Melding:
Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.
Hoofdtekst
De rode schoentjes
Er was eens, lang geleden, een meisje dat Karen heette. Karen was erg arm. Ze had geen vader en moeder meer en ook geen huis om in te wonen. Ze zwierf altijd buiten, of het nu zomer was of winter. Als de mensen haar zo zagen lopen, kregen ze medelijden en gaven haar dan een boterham of een appel, want geld om eten te kopen had ze natuurlijk niet. Ze bezat maar één jurkje, dat erg versleten was en ze droeg veel te grote klompen, die pijn deden aan haar voeten.
Karen had dus weinig reden om vrolijk te zijn. Ze voelde zich erg ongelukkig en ze dacht dat ze dat haar hele leven wel zou blijven. Maar er gebeuren nog wel eens kleine wonderen - en die komen altijd onverwacht.
Op een gure winterdag liep Karen bibberend over straat. Het was zó koud, dat ze haar pijnlijke voeten niet eens meer voelde en ze bleef zo dicht mogelijk bij de huizen, waar zo nu en dan een vleug warmte of de geur van versgebakken brood door een toevallig geopende deur naar buiten zweefde.
Opeens werd de stilte verbroken door het geluid van klossende paardenhoeven en ratelende wielen. Karen zag een glanzend rijtuig, waarin een rijzige oude dame zat. De dame speelde verveeld met haar handschoenen, maar toen ze Karen zag, gaf ze de koetsier een teken om te stoppen. Vriendelijk wenkte ze het meisje naderbij.
"Wat doe je met dit weer op straat?" vroeg ze. "Waarom ga je niet naar huis?"
"Ik heb geen huis," antwoordde Karen. "Ik ben helemaal alleen. En ik heb zo'n honger en ik heb 't zo koud," en toen begon ze te huilen.
De oude dame kreeg medelijden met Karen. Ze dacht even diep na en opende toen de deur van de koets.
"Stap in, kind. Ik ben ook alleen. Ik zou het fijn vinden, als je bij me kwam wonen."
En zo gebeurde het, dat Karen bij de oude dame in huis kwam. Ze beleefde een heerlijke tijd. De oude dame was dol op haar kleine vriendin. Ze gaf haar mooie kleren en lekker eten, ze leerde haar koken en lezen en naaien en 's avonds las Karen de oude dame voor bij het open haardvuur in de salon. Ze hadden het best gezellig samen en Karen groeide op tot een mooi meisje, dat het aan niets ontbrak.
Alleen één ding was jammer. Karen vond zichzelf het mooiste meisje van de hele wereld en dat liet ze merken ook.
Karen werd ijdel.
Ze liep met haar neus in de wind en bekeek zichzelf in iedere winkelruit. Ja, Karen was heel erg tevreden met zichzelf.
Op zekere dag zei de oude dame: "Je moet nieuwe schoenen kopen, kind. Je hebt niets meer waarmee je naar de kerk kunt gaan. Het geeft niet wat ze kosten."
En dus ging Karen nog diezelfde middag naar een van de beste schoenmakers van de stad.
Ze liep met glanzende ogen langs de grote glazen kasten, waarin glimmende laarzen, tere damesschoentjes, pantoffeltjes van zacht goudleer en hoge zwarte rijglaarsjes pronkten.
"Zal ik uw maat even nemen, mevrouwtje?" vroeg de schoenmaker, terwijl hij een klein verguld stoeltje aanschoof.
Karen schudde het hoofd.
"Ik denk niet dat dat nodig is. U hebt daar een paar rode schoentjes staan, die me erg leuk lijken. Die zullen me wel passen."
De rode schoentjes pasten precies en Karen was er zó verrukt van, dat ze ze dadelijk kocht. Maar toen ze ermee thuiskwam, hief de oude dame haar handen verbaasd ten hemel.
"Maar m'n liefje, hoe heb je die nu kunnen kopen? Dat zijn dansschoentjes! Daar kun je toch niet mee in de kerk verschijnen?"
"Ze staan me zo mooi," zei Karen.
"Daar heb ik het niet over." De oude dame zuchtte. "Nee, kind. Dan moet je morgen je oude zwarte schoenen maar weer aan, als je naar de kerk gaat."
