Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BYLEFT15 - De ganzenhoedster

Een sprookje (boek), 1978

Melding:

Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.
De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.

Hoofdtekst

De ganzenhoedster
Er was eens een koningin die één dochter had. Het was een lief kind en bovendien was ze erg mooi, wat natuurlijk heel plezierig is als je een prinses bent en er dus veel naar je gekeken wordt.
"Kind, kind," zei de koningin soms, als haar dochter stralend en fris aan het ontbijt verscheen, "als je vader je toch eens zien kon," en dan pinkte ze een traan weg, want de koning was al jaren dood.
Voor hij stierf, had de koning echter laten vastleggen dat zijn dochter zou trouwen met de zoon van de koning van het naburig rijk. Dat hadden de beide vorsten eens zo afgesproken na afloop van een vriendschappelijk partijtje schaak.
Ja, zo ging dat vroeger met koningskinderen en niemand die er wat van zei.
Toen de prinses haar achttiende verjaardag gevierd had, maakte ze zich dan ook zonder morren gereed voor het huwelijk. De koningin hielp haar met het inpakken van haar spulletjes en stopte haar allerlei kleine cadeautjes toe; een gouden drinkbeker, een mooie halsketting, twee koninklijke washandjes met `Prinses' erop geborduurd, zes zilveren theelepeltjes en nog allerlei dingen meer. Ze zocht ook een kamermeisje uit om de prinses op haar tocht te vergezellen en tenslotte gaf ze de beide meisjes ieder een sterk paard voor de reis. Maar het paard van de prinses was iets heel bijzonders: het heette Falada en kon spreken als een mens.
Toen het uur van vertrekken naderde, pakte de koningin een naald uit de naaidoos, prikte zich voorzichtig in haar vinger en liet drie bloeddruppels op haar kanten zakdoekje vallen.
"Hier kind," zei ze, terwijl ze haar dochter het zakdoekje toestak, "Bewaar het goed; je zult het onderweg nodig hebben."
Daarop namen moeder en kind innig afscheid van elkaar. De prinses borg het zakdoekje in de hals van haar japon, besteeg het paard en ging samen met het kamermeisje op weg naar het rijk van haar bruidegom.
Toen ze een poosje gereden hadden, kreeg de prinses erge dorst.
"Kijk, daar is een vijver," zei ze tegen het kamermeisje. "Haal even wat water voor me, wil je? Hier is mijn gouden bekertje."
Maar het kamermeisje keek de prinses hooghartig aan en antwoordde: "Als u dorst hebt, stap dan van uw paard en drink. Ik heb geen zin."
De prinses keek haar geschrokken aan, maar ze had geen keus. Ze moest van haar paard stijgen en aan de oever van de vijver gaan liggen om te drinken.
"Och hemel," zuchtte ze en de druppeltjes bloed op haar moeders kanten zakdoekje antwoordden: "Als je moeder wist wat hier gebeurde, zou haar hart breken van verdriet."
Maar de prinses was een verlegen en goedhartig meisje en dus zei ze niets tegen het kamermeisje.
Ze reden zwijgend verder. Maar na een uurtje kreeg de prinses alweer dorst, want het was een warme dag en de zon stond als een gloeiende schotel aan de hemel. Gelukkig kwamen ze al snel aan een klaterend beekje.
De prinses was de scherpe woorden die haar metgezellin daarstraks gesproken had, allang weer vergeten. Ze knikte het kamermeisje vriendelijk toe en zei: "Haal even wat water voor me, wil je. Je hebt mijn gouden bekertje toch nog wel?"
Het kamermeisje was nog brutaler dan de eerste keer. "Doe het zelf, mens!" zei ze. "Als u dorst hebt, loop dan zelf naar de beek en drink. Ik heb geen zin."
De prinses had graag iets willen terugzeggen, maar ze wist niets te bedenken. Dus steeg ze maar weer van haar paard en knielde bij het snelstromende water neer.
"Och hemel," huilde ze en de druppeltjes bloed op haar moeders kanten zakdoekje zeiden: "Als je moeder wist wat jij je liet welgevallen, zou haar hart breken van verdriet."
Maar terwijl de prinses zich voorover boog om te drinken, viel het zakdoekje, zonder dat ze er iets van merkte, uit haar japon en dreef weg op het bruisende water.
Het kamermeisje had wèl gezien wat er gebeurd was. Maar ze hield haar mond stijf dicht, want ze wist dat de prinses, mèt de druppels bloed van haar moeder, ook al haar kracht en macht verloor.
Toen ze zag dat de prinses haar voet weer in de stijgbeugel zette, sprak ze bits: "Dat beest van mij is eigenlijk goed genoeg voor jou. Ik hoor op Falada. Schiet op, eraf! Ga jij maar op mijn paard!"
Het arme prinsesje moest wel gehoorzamen - en dat was nog niet alles. Ze werd gedwongen haar koninklijke kleren uit te trekken en ze te ruilen voor het eenvoudige jurkje van het kamermeisje, en tenslotte moest ze onder de blote hemel zweren dat ze geen sterveling ooit iets van het gebeurde zou vertellen. Deed ze die plechtige belofte niet, dan zou ze ter plekke moeten sterven. Er zat dus weinig anders op.
