Melding:
Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.
Melding:
Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.
Hoofdtekst
Lang geleden leefden er een koning en een koningin die alles bezaten wat men zich in het leven maar zou kunnen wensen. Maar een kindje hadden ze niet, en daar verlangden ze nu juist zo heel erg naar.
Nu gebeurde het op een zonnige dag, dat de koningin een bad nam in de vijver van de kasteeltuin. Dat deed ze wel vaker als het mooi weer was. Roze bloesemblaadjes dwarrelden van de bloeiende bomen naar beneden en de zorvuldig aangelegde bloembedden langs de oever verspreidden de heerlijkste geuren.
De koningin sloot haar ogen en genoot van de warme zon die de waterdruppeltjes op haar huid deed glinsteren. Ze zou, zo zittend op het marmeren vijvertrapje, zeker even weggedoezeld zijn als een schor stemmetje haar niet onverwacht uit haar dromerijen gewekt had. Dat stemmetje behoorde toe een een glimmende kikvors, die maar net met z'n kop boven het water uitkwam.
"Zei je iets, kikkertje?" vroeg de koningin vriendelijk.
"Ik zei," antwoordde het dier, "dat uw liefste wens vervuld zal worden. Nog voor een jaar verstreken is, zult u een kindje in uw armen houden."
En met die woorden verdween de kikker, nauwelijks een rimpel op het water achterlatend.
En wat de kikker voorspeld had, gebeurde. Nog voor de nieuwe lente aanbrak, schonk de koningin het leven aan een schattig dochtertje. In het kasteel heerste grote vreugde. Alle klokken werden geluid en vanaf de plompe ronde torens wapperden de vlaggen vrolijk in de blauwe lucht.
De koning liet een groot feestmaal voorbereiden, waarbij hij niet alleen vrienden en familie liet uitnodigen, maar ook de feeën die in zijn grote rijk woonden, opdat die zijn dochtertje altijd goed gezind zouden zijn.
Er was één kleine moeilijkheid. Er waren dertien feeën in het land en slechts twaalf gouden borden in het kasteel, en je kon een echte fee beslist niet van een gewoon bordje laten eten.
Nu ja, dan moesten er ook maar twaalf feeën worden uitgenodigd, besloot de koning na enig nadenken en hij sloop zachtjes de baby-kamer binnen om zijn dochter in haar roze wiegje te zien slapen.
De avond van het banket brak aan. Het kasteel was vol lachende mensen en in alle zalen klonk vrolijke muziek. Lakeien vlogen af en aan met schalen verrukkelijk voedsel en andere bedienden zorgden ervoor, dat de glazen steeds tot de rand toe gevuld waren.
De koning en de koningin zaten aan het hoofd van een der lange tafels, met zes feeën aan hun linkerhand en zes aan hun rechter.
De feeën aten van hun gouden borden, lachten en praatten met zilveren stemmetjes en iedereen prees de hofkok om zijn grote vakmanschap. Ja, het feestmaal was in alle opzichten geslaagd te noemen.
Na het koninklijke toetje legde een hofdame het prinsesje, dat al die tijd rustig in een andere kamer had geslapen, in haar moeders armen. De gasten riepen "ach!" en "wat een schatje!", de koningin straalde van trots en de feeën kondigden aan, ieder een toverspreuk te zullen zeggen die het kind iets meegaf voor haar latere leven. De een schonk haar schoonheid, de ander rijkdom, een derde deugd; en zo kreeg ze alles wat een mens maar zou kunnen begeren.
Maar op het moment dat de twaalfde fee naar voren trad om haar geschenk aan te bieden, woei er door de feestzaal een wind zó kil, dat alle aanwezigen huiverend opkeken.
In de deuropening stond, woedend omdat ze niet was uitgenodigd, de dertiende fee.
Ze baande zich een weg door de verschrikte gasten, wierp een priemende blik op de kleine prinses en sprak: "Ik heb óók een gift voor het kind. Maar omdat ik hier blijkbaar niet erg gewenst ben, verschilt mijn wens van die van mijn zusters: op haar vijftiende jaar zal de prinses zich aan een spinnewiel verwonden en die verwonding, hoe gering ook, zal haar dood betekenen."
Er viel een drukkende stilte.
Toen barstte de koningin in snikken uit. "Heb medelijden. Laat het prinsesje met rust, ik smeek het u."
Maar even onverwacht als ze was gekomen, was de boze fee uit de eetzaal verdwenen, de ijzige koude met zich meenemend.
Onthutst staarden de gasten elkaar aan. Niemand durfde iets te zeggen. Het was tè verschrikkelijk voor woorden. Toen stapte de twaalfde fee, die haar wens nog niet had uitgesproken, naar voren.
"Ik kan niet ongedaan maken wat mijn zuster heeft aangericht," zei ze. "De prinses zal zich op haar vijftiende verjaardag aan een spinnewiel verwonden. Maar ze gaat niet dood. Ze valt in slaap - en die slaap zal honderd jaar duren."
