Melding:
Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.
Hoofdtekst
Er waren eens een man en een vrouw die drie zoons hadden. De oudste twee jongens waren sterk en slim en zaten nooit om een praatje verlegen. De jongste daarentegen was een stille dromer. Hij deed zelden mee aan ruwe spelletjes en had nog nooit een vlieg kwaadgedaan. Daarom werd hij door zijn beide broers voortdurend bespot en voor `domoor' uitgemaakt, net zo lang tot ook zijn ouders hem zo noemden en hijzelf tenslotte geloofde, dat `Domoor' zijn echte naam was.
Op een dag werd de oudste zoon erop uitgestuurd om hout te gaan hakken. Hij kreeg van zijn moeder een fles wijn en een lekkere beschuitbol mee en ging al vroeg op pad. Toen hij in het bos aankwam, ontmoette hij een kabouter met glanzende appelwangen en een grijs puntbaardje.
"Goeiemorgen," zei de kabouter, "mag ik u iets vragen?"
"Je gaat je gang maar," antwoordde de jongen terwijl hij de bijl van zijn schouder nam en rondkeek naar een geschikte boom om brandhout van te maken.
"Ik zie dat u daar een fles wijn bij u hebt. En een koek. Zou ik daar misschien een klein beetje van mogen hebben? Ik heb al in dagen niet gegeten of gedronken."
De jongen keek het kleine mannetje minachtend aan.
"Als ik jou wat geef, heb ik zelf niks. Nee, daar beginnen we niet aan. Maak dat je wegkomt."
En hij nam zijn bijl en sloeg hem in de bast van een dikke kastanje.
Maar al bij de derde slag miste hij het hout en de scherpe bijl raakte hem gemeen in zijn arm. Oei, wat deed dat pijn. Het bloedde zo erg, dat de jongen naar huis moest om zich te laten verbinden.
En verscholen tussen het groen stond de kabouter, die er méér van wist.
Daarop ging de tweede zoon naar het bos, want ze hadden het hout erg nodig. Ook hij kreeg een fles wijn en een beschuitbol mee en net als de oudste zoon werd ook hij door de kabouter aangesproken.
"Een stuk koek? Een slok wijn? Ik zal daar gek wezen," antwoordde de jongen bits. "Wat ik jou geef, heb ik zelf niet. Maak dat je wegkomt, bedelaar."
Maar zijn straf bleef niet uit.
Toen de jongen 's avonds nog niet thuis was, ging zijn vader hem zoeken. Hij vond hem tegen middernacht, krimpend van de pijn bij de boom die hij had willen omhakken. Hij had met de bijl zijn been geraakt en omdat hij niet meer lopen kon, moest hij naar huis gedragen worden.
Nu zat de vader met twee gewonde zoons. Domoor bood vriendelijk aan het werk te doen, maar hij werd hartelijk uitgelachen.
"Ach jongen, dat kan je toch niet," zei de eerste zoon.
"Je kan nog niet eens een bijl vasthouden," zei de tweede.
En zijn vader vond, dat twee kreupele zoons hem wel genoeg waren.
Maar Domoor zei dat ze nog steeds geen hout hadden, en hij drong zo aan dat zijn ouders tenslotte toegaven.
Zo ging hij de volgende morgen, met een fles wijn en een beschuitbol op pad. Het duurde niet lang of hij ontmoette de kabouter, die hem beleefd om een beetje van zijn proviand vroeg.
"Heb je zo'n honger," zei Domoor. "Eet en drink maar zoveel je wilt, hoor. Hier."
De kabouter deed zich tegoed en keek Domoor dankbaar aan.
"Jij bent een goeie jongen. Je hebt iets voor een ander over en daarom krijg je iets van me. Zie je die oude eik daar? Hak hem maar om. Tussen de wortels vind je mijn geschenk."
Domoor ging dadelijk aan het werk. En toen de boom omviel, zat er tussen de wortels een zwaan met veren van puur goud.
"O, wat is dàt prachtig," riep Domoor uit.
Maar toen hij zich omdraaide om de kabouter te bedanken, was die verdwenen. Voorzichtig nam Domoor de gouden zwaan in zijn armen.
"Ik neem jou niet mee naar huis," zei hij. "Ze houden niet van dieren bij mij thuis. Ze zouden je gouden veertjes er maar uitplukken."