De volgende ochtend kleedde Karen zich netjes aan. Ze wilde haar zwarte schoenen uit de kast halen - en zag de rode ernaast staan. Ze aarzelde, keek beurtelings naar de rode en de zwarte schoenen - en trok toen de rode aan. Opgewonden glipte ze de deur uit. Het was heerlijk weer. Karens blonde lokken dansten in de zomerwind en met de prachtige rode schoentjes aan haar voeten voelde ze zich nog mooier dan anders.
Toen ze bij de kerk aankwam, zag ze een oude soldaat met een lange bruine baard buiten naast de kerkdeur zitten. Hij droeg een prachtig uniform, dat hier en daar wat slijtplekken vertoonde.
"Zozo," zei de soldaat, terwijl hij Karen van hoofd tot voeten opnam. "Wou jij met die schoentjes de kerk in, kind?"
"Toevallig wel," antwoordde Karen. Maar in haar hart voelde ze zich toch wel een beetje schuldig.
De soldaat lachte. "Het zijn mooie schoentjes, dat moet ik zeggen." Hij tikte er eens tegen met zijn sabel. "Eigenlijk zouden ze moeten dansen, voor eeuwig en altijd. Want dansschoentjes, dat zijn het!"
Karen ging de kerk binnen.
Alle mensen die daar waren, keken naar haar. De heiligenbeelden schenen haar met hun stenen ogen te volgen. Toen Karen voor het altaar knielde en haar ogen sloot, dacht ze aan niets anders dan haar rode schoentjes. En toen ze uit de gouden beker dronk, leken de schoentjes daarin rond te zwemmen. Karen vergat zelfs mee te zingen, en bidden deed ze ook niet. Ze zat maar onrustig met haar voeten te schuifelen.
"Het is meer dan erg," zeiden de mensen. "Wat is dat meisje ijdel. Laat ze dan wegblijven, als ze hier niets te zoeken heeft."
De oude dame had niet gemerkt, dat Karen toch met de rode schoentjes naar de kerk was gegaan. Toen het haar later ter ore kwam, was ze verdrietig en boos tegelijk.
"Het valt me erg van je tegen, Karen," zei ze. "Het is natuurlijk niet ècht belangrijk of je nu met rode of met zwarte schoentjes naar de kerk gaat. Maar je hebt mij bedrogen en dat verdien ik niet aan je. Daarom moet ik je straf geven."
Toen Karen hoorde waaruit haar straf zou bestaan, was ze wanhopig. Ze mocht niet naar het dansfeest, dat in het dorp gegeven zou worden en waar ze zich al zo lang op verheugd had.
Het dansfeest! Ze zou het mooiste meisje van het bal zijn! Alle jongens zouden naar haar kijken! Ze zou geen moment aan de kant zitten, zeker niet als ze haar mooie rode schoentjes droeg.
En nu mocht ze er niet heen. Het was verschrikkelijk. Karen huilde en smeekte, maar het hielp haar niet.
Een paar dagen voor het feest werd de oude dame ziek. De dokter kwam en voor hij wegging, riep hij Karen bij zich.
"Ze is erg ziek," zei hij, terwijl hij Karen over de rand van zijn nikkelen brilletje aankeek. "Ze moet in bed blijven. Zorg maar goed voor haar, Karen. Elke drie uur moet ze een slokje van deze drank hebben. Zal je het niet vergeten?"
"Nee meneer," zei Karen en ze vergat het ook niet.
Maar toen de avond van het feest aanbrak, zat ze verlangend voor het open venster en hoorde de muziek in de verte spelen. Het licht van de lampions op het marktplein kleurde de hemel rood en er klonk vrolijk gelach, dat op de wind door het open raam naar binnen dreef.
Karen had de oude dame zojuist haar drankje gegeven.
"Nog drie uur," dacht ze, "dan moet ze pas weer een slokje hebben. Als ik er nu even uitglip, kan ik op tijd terug zijn en merkt ze niets.'