Het sprekende paard van de prinses zei niets, maar het hield zijn ogen en oren goed open.
Het kamermeisje reisde verder op Falada en de prinses op het gewone paard en zo kwamen ze tenslotte bij het paleis van de koning aan. De prins vloog hen tegemoet en tilde het kamermeisje van haar paard, want hij dacht natuurlijk dat zij zijn bruid was. Hij pakte haar hand en nam haar mee naar binnen, terwijl de echte prinses buiten kon blijven staan.
De oude koning keek toevallig uit het raam en zag het meisje hulpeloos over de binnenplaats dwalen.
"Wie is dat lieve kind, dat daar beneden op het plein staat?" vroeg hij nieuwsgierig.
"O, die heb ik onderweg opgepikt om me wat gezelschap te houden," antwoordde het kamermeisje zonder blikken of blozen. "Geef haar maar wat te doen, dan loopt ze niet te lanterfanten."
De koning had eigenlijk geen werk voor haar, maar hij dacht diep na en zei tenslotte: "Ik heb hier ergens zo'n kleine jongen, die de ganzen hoedt. Laat ze die dan maar wat helpen."
Zo werd de prinses erop uit gestuurd om de ganzenhoeder, die Koentje heette, te helpen - en het kamermeisje werd als prinses en toekomstige echtgenote van de prins in het paleis opgenomen.
Een paar dagen na haar aankomst zei de onechte prinses tegen haar bruidegom: "Ik wil dat je iets voor me doet, schat."
"Ik doe alles wat je maar wilt, lieveling," antwoordde de prins.
"Nou, ik wil dat de paardenslager komt en dat die het paard waarop ik hierheen gekomen ben, de kop afhakt. Het is een vals kreng en hij heeft me twee keer gebeten."
Het kamermeisje was natuurlijk bang dat het sprekende paard zou gaan vertellen wat er onderweg was voorgevallen. Maar dat kon de prins niet weten. Falada moest dus sterven en de paardenslager werd geroepen.
Toen de echte prinses hoorde wat er met haar trouwe vriend gebeurd was, klampte ze de paardenslager aan en beloofde hem een goudstuk in ruil voor een kleine dienst. Elke morgen en avond kwam ze met Koentje en de ganzen door de grote stadspoort. Zou de paardenslager nu Falada's hoofd niet onder die poort kunnen bevestigen, zodat ze het zo nu en dan eens zien kon?
Nu, voor een goudstuk kan veel en zo hing de volgende morgen, toen de prinses met Koentje naar de velden ging, het hoofd van het paard Falada aan de muur van de stadspoort.
Verdrietig keek de prinses omhoog.
"Ach m'n lieve Falada," zei ze zacht, "daar hang je nou."
"Ach prinsesje," hoorde ze het paardehoofd antwoorden, "daar ga je nou. Als je moeder het wist, zou haar hart breken van verdriet."
Hoofdschuddend liep de prinses door.
Toen ze met Koentje en de ganzen op het ganzenweitje was aangekomen, ging ze in het gras zitten en maakte haar opgestoken haar los, zodat het als goud over haar schouders golfde.
"Zulk mooi haar heb ik nog nooit gezien. Daar wil ik een lokje van hebben!" riep Koentje en verrukt stak hij zijn handen uit. Maar de prinses zei:
"Waai windje, waai!
Speel met Koentjes hoedje,
Laat hem lopen, die kleine Koen,
Zodat ik mijn haar kan doen!
Waai windje, waai!"
En dadelijk stak er een flinke wind op die Koentjes hoedje over de velden deed buitelen, zodat het arme ganzenhoedertje er hard achteraan moest. Toen hij eindelijk terugkwam, zag hij teleurgesteld dat de prinses haar haar geborsteld en weer opgestoken had. Hij kon er geen lokje van te pakken krijgen.
Daar kon Koentje beslist niet om lachen en hij bewaarde de rest van de dag een verongelijkt stilzwijgen. Ze hoedden de ganzen tot het avond werd en gingen toen naar huis.
De volgende dag herhaalden zich de gebeurtenissen. Onder de stadspoort bleef de prinses staan en zei: "Ach m'n lieve Falada, daar hang je nou," waarop de paardekop antwoordde: "Ach prinses, daar ga je nou. Als je moeder het wist, zou haar hart breken van verdriet."
En op het ganzenweitje maakte de prinses haar haren weer los om ze te borstelen. Koentje greep ernaar, maar de prinses was hem voor en zei, net als de vorige dag:
"Waai windje, waai!
Speel met Koentjes hoedje,
Laat hem lopen, die kleine Koen,
Zodat ik mijn haar kan doen!
Waai windje, waai!"
En weer kwam er een harde rukwind, zodat de kleine ganzenhoeder moest rennen om zijn hoedje terug te krijgen; en de prinses had, toen Koentje hijgend terugkwam, haar haren allang in orde, zodat hij wéér kon fluiten naar zijn lokje.
Die avond ging Koentje naar de koning en zei: "Sire, ik wil de ganzen niet meer hoeden. Niet met dat meisje erbij."
"En waarom niet?" vroeg de koning.
"Ze pest me steeds."
"Vertel maar op, jongen," zei de koning.