De fee keek hulpeloos om zich heen.
"Meer kan ik niet doen," zei ze.
"Maar ik wel!" riep de koning uit. En op de dag na het feest liet hij in zijn gehele rijk afkondigen, dat alle spinnewielen ingeleverd moesten worden. Zijn soldaten zouden ze op het marktplein van ieder dorp verzamelen en ze daar tot as verbranden. Die avond stonden de koning en de koningin op het balkon van het kasteel. Tot in de verre omtrek kleurde de gloed van brandend hout de hemel rood.
De koningin zuchtte. "Toch ben ik er niet gerust op. Weet je wel zeker dat er in het hele land geen spinnewiel meer over is?"
"Heel zeker, liefste," antwoordde de koning, "mijn soldaten hebben ieder huis van onder tot boven doorzocht. En ik heb de mensen voor ieder spinnewiel een goudstuk laten geven. Dat is toch niet niks. Nee, het gevaar is geweken. Geloof me."
En ze gingen samen naar binnen, want het werd een beetje koud buiten.
De jaren verstreken, De toverspreuken van de feeën deden hun werk; de prinses groeide op tot een mooi meisje en iedereen die haar kende hield van haar. Ze was vrolijk en vriendelijk en had altijd veel voor een ander over.
Haar vijftiende verjaardag brak aan.
De koning en de koningin waren druk bezig in de ontvangsthal, want het moest een groot feest worden en er waren wel honderd gasten uitgenodigd.
De prinses dwaalde intussen wat rond in het kasteel. Ze neusde in alle kasten, snuffelde in alle rommelkamertjes en kwam tenslotte via een smalle wenteltrap bij een kleine deur, die ze nog nooit eerder gezien had. Ze duwde de deur voorzichtig open en kwam in een gezellig kamertje, waar een oud vrouwtje ijverig wol zat de spinnen.
"Dag mevrouw," zei de prinses, "wat doet u daar?"
"Spinnen, m'n kind," antwoordde de oude vrouw, "spinnen op m'n spinnewiel."
"Ik heb nog nooit zo'n ding gezien," zei het meisje, terwijl ze nieuwsgierig dichterbij kwam. "Mag ik het eens proberen?"
"Maar natuurlijk. Er is echt niets aan. Hier!"
En de oude vrouw stak haar het spoeltje toe, waar de gesponnen wol omheen gedraaid wordt. Gretig stak de prinses haar handen uit. Maar er zat een scherpe punt aan de spoel en of het nu kwam doordat ze onvoorzichtig was, óf omdat de boze fee het vijftien jaar geleden zo gewenst had - ze prikte zich... en viel op een stoffig rustbed neer, in een diepe slaap die honderd jaar zou duren.
En op datzelfde moment overviel de slaap iedere man, vrouw en kind in het kasteel. De koning en de koningin en alle gasten zegen op het kostbare tapijt in de ontvangsthal ineen. Het koksmaatje droomde weg met zijn handen in een bak sla. Het keukenmeisje viel in slaap met een halfgeplukte kip op haar schoot. De schildwachten lieten hun kin op hun borst zakken en snurkten zacht. Alles sliep: de honden en de katten, de duiven op het dak, de paarden in de stal; ja zelfs het kleinste spinnetje bleef slapend hangen aan de draad die het zojuist gesponnen had.
Stilte daalde over de grote tuin. Geen zuchtje wind streek door de bomen en de vogels staakten hun gezang. In één enkel ogenblik was de vrolijke drukte in en rondom het kasteel veranderd in een stilte zó volkomen, dat het leek alsof het leven daarbinnen al lang geleden geweken was.
Rondom het kasteel groeide een doornhaag, hoger en hoger, tot hij het kasteel omgaf als een ondoordringbare muur, zodat er tenslotte zelfs geen torenspits meer te zien was.
In het land ging het verhaal van vader op zoon: het verhaal van de prinses - Doornroosje werd ze nu genoemd - die daarbinnen lag te slapen, samen met de hele hofhouding.
Er kwamen prinsen naar het kasteel om Doornroosje te bevrijden, maar geen van hen slaagde daarin. Ze raakten verstrikt in de ijzersterke doornranken, waaruit ze zich niet meer konden bevrijden en kwamen jammerlijk om.
Zo verstreken vele jaren.
Op zekere dag trok er weer een koningszoon door het land. Die koningszoon wist niets van Doornroosje, maar toen hij in een herberg een stokoude man over de slapende prinses hoorde vertellen, was zijn nieuwsgierigheid gewekt.
"En waar is dat kasteel van Doornroosje?" vroeg hij, nadat hij de waard om een tweede beker wijn gevraagd had.
De grijsaard keek de prins vanonder zijn borstelige wenkbrauwen onheilspellend aan.
"Voorbij de heuvels. Maar wees verstandig, jongeman. Gedurende honderd jaar hebben zij die je voorgingen, in de doornhaag hun graf gevonden."
