwege opnieuw de man. Nauwelijks een oogwenk later was deze opnieuw beneden, terwijl de mand tegen de balk sloeg en in deze beweging van de haak losschoot.
Het einde van de noodlottige sequens is, dat de man, zwaar gekneusd op de puinhoop zittend, door de resten van de mand omstulpt wordt en slechts door hulp van buiten bevrijd kan worden.'
(H.J.A. Hofland, NRC Handelsblad, 17 oktober 1970)
Onderwerp
BRUN 04115 - The Barrel of Bricks   
Beschrijving
Een man vindt in zijn nieuwbouwwoning een hoop puin op zolder; hij gooit het in een mand en wil het naar beneden takelen. De last is te zwaar en de man vliegt omhoog, zijn hoofd tegen de balk stotend. Beneden valt de rommel uit de mand, en dan valt de man weer naar beneden. Gewond blijft hij op de grond liggen.
Bron
Peter Burger: De wraak van de kangoeroe. Amsterdam 1993, p.104-106
Commentaar
17 oktober 1970
The Barrel of Bricks
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