"Nou," zei Koentje, "het begint al als we 's morgens onder de stadspoort doorkomen. Daar hangt sinds een paar dagen een paardekop. En daar zegt ze tegen: Falada, zegt ze, daar hang je nou. En dat paard zegt dan: Ach prinses, daar ga je nou; en nog iets over haar moeder. En dat is nog niet alles."
En Koentje vertelde de koning wat er op het ganzenweitje gebeurde en hoe hij elke keer achter zijn hoedje aan moest hollen. Hij werd er gewoon weer kwaad van als hij eraan dacht, en hij nam het niet langer.
Hij kreeg echter het koninklijk bevel om zijn werk normaal te blijven doen en daaraan moest hij wel gehoorzamen.
De volgende morgen verschool de koning zich in de schaduw van de stadsmuur. Hij hoorde de ganzenhoedster met het paardehoofd praten. Hij volgde haar heimelijk naar het ganzenweitje en zag hoe ze haar haar losmaakte, zodat het als goud in het zonlicht glinsterde. En even daarna hoorde hij haar zeggen:
"Waai windje, waai!
Speel met Koentjes hoedje,
Laat hem lopen, die kleine Koen,
Zodat ik mijn haar kan doen!
Waai windje, waai!"
Toen de wind er inderdaad met Koentjes hoedje vandoor ging, vond de koning dat hij genoeg gezien had en hij verdween onopgemerkt naar huis.
Die avond liet hij de ganzenhoedster bij zich brengen.
"Waarom doe je zo vreemd, kind? vroeg hij. En hij vertelde haar, wat hij allemaal gezien en gehoord had.
"Ik mag het u niet zeggen... U niet, en geen sterveling. Dat heb ik onder de blote hemel moeten zweren, anders had ik nu niet meer geleefd."
De koning drong erg aan, maar hij merkte wel dat hij weinig bereikte.
"Vertel het dan tenminste aan die kachel daar," zei hij tenslotte.
En toen ging hij weg.
De prinses ging dicht bij de kachel zitten en begon te huilen.
"Daar zit ik nou," snikte ze, "door iedereen verguisd en verlaten en niemand weet dat ik een prinses ben. Mijn kamermeisje heeft me gedwongen mijn koninklijke kleren uit te trekken. Ze heeft me mijn paard, mijn kroon en mijn bruidegom afgenomen. En het lijkt me nog wel zo'n aardige jongen. En nu ben ik een gewone ganzenhoedster en dat zal ik mijn hele leven wel blijven ook. Als mijn moeder het wist, zou haar hart breken van verdriet."
De koning was buiten met zijn oor tegen de kachelpijp gaan staan en hoorde alles wat de prinses zei. Hij staarde een moment verbijsterd voor zich uit en kwam toen in actie.
Hij rende naar binnen, gaf de echte prinses een klinkende zoen op beide wangen en bracht haar een schitterende brokaten japon, die ze dadelijk moest aantrekken. Toen bracht hij haar bij zijn zoon en vertelde hem dat hij een namaak-prinses het hof gemaakt had en dat de echte prinses hier voor hem stond: jawel, de zogenaamde ganzenhoedster.
De jonge prins slaakte een zucht van verlichting. Hij had in de afgelopen week al drie keer een daverende ruzie met zijn aanstaande gehad en hij was zich zelfs gaan afvragen, hoe koningskinderen in andere landen in 's hemelsnaam opgevoed werden.
Maar het meisje dat nu voor hem stond, dàt was pas een echte prinses, dat zag je zo. Bovendien lachte ze hem vriendelijk toe en was ze werkelijk adembenemend mooi. Ja, de prins was danig in zijn sas.
Die avond werd er een groot banket aangericht, waarbij alleen de familie en intieme vrienden van de koning aanwezig mochten zijn.
De koning zat aan het hoofd van de tafel, met aan zijn rechterhand de prinses en aan zijn linkerhand het kamermeisje, dat nog nergens van wist en de prinses niet eens herkende, zo stralend zag die eruit. Het gezelschap deed zich tegoed aan een overvloed van verrukkelijke gerechten. De wijn fonkelde in de glazen en iedereen was in een opperbeste stemming.
Opeens stond de koning op en tikte met zijn lepel tegen zijn bord.
Toen hij ieders aandacht had, sprak hij: "Ik heb een raadseltje voor mijn aanstaande schoondochter. Kindje," en hij keek het kamermeisje strak aan, "wat voor straf verdient een dienaar, die zijn meester bedriegt?"
En toen vertelde hij haar precies wat ze zelf gedaan had.
"Nou?" zei hij tenslotte.
Het kamermeisje lachte hard en brutaal. "Zo iemand moet in z'n blootje in de pek geduwd, dan door de kippeveren gerold en zó uit het rijk verbannen worden!"
De koning werd purperrood.
"We hebben het hier over jou, leugenachtig vrouwmens!" bulderde hij, terwijl hij zo hard met zijn vuist op tafel sloeg dat de jus tegen het plafond spatte, "en ik ben het volledig eens met de straf die je jezelf hebt toebedacht. Het vonnis zal dan ook onmiddellijk uitgevoerd worden."
En het krijsende kamermeisje werd door twee soldaten van tafel verwijderd.
Langzaam werd het weer rustig aan tafel.
De koning dronk die avond meer wijn dan goed voor hem was, maar daar had iedereen begrip voor.
En de prins? Die kon zijn ogen niet van zijn echte bruid afhouden en voelde zich de gelukkigste man van de hele wereld!