En hij nam de zwaan mee naar een herberg, waar hij wilde overnachten.
De waard van die herberg had drie lelijke ongetrouwde dochters, die met bolle ogen naar de zwaan staarden en diep onder de indruk waren van zoveel moois. Natuurlijk begonnen ze dadelijk om een veer te zeuren.
"Niets daarvan," zei Domoor, "dat doet 'm pijn. Ik trek toch ook niet aan jullie haren?"
En hij zette de zwaan in zijn kamer neer om zelf nog even een wandelingetje te gaan maken, want het was mooi weer en nog lang geen bedtijd.
"Daar is mijn kans," dacht de oudste dochter, toen ze de jongen de deur uit zag gaan. Ze sloop naar zijn kamer, greep de zwaan bij zijn gouden staart om er een veer uit te trekken - en kon tot haar grote schrik haar hand niet meer loskrijgen.
Een poosje later kwam de tweede zuster binnensluipen, ook met het voornemen een gouden veertje te bemachtigen.
"O Maria," riep de oudste zuster, "help eens even. Ik zit vast."
Maar nauwelijks had het meisje haar bij de arm genomen, of zij zat op haar beurt aan haar zuster vastgekleefd.
Tenslotte verscheen het derde meisje, dat al even hebberig was als haar twee oudere zusters. Toen ze het vreemde tafereel zag, bleef ze verbaasd staan.
"Ga weg!" riep de oudste zuster.
"Hou je handen thuis!" riep de tweede.
"Ja zeg," zei de jongste kwaad. "Waarom zou ik geen gouden veer mogen hebben?"
Maar voor ze het wist, zat ze al aan haar twee zusters vast.
Toen Domoor van zijn wandeling terugkwam en de drie ongelukkige meisjes in zijn kamer zag, deed hij alsof hij ze niet opmerkte. Hij sloot de deur en kroop onder de dekens. Dat de zusjes die nacht een oog dichtdeden, spreekt vanzelf.
De volgende morgen nam Domoor de zwaan in zijn armen en vertrok, zich nog steeds in het geheel niet bekommerend om de drie meisjes die eraan vastzaten. Die moesten dus wel achter hem aanlopen. Nu eens vlug, dan weer langzaam, nu eens midden op de weg, dan weer in de berm, precies zoals het Domoor uitkwam.
Even buiten het dorp kwamen ze de pastoor tegen. Die nam de stoet geschokt in ogenschouw.
"Schamen jullie je niet, die jongen zo achterna te lopen!" riep hij afkeurend en hij nam het jongste meisje bij de hand om haar weg te trekken.
Zo werd de pastoor, door de toverkracht van de zwaan, aan de rij toegevoegd.
Niet lang daarna kwam de koster langs. "Wel wel meneer pastoor, waar gaat dat heen? U vergeet toch niet, dat er vandaag nog enige kerkse plichten vervuld moeten worden?" En hij trok de pastoor lachend aan z'n zwarte mouw.
Ja, dat was dan nummer vijf in de rij.
Intussen begon de stoet heel wat bekijks te trekken, en hij werd ook almaar langer. Er kwamen nog twee boeren bij met hun hooivork over de schouders, een klein schreeuwend jongetje, een dikke wasvrouw en tenslotte nog een vals hondje, dat de wasvrouw in haar pantoffel had gebeten. Het was een opmerkelijke optocht.
Na een poosje kwam het gezelschap in de stad waar de koning woonde. Die koning had een dochter die zó ernstig was, dat niets of niemand haar ooit aan het lachen kon krijgen. Daarom had de koning laten bekendmaken dat degene die de prinses aan het lachen kon maken, ook met haar mocht trouwen. Veel hoop had hij er echter niet meer op. Er waren al vertoningen aan het hof geweest waar de koning en alle lakeien lachkramp van hadden gekregen, maar de prinses had nooit een spiertje van haar gezicht vertrokken.
"Dat komt mooi uit," dacht Domoor, toen hij het verhaal hoorde en hij liep met zijn hele jammerende aanhang naar de prinses.