Vlug trok ze haar mooiste jurk aan. Ze stapte in haar rode schoentjes en toen de oude dame haar riep, deed ze net of ze niets hoorde. Ze sloop de deur uit, rende naar het marktplein en daar begon ze meteen te dansen. Ze dacht niet aan de oude dame, die thuis ziek in bed lag. Ze danste met Dirk en met Teun en met Karel en ze had nog nooit zo'n plezier gehad. Toen de muziek even ophield, ging iedereen zitten om een glaasje te drinken en een beetje te praten. Maar Karen danste door, al was ze helemaal alleen op de dansvloer. De mensen lachten.
"Kom toch even uitrusten!" riep iemand.
Ja, dat zou Karen ook wel willen. Maar het was alsof de rode schoentjes macht over haar gekregen hadden. Ze kon er niets aan doen: ze moest dansen, of ze wilde of niet en ze danste het marktplein over, ze danste langs de kerk - en daar zat de soldaat en lachte. Ze danste door de donkere nacht, door de straten; dwars door de brandnetels en doornstruiken, langs de plassen en over de velden. De dag kwam en het werd weer avond en Karen danste en danste. Haar voeten deden pijn en ze was doodmoe. Ze zou zo graag willen ophouden - maar ze kon niet.
"Help me toch!" riep ze tegen iedereen die ze tegenkwam.
Maar de mensen zeiden: "Dat is die ijdele Karen met haar rode schoentjes, die zo nodig moet laten zien hoe goed ze dansen kan."
En dan lachten ze en liepen hoofdschuddend verder.
Tenslotte brachten de schoentjes Karen terug naar haar dorp en naar het marktplein, waar de feesttent allang was afgebroken en de lampions waren ingepakt.
Voor het eerst dacht ze aan de oude dame, die alleen thuis lag zonder dat zich iemand om haar bekommerde. Op datzelfde moment zag ze de oude soldaat bij de kerkdeur zitten.
"Eindelijk denk je eens aan een ander," hoorde ze hem zeggen. "Je bent er wel laat mee, Karen. Maar ik zal je helpen. Kom hier."
Met zijn zwaard tikte de soldaat tegen de rode schoentjes. Ze gleden dadelijk van Karens voeten en dansten alleen verder - het marktplein over, de straat uit, tot ze uit het gezicht verdwenen waren.
Misschien kom je ze nog wel eens ergens tegen, die dansende rode schoentjes. Je weet het maar nooit.
Karen strompelde op haar bebloede voeten naar huis en vroeg de oude dame snikkend om vergeving. De oude dame was zo blij dat ze haar kleine vriendin terugzag, dat ze zich meteen een stuk beter voelde en na een poosje was ze weer helemaal opgeknapt.
Ze beleefden samen nog vele gelukkige jaren en Karen was van haar ijdelheid genezen, hoewel ze zichzelf nog graag in een winkelruit mocht bekijken.
Maar dat doen we allemaal wel eens. Of niet soms?
Er was eens, lang geleden, een meisje dat Karen heette. Karen was erg arm. Ze had geen vader en moeder meer en ook geen huis om in te wonen. Ze zwierf altijd buiten, of het nu zomer was of winter. Als de mensen haar zo zagen lopen, kregen ze medelijden en gaven haar dan een boterham of een appel, want geld om eten te kopen had ze natuurlijk niet. Ze bezat maar één jurkje, dat erg versleten was en ze droeg veel te grote klompen, die pijn deden aan haar voeten.
Karen had dus weinig reden om vrolijk te zijn. Ze voelde zich erg ongelukkig en ze dacht dat ze dat haar hele leven wel zou blijven. Maar er gebeuren nog wel eens kleine wonderen - en die komen altijd onverwacht.
Op een gure winterdag liep Karen bibberend over straat. Het was zó koud, dat ze haar pijnlijke voeten niet eens meer voelde en ze bleef zo dicht mogelijk bij de huizen, waar zo nu en dan een vleug warmte of de geur van versgebakken brood door een toevallig geopende deur naar buiten zweefde.
