Melding:
Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.
Melding:
Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.
Hoofdtekst
Er was eens een oude geit, die zeven jonge geitjes had. Ze was dol op haar kleintjes, net zoals een mensenmoeder van haar kinderen houdt.
Het huisje waarin ze woonden, stond aan de rand van een groot bos. In dat bos liep een gemene zwarte wolf rond, die alles verslond wat hij op zijn weg tegenkwam. Je zult dus wel begrijpen dat de moedergeit goed op haar kinderen paste en ze nooit uit het oog verloor.
Maar op een zonnige lentemorgen riep ze ze alle zeven bij elkaar, schonk voor ieder een bekertje melk in en zei: "Ik moet naar het dorp om eten te halen. Zullen jullie lief zijn en goed oppassen voor de grote boze wolf?"
De zeven geitjes slobberden van hun melk en knikten zoet van ja.
"Doe voor niemand de deur open, alleen voor mij. Als de wolf hier binnenkomt, eet hij jullie allemaal op."
"Hu," zeiden de zeven geitjes.
"Soms doet hij net of hij iemand anders is. Maar laat je niet foppen. Je kunt de wolf altijd herkennen aan zijn zwarte poten en zijn zware stem. Zeg dat eens na?"
"Aan zijn zwarte poten en zijn zware stem," herhaalden de zeven geitjes.
"En wie mag je binnenlaten?"
"Niemand, behalve u," mekkerden zeven stemmetjes in koor.
Toen ging de moedergeit eindelijk weg.
De zeven geitjes schoven de grendel voor de deur en zwaaiden hun moeder na, tot ze uit het gezicht verdwenen was.
"Wat zullen we eens gaan doen?" vroeg het oudste geitje.
"Ganzenborden!" riep het jongste.
"Kwartetten!"
"Geitje-erger-je-niet!"
Het werd ganzenborden. Als je de jongste bent, word je altijd een beetje verwend. Het oudste geitje pakte het spel uit de kast.
"Wie begint?" vroeg het.
Het spel was al een eind gevorderd, toen er op de deur geklopt werd.
"Hoehoe!" riep iemand, "doe eens open, kinderen! Hier is moeder! Ik heb voor jullie allemaal iets meegebracht!"
"Jij bent onze moeder niet," zeiden de zeven geitjes. Onze moeder heeft een lieve zachte stem, niet een zware zoals jij. Nee, jij bent de boze wolf en we doen lekker niet open."
De wolf bleef nog een ogenblikje dralen, maar toen hij merkte dat de deur echt dicht bleef, ging hij tenslotte weg.
"Mekkie moet in het geiteweitje blijven en drie beurten overslaan," riep een van de zeven geitjes.
"Oei," zei Mekkie.
Maar de wolf liet het er niet bij zitten. Hij liep naar de drogist, kocht een grote pot vaseline, at die helemaal leeg en toen hij dat gedaan had, was zijn stem zo zacht als boter en zo zoet als honing.
In het geitehuisje liet de oudste juist de dobbelstenen rollen, toen de wolf opnieuw aan de deur klopte.
"Doe eens open, schatjes! Hier is moeder! Ik heb voor jullie allemaal iets meegebracht!"
Maar gelukkig zagen de zeven geitjes zijn grote, zwarte poot in de vensterbank liggen.
"Jij bent onze moeder niet," riepen ze. "Onze moeder heeft zachte witte poten, geen borstelige zwarte zoals jij. Nee, jij bent de boze wolf en we doen lekker niet open!"
Toen liep de wolf naar de bakker en zei: "Ik heb mijn poot bezeerd. Wil jij er wat deeg omheen doen?"
"Waarom niet," zei de bakker, die nooit ergens over nadacht.
En met zijn poot vol deeg stapte de wolf naar de molenaar. Die was juist bezig een grote zak meel naar buiten te rollen en hij keek verbaasd op, toen hij de wolf voor zich zag staan.
"Doe eens wat meel op mijn poot," zei de wolf.
"Waarom?" vroeg de molenaar.
"Daarom."
"Je bent vast iets van plan. Ik doe er niet aan mee," sprak de molenaar ferm.
"O nee? Dan bijt ik in je benen," zei de wolf. En toen hij zijn tanden liet zien, sprak de molenaar niet meer tegen. Ja, zo zijn sommige mensen.
De wolf rende naar het geitehuisje, klopte voor de derde maal op de deur en riep: "Doe eens open, engeltjes! Hier is moeder! Ik heb voor jullie allemaal iets lekkers meegebracht!"
"Laat je poot eens zien," zeiden de geitjes.
De wolf legde een witte meelpoot op de vensterbank.
"Ja, dat is onze moeder," zeiden de geitjes blij. "Hoor maar, dat is haar lieve stem en kijk maar, dat is haar zachte witte poot."
Het oudste geitje schoof de grendel opzij en deed de deur wijd open.
Maar o schrik. Het was niet hun moeder die binnenkwam, het was de wolf. Eén ogenblik bleven de zeven geitjes verstijfd van angst staan. Toen stoven ze uit elkaar en probeerden zich zo goed en zo kwaad als het ging te verstoppen.