De prinses zat toevallig op het bordes van het paleis treurig voor zich uit te staren. Maar toen ze het wonderlijke gezelschap zag naderen moest ze opeens zó verschrikkelijk hard lachen, dat de koning in zijn werkkamer verrast opkeek. En toen op datzelfde moment de gouden zwaan zijn toverkracht verloor, zodat de hele stoet losschoot en iedereen achterover tuimelde, kon ze voorlopig niet meer bijkomen.
Tevreden stapte Domoor naar de koning en vroeg hem om de hand van zijn dochter. De koning bekeek de jongen van zijn kruin tot zijn voeten en zuchtte. Al had hij haar dan aan het lachen gekregen, dit was nu niet direct het soort man, waarmee hij zijn dochter graag getrouwd zag. Hij zocht allerlei uitvluchten, maar toen hij bemerkte dat Domoor voet bij stuk hield, stelde hij tenslotte de voorwaarde dat Domoor iemand moest zien te vinden die de hele koninklijke wijnkelder kon leegdrinken en daarna een zeer omvangrijke berg brood kon verorberen.
"Als je daarin slaagt, mag je met mijn dochter trouwen," zei hij.
Domoor dacht aan de kabouter, die hem de gouden zwaan geschonken had. Zou die hem nu wéér kunnen helpen?
"Je hebt tot vanavond de tijd," zei de koning.
"Dan zal ik maar dadelijk gaan zoeken," antwoordde Domoor. En hij vertrok.
Toen hij in het bos aankwam, zat er op de plaats waar hij de kabouter ontmoet had een man die er zó treurig uitzag, dat Domoor hem dadelijk vroeg wat eraan scheelde.
"Ach jongen," antwoordde de man, "ik heb toch zo'n vreselijke honger en dorst, daar heb je geen idee van. Ik heb al een hele bakkerij leeggegeten en een vat wijn tot op de bodem geleegd. Mijn centen zijn op, en ik heb nog lang niet genoeg gehad."
En hij trok zijn buikriem aan.
"Nou, maar dan weet ik wel wat voor je," zei Domoor. "Kom maar met mij mee, dan kun je eten en drinken zoveel je wilt."
De man sprong verheugd op en volgde Domoor naar het koninklijk paleis, waar hij prompt de gehele wijnkelder leegdronk. Toen er geen druppel wijn meer over was begon hij aan het brood.
De koning had al het meel uit zijn koninkrijk bijeen laten brengen en daarvan zo'n geweldige broodberg laten bakken, dat de hele binnenplaats van het paleis ermee gevuld was. De korst kwam nog boven de torenkamers uit!
Je kunt je dus voorstellen, dat daar heel wat aan af te eten viel. Maar nog voor de zon onderging, schraapte Domoors vriend de laatste kruimeltjes tussen de stenen vandaan en zuchtte tevreden.
Toen kon de koning niet langer weigeren.
De bruiloft werd gevierd en na de dood van de koning erfde Domoor het rijk, dat hij als Koning Domoor de Eerste goed en rechtvaardig bestuurde. De prinses veranderde in een goedlachs vrouwtje, dat als koningin door het gehele volk zeer bemind werd. De gouden zwaan kreeg een prachtige vijver in de paleistuin, waar hij nog jarenlang als grote bezienswaardigheid in rondzwom.
En de kabouter met de appelwangen en de grijze puntbaard kwam elke zaterdagavond in het paleis, om met koning Domoor een partijtje te biljarten!
Onderwerp
AT 0571 - "All Stick Together."   
ATU 0571 - “All Stick Together”.   
Beschrijving
Bron
Motief
Q2 - Kind and unkind.   
L13 - Compassionate youngest son.   
D817 - Magic object received from grateful person.   
B102.1 - Golden bird.   
B172 - Magic bird.   
K422 - Thief rendered helpless by magic.   
D1413 - Magic object holds person fast.   
D2171.3.1 - Magic adhesion to goose.   
D2171.5 - Persons magically stick together.   
H341 - Suitor test: making princess laugh.   
H341.1 - Princess brought to laughter by people sticking together.   
T68 - Princess offered as prize.   
H1142.1 - Task: drinking wine--cellar empty.   
H1141.1 - Task: eating mountain of bread.   
F601.2 - Extraordinary companions help hero in suitor tests.   
L161 - Lowly hero marries princess.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Domoor   
Maria   
Koning Domoor de Eerste   