Opeens werd de stilte verbroken door het geluid van klossende paardenhoeven en ratelende wielen. Karen zag een glanzend rijtuig, waarin een rijzige oude dame zat. De dame speelde verveeld met haar handschoenen, maar toen ze Karen zag, gaf ze de koetsier een teken om te stoppen. Vriendelijk wenkte ze het meisje naderbij.
"Wat doe je met dit weer op straat?" vroeg ze. "Waarom ga je niet naar huis?"
"Ik heb geen huis," antwoordde Karen. "Ik ben helemaal alleen. En ik heb zo'n honger en ik heb 't zo koud," en toen begon ze te huilen.
De oude dame kreeg medelijden met Karen. Ze dacht even diep na en opende toen de deur van de koets.
"Stap in, kind. Ik ben ook alleen. Ik zou het fijn vinden, als je bij me kwam wonen."
En zo gebeurde het, dat Karen bij de oude dame in huis kwam. Ze beleefde een heerlijke tijd. De oude dame was dol op haar kleine vriendin. Ze gaf haar mooie kleren en lekker eten, ze leerde haar koken en lezen en naaien en 's avonds las Karen de oude dame voor bij het open haardvuur in de salon. Ze hadden het best gezellig samen en Karen groeide op tot een mooi meisje, dat het aan niets ontbrak.
Alleen één ding was jammer. Karen vond zichzelf het mooiste meisje van de hele wereld en dat liet ze merken ook.
Karen werd ijdel.
Ze liep met haar neus in de wind en bekeek zichzelf in iedere winkelruit. Ja, Karen was heel erg tevreden met zichzelf.
Op zekere dag zei de oude dame: "Je moet nieuwe schoenen kopen, kind. Je hebt niets meer waarmee je naar de kerk kunt gaan. Het geeft niet wat ze kosten."
En dus ging Karen nog diezelfde middag naar een van de beste schoenmakers van de stad.
Ze liep met glanzende ogen langs de grote glazen kasten, waarin glimmende laarzen, tere damesschoentjes, pantoffeltjes van zacht goudleer en hoge zwarte rijglaarsjes pronkten.
"Zal ik uw maat even nemen, mevrouwtje?" vroeg de schoenmaker, terwijl hij een klein verguld stoeltje aanschoof.
Karen schudde het hoofd.
"Ik denk niet dat dat nodig is. U hebt daar een paar rode schoentjes staan, die me erg leuk lijken. Die zullen me wel passen."
De rode schoentjes pasten precies en Karen was er zó verrukt van, dat ze ze dadelijk kocht. Maar toen ze ermee thuiskwam, hief de oude dame haar handen verbaasd ten hemel.
"Maar m'n liefje, hoe heb je die nu kunnen kopen? Dat zijn dansschoentjes! Daar kun je toch niet mee in de kerk verschijnen?"
"Ze staan me zo mooi," zei Karen.
"Daar heb ik het niet over." De oude dame zuchtte. "Nee, kind. Dan moet je morgen je oude zwarte schoenen maar weer aan, als je naar de kerk gaat."
De volgende ochtend kleedde Karen zich netjes aan. Ze wilde haar zwarte schoenen uit de kast halen - en zag de rode ernaast staan. Ze aarzelde, keek beurtelings naar de rode en de zwarte schoenen - en trok toen de rode aan. Opgewonden glipte ze de deur uit. Het was heerlijk weer. Karens blonde lokken dansten in de zomerwind en met de prachtige rode schoentjes aan haar voeten voelde ze zich nog mooier dan anders.
Toen ze bij de kerk aankwam, zag ze een oude soldaat met een lange bruine baard buiten naast de kerkdeur zitten. Hij droeg een prachtig uniform, dat hier en daar wat slijtplekken vertoonde.
"Zozo," zei de soldaat, terwijl hij Karen van hoofd tot voeten opnam. "Wou jij met die schoentjes de kerk in, kind?"
"Toevallig wel," antwoordde Karen. Maar in haar hart voelde ze zich toch wel een beetje schuldig.
De soldaat lachte. "Het zijn mooie schoentjes, dat moet ik zeggen." Hij tikte er eens tegen met zijn sabel. "Eigenlijk zouden ze moeten dansen, voor eeuwig en altijd. Want dansschoentjes, dat zijn het!"