Eén geitje kroop onder de tafel. Een ander dook in de bedstee. Nummer drie verschool zich in de kachel. Het vierde vloog naar de keuken. Eén sprong er in de kast en één in de tobbe, en het jongste geitje kroop in de grote staande wandklok.
Maar de wolf wist ze allemaal te vinden en slokte het ene geitje na het andere op. Alleen het jongste geitje, dat in de klok zat, zag hij over het hoofd. Maar zijn honger was ruimschoots gestild en geeuwend liep hij de deur uit om ergens in de zon een heerlijk dutje te gaan doen.
Niet lang daarna kwam de moedergeit thuis. Maar ach, wat een ravage trof ze aan. De deur stond wijd open en in de kleine kamer lag alles overhoop: de stoelen omver, de tobbe aan spaanders, de kast open en de dekens van het bed.
Toen begreep de oude geit, dat de wolf haar kindertjes had opgegeten. Wat een verdriet. Handenwringend liep ze door het huis. Tenslotte ging ze zitten op de enige stoel die nog overeind stond en barstte in snikken uit.
"Al mijn kindertjes weg," riep ze.
Maar dat was gelukkig niet helemaal waar, want daar kwam het jongste geitje uit de wandklok gekropen. Het vloog bij zijn moeder op schoot en vertelde met een bevend stemmetje, hoe goed ze hadden opgepast en hoe vreselijk de wolf hen tenslotte toch had beetgenomen.
Na een poosje veegde de moedergeit haar tranen af, snoot haar neus in haar schort en stond op.
"We kunnen hier toch maar niet blijven zitten. Misschien kunnen we tóch nog wat doen, al weet ik niet wat!" zei ze. En ze liepen samen de deur uit, de grote geit en het kleine geitje, op zoek naar de boze wolf.
Ze vonden hem in een klaverveldje. Hij snurkte zo hard dat ze de grond onder hun voeten voelden trillen.
"Jij blijft hier wachten. Ik wil jou niet ook nog kwijt," zei de oude geit tegen haar kind.
Ze sloop voorzichtig naderbij en bekeek de wolf aan alle kanten. Opeens stokte de adem haar in de keel. Die bolle buik bewoog. Ze keek nog eens, van heel dichtbij. Jawel, daar spartelde iets.
"O lieve help," zei de moedergeit bij zichzelf, "o genade. Kan het zijn, dat mijn kindertjes nog leven?" En tegen het kleine geitje, dat intussen voorzichtig dichterbij was gekomen, fluisterde ze: "Ga gauw naar huis en haal een schaar, een naald en een klos stevig garen. Vlug!"
Het jongste geitje rende zoals het nog nooit gerend had. Toen het teruggekomen was, gaf zijn moeder een héél klein knipje in de wolvebuik. De wolf sliep zo diep, dat hij er niets van merkte.
Floeps! Daar kwam een verschrikt geitekopje tevoorschijn, gevolgd door het hele geitje en nog een en nog een... tot ze alle zes in het gras buitelden, springlevend en ongedeed, want de wolf was zó gulzig geweest dat hij de geitjes zonder kauwen had doorgeslikt.
Nou, dat was me een feest. Toen ze elkaar genoeg geknuffeld hadden, zei de moedergeit tegen haar kleintjes: "Vooruit, stenen zoeken en hier brengen. Daar doen we z'n buik mee vol. Vlug, voordat-ie wakker wordt!"
De zeven geitjes sleepten de grootste stenen die ze vinden konden bij elkaar en stopten ze gillend van de pret in de wolvebuik. De wolf snurkte rustig door.
Tenslotte zei de moedergeit: "Zo is 't wel genoeg. Straks krijg ik die buik niet meer dicht!"
Ze pakte naald en garen en toen ze klaar was, verborg ze zich met haar zeven kinderen achter een kastanjeboom en wachtte af.
Wie veel gegeten heeft, krijgt grote dorst en toen de wolf eindelijk wakker werd, kwam hij dan ook dadelijk overeind om wat te gaan drinken. De stenen rolden in z'n buik heen en weer en hij voelde zich zo zwaar, dat hij bijna niet lopen kon.
"Nou moe," zei de wolf.
"Wat klotsebotst het in mijn buik?
Wat voel ik me toch raar?
Zijn dat de geitjes alle zes?
Dan zijn ze aardig zwaar."
Daar was de bosvijver. De wolf boog zich over het water... en toen gebeurde het. Alle stenen rolden naar voren, de wolf kon zijn evenwicht niet bewaren, kukelde hals over kop het water in en verdronk. Ja, boontje komt om z'n loontje.
De zeven geitjes kwamen allemaal aangelopen en dansten met hun moeder om de bosvijver heen. En vanaf dat moment hoefden ze nooit meer bang te zijn en mochten ze buiten spelen zoveel ze wilden!
Onderwerp
AT 0123 - The Wolf and the Kids   
ATU 0123 - The Wolf and the Kids.   
Beschrijving
Bron
Motief
K828 - Bloodthirsty animal by trickery admitted to fold: kills peaceful animal.   
F931 - Extraordinary occurrence connected with sea.   
K1832 - Disguise by changing voice.   
K1839.1 - Wolf puts flour on his paw to disguise himself.   
J144 - Well-trained kid does not open to wolf.   
F913 - Victims rescued from swallower‘s belly.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Mekkie   