En hij schudde zijn rimpelige hoofd, want hij zag wel dat de prins zijn besluit al genomen had.
"Ga dan maar, wijsneus," riep hij, toen de prins opstond en zijn mantel aantrok, "de bleke beenderen der dwazen zullen je wel afschrikken," en dat waren zulke mooie woorden dat de waard hem vol ontzag aankeek.
De prins sprong op zijn paard en ging met een hart vol vuur en vertrouwen op weg. Al spoedig zag hij de duistere, ondoordringbare doornhaag voor zich oprijzen en het moet gezegd, bij de aanblik ervan zonk de moed hem in de schoenen. Er was geen enkele opening in de haag en de dorens leken zo scherp als dolken. Maar de prins aarzelde niet lang. Hij deed een stap naar voren - en tot zijn verbazing weken de doornstruiken vaneen, om zich achter zijn rug weer stevig aaneen te sluiten. Zo kwam hij al spoedig op de binnenplaats van het kasteel. Toen hij omkeek, bleek de doornhaag veranderd te zijn in een zee van zoetgeurende bloemen.
Op het plein lagen de slapende jachthonden en paarden en op het dak zaten de duiven met hun kopjes tussen de veren. De prins liep verder en hij zag de slapende vliegen op de wand; hij zag het koksmaatje, de keukenmeid met de halfgeplukte kip op haar schoot, het smeulende vuur; hij bleef niet staan en vond al spoedig de koning en de koningin en al hun gasten slapend in de ontvangsthal. Zó stil was alles, dat hij zijn eigen hart kon horen bonzen. Eindelijk kwam hij bij de wenteltrap en tenslotte bij de kleine kamer waarin Doornroosje lag te slapen. De prins kon een kreet van verrukking niet onderdrukken. Zo'n mooi meisje had hij nog nooit gezien. Haar gouden haar lag in golven om haar schouders. Op haar wangen gloeide een roze blos en haar lippen waren zacht en teer als rozeblaadjes. De prins bukte zich en gaf Doornroosje een kus zó zacht en teder, dat ze nauwelijks voelbaar was. Maar Doornroosje sloeg haar ogen op en zuchtte.
De betovering was verbroken.
De honden begonnen te blaffen en de duiven schikten hun veertjes. De kat likte z'n poot en sloeg naar het spinnetje, dat razendsnel naar boven klom. De schildwachten krabbelden overeind en stampten met hun hellebaarden. Het keukenmeisje plukte verder aan haar kip en het koksmaatje ging z'n handen wassen.
In de ontvangsthal keek de koning zijn echtgenote schaapachtig aan. "Eh... zei je iets, liefste?" vroeg hij geeuwend.
"Ja - ik weet alleen niet meer wàt," antwoordde de koningin verward, "het feest moet zodadelijk beginnen. Ik geloof waarachtig, dat ik even weggedoezeld was!"
Alle gasten wreven zich in de ogen en staarden beschaamd naar de grond, want ieder voor zich meende als enige even in slaap gevallen te zijn.
En toen kwam de prins de trap af met Doornroosje aan zijn hand. Nu, je begrijpt dat het wel even duurde voordat alles uitgelegd en begrepen was. Maar toen werd er dan ook feest gevierd! Omdat in het kasteel de tijd had stilgestaan, vierde Doornroosje nog altijd haar vijftiende verjaardag.
En niemand keek verbaasd op toen de koning nog diezelfde avond de verloving bekendmaakte van zijn dochter en de dappere prins die haar wakker gekust had.
De twaalf goede feeën kwamen hun gelukwensen aanbieden en de boze fee liet zich nooit meer zien!
Onderwerp
AT 0410 - Sleeping Beauty   
ATU 0410 - Sleeping Beauty   
Beschrijving
Bron
Motief
B211.7.1 - Speaking frog.   
F312 - Fairy presides at child‘s birth.   
F361.1.1 - Fairy takes revenge for not being invited to feast.   
G269.4 - Curse by disappointed witch.   
M412.1 - Curse given at birth of child.   
F316 - Fairy lays curse on child.   
M341.2.13 - Prophecy: death through spindle wound.   
F316.1 - Fairy‘s curse partially overcome by another fairy’s amendment.   
M370 - Vain attempts to escape fulfillment of prophecy.   
D1962.1 - Magic sleep through curse.   
D1364.17 - Spindle causes magic sleep.   
D6 - Enchanted castle (building).   
D1960.3 - Sleeping Beauty.   
D1967.1 - Person in magic sleep surrounded by protecting hedge.   
F771.4.4 - Castle in which everyone is asleep.   
F771.4.7 - Castle inhabited by enchanted princess.   
N711.2 - Hero finds maiden in (magic) castle.   
D1978.5 - Waking from magic sleep by kiss.   
D735 - Disenchantment by kiss.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Doornroosje   