Karen ging de kerk binnen.
Alle mensen die daar waren, keken naar haar. De heiligenbeelden schenen haar met hun stenen ogen te volgen. Toen Karen voor het altaar knielde en haar ogen sloot, dacht ze aan niets anders dan haar rode schoentjes. En toen ze uit de gouden beker dronk, leken de schoentjes daarin rond te zwemmen. Karen vergat zelfs mee te zingen, en bidden deed ze ook niet. Ze zat maar onrustig met haar voeten te schuifelen.
"Het is meer dan erg," zeiden de mensen. "Wat is dat meisje ijdel. Laat ze dan wegblijven, als ze hier niets te zoeken heeft."
De oude dame had niet gemerkt, dat Karen toch met de rode schoentjes naar de kerk was gegaan. Toen het haar later ter ore kwam, was ze verdrietig en boos tegelijk.
"Het valt me erg van je tegen, Karen," zei ze. "Het is natuurlijk niet ècht belangrijk of je nu met rode of met zwarte schoentjes naar de kerk gaat. Maar je hebt mij bedrogen en dat verdien ik niet aan je. Daarom moet ik je straf geven."
Toen Karen hoorde waaruit haar straf zou bestaan, was ze wanhopig. Ze mocht niet naar het dansfeest, dat in het dorp gegeven zou worden en waar ze zich al zo lang op verheugd had.
Het dansfeest! Ze zou het mooiste meisje van het bal zijn! Alle jongens zouden naar haar kijken! Ze zou geen moment aan de kant zitten, zeker niet als ze haar mooie rode schoentjes droeg.
En nu mocht ze er niet heen. Het was verschrikkelijk. Karen huilde en smeekte, maar het hielp haar niet.
Een paar dagen voor het feest werd de oude dame ziek. De dokter kwam en voor hij wegging, riep hij Karen bij zich.
"Ze is erg ziek," zei hij, terwijl hij Karen over de rand van zijn nikkelen brilletje aankeek. "Ze moet in bed blijven. Zorg maar goed voor haar, Karen. Elke drie uur moet ze een slokje van deze drank hebben. Zal je het niet vergeten?"
"Nee meneer," zei Karen en ze vergat het ook niet.
Maar toen de avond van het feest aanbrak, zat ze verlangend voor het open venster en hoorde de muziek in de verte spelen. Het licht van de lampions op het marktplein kleurde de hemel rood en er klonk vrolijk gelach, dat op de wind door het open raam naar binnen dreef.
Karen had de oude dame zojuist haar drankje gegeven.
"Nog drie uur," dacht ze, "dan moet ze pas weer een slokje hebben. Als ik er nu even uitglip, kan ik op tijd terug zijn en merkt ze niets.'
Vlug trok ze haar mooiste jurk aan. Ze stapte in haar rode schoentjes en toen de oude dame haar riep, deed ze net of ze niets hoorde. Ze sloop de deur uit, rende naar het marktplein en daar begon ze meteen te dansen. Ze dacht niet aan de oude dame, die thuis ziek in bed lag. Ze danste met Dirk en met Teun en met Karel en ze had nog nooit zo'n plezier gehad. Toen de muziek even ophield, ging iedereen zitten om een glaasje te drinken en een beetje te praten. Maar Karen danste door, al was ze helemaal alleen op de dansvloer. De mensen lachten.
"Kom toch even uitrusten!" riep iemand.
Ja, dat zou Karen ook wel willen. Maar het was alsof de rode schoentjes macht over haar gekregen hadden. Ze kon er niets aan doen: ze moest dansen, of ze wilde of niet en ze danste het marktplein over, ze danste langs de kerk - en daar zat de soldaat en lachte. Ze danste door de donkere nacht, door de straten; dwars door de brandnetels en doornstruiken, langs de plassen en over de velden. De dag kwam en het werd weer avond en Karen danste en danste. Haar voeten deden pijn en ze was doodmoe. Ze zou zo graag willen ophouden - maar ze kon niet.
"Help me toch!" riep ze tegen iedereen die ze tegenkwam.
Maar de mensen zeiden: "Dat is die ijdele Karen met haar rode schoentjes, die zo nodig moet laten zien hoe goed ze dansen kan."
En dan lachten ze en liepen hoofdschuddend verder.
Tenslotte brachten de schoentjes Karen terug naar haar dorp en naar het marktplein, waar de feesttent allang was afgebroken en de lampions waren ingepakt.
Voor het eerst dacht ze aan de oude dame, die alleen thuis lag zonder dat zich iemand om haar bekommerde. Op datzelfde moment zag ze de oude soldaat bij de kerkdeur zitten.
"Eindelijk denk je eens aan een ander," hoorde ze hem zeggen. "Je bent er wel laat mee, Karen. Maar ik zal je helpen. Kom hier."
Met zijn zwaard tikte de soldaat tegen de rode schoentjes. Ze gleden dadelijk van Karens voeten en dansten alleen verder - het marktplein over, de straat uit, tot ze uit het gezicht verdwenen waren.
Misschien kom je ze nog wel eens ergens tegen, die dansende rode schoentjes. Je weet het maar nooit.
Karen strompelde op haar bebloede voeten naar huis en vroeg de oude dame snikkend om vergeving. De oude dame was zo blij dat ze haar kleine vriendin terugzag, dat ze zich meteen een stuk beter voelde en na een poosje was ze weer helemaal opgeknapt.
Ze beleefden samen nog vele gelukkige jaren en Karen was van haar ijdelheid genezen, hoewel ze zichzelf nog graag in een winkelruit mocht bekijken.
Maar dat doen we allemaal wel eens. Of niet soms?
Onderwerp
TM 0748C - De rode dansschoentjes   
Beschrijving
Een arm weesmeisje, dat moet bedelen om in leven te blijven, wordt door een rijke dame in huis genomen. Ze krijgt alles wat ze nodig heeft, en leert koken, naaien en lezen. Als ze nieuwe schoenen moet kopen om naar de kerk te gaan, koopt ze in haar ijdelheid rode dansschoentjes. Ondanks het verbod van de dame, draagt het meisje de schoentjes naar de kerk. Een soldaat die bij de kerk zit, tikt met zijn sabel tegen de schoentjes en zegt dat ze eigenlijk altijd zouden moeten dansen. In de kerk vergeet het meisje al haar religieuze plichten. Voor straf mag het meisje niet naar het dansfeest in het dorp. Als de oude dame ziek wordt, moet het meisje voor haar zorgen. Aangezien het nog drie uur duurt voordat de zieke dame haar medicijn weer moet hebben, glipt het meisje in haar mooiste kleding en haar rode schoentjes naar het dansfeest. Ze danst en vergeet de oude dame. Als ze even wil stoppen met dansen, lukt dat niet meer: de schoentjes blijven doordansen. Ze danst door de straten en het veld. Als ze later weer op het kerkplein komt en aan de oude dame denkt, ziet ze de soldaat zitten. Hij tikt tegen de schoentjes: ze schieten van haar voeten en dansen zelfstandig weg. Het meisje gaat terug naar de dame en krijgt vergeving. De dame wordt weer beter, en het meisje is genezen van haar ijdelheid.
Bron
M. Bijl: Sprookjes van de Efteling. Zesde druk. Den Haag 1978, p.58-61
Commentaar
1978
Dit sprookje is een bewerking door Martine Bijl van het sprookje van Hans Christiaan Andersen. In `Een woord vooraf' merkt Bijl op: "Overigens: de ware Andersen-liefhebber zal in mijn bewerking van `De Rode Schoentjes' weinig terugvinden van het originele verhaal. Hij heeft het volste recht mij daar boos op aan te kijken, maar de donkere dreiging van schuld en wrake die de sfeer van dit sprookje bepaalt, viel voor mijn gevoel - in déze selectie - wat uit de toon. Vandaar dat ik, zij het met schroom, `De Rode Schoentjes' herschreven heb."
Zie onder Beeld een afbeelding van Anton Pieck (kleur).
Zie onder Beeld een afbeelding van Anton Pieck (kleur).
De rode dansschoentjes
Naam Overig in Tekst
Karen   
Dirk   
Teun   
Karel   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