Onderwerp

AT 0533 - The Speaking Horsehead    AT 0533 - The Speaking Horsehead   

ATU 0533 - The Speaking Horsehead.    ATU 0533 - The Speaking Horsehead.   

Beschrijving

Een prinses is uitgehuwelijkt aan de prins van een buurland. Als ze oud genoeg is, krijgt ze een kamermeisje mee, en een paard dat kan spreken. Verder geeft de koningin haar een zakdoek mee met drie druppels van haar bloed. Onderweg weigert het kamermeisje tweemaal de prinses van dienst te zijn als zij dorst heeft. De druppels bloed op de zakdoek zeggen dat haar moeder hier veel verdriet van zou hebben. Even later verliest de prinses de zakdoek in de beek en raakt haar macht kwijt. Het kamermeisje beveelt van paard en kleding te ruilen, en tegenover ieder te zwijgen. Zo wordt het kamermeisje de aanstaande bruid. De echte prinses wordt aangesteld als ganzenhoedster. De nep-prinses laat het sprekende paard onthoofden, maar de slager hangt de kop bij de stadspoort. Elke dag spreken prinses en paardekop elkaar toe en betreuren hun lot. Elke dag wil de ganzenhoeder een lok haar hebben, maar met een spreuk laat zijn helpster zijn hoedje wegwaaien. Hij klaagt over haar gedrag bij de koning. Deze ondervraagt haar, maar zij heeft beloofd te zwijgen. Dan moet ze haar verhaal aan de kachel te vertellen. De koning luistert haar af. 's Avonds op het banket vraagt de koning welke straf een bedrieger verdient. De pseudo-prinses zegt: met pek en veren besmeurd verbannen. Dan onthult de koning het bedrog en geeft het kamermeisje de straf die haar toekomt. De echte prinses trouwt met de prins.

Bron

M. Bijl: Sprookjes van de Efteling. Zesde druk. Den Haag 1978, p.83-88

Motief

K2252 - Treacherous maidservant.    K2252 - Treacherous maidservant.   

K1911.1.1 - False bride takes true bride’s place on the way to the wedding.    K1911.1.1 - False bride takes true bride’s place on the way to the wedding.   

K1933 - Impostor forces oath of secrecy.    K1933 - Impostor forces oath of secrecy.   

B401 - Helpful horse.    B401 - Helpful horse.   

B335 - Helpful animal killed by hero‘s enemy.    B335 - Helpful animal killed by hero‘s enemy.   

D1011 - Magic animal head.    D1011 - Magic animal head.   

B133.3 - Speaking horse-head.    B133.3 - Speaking horse-head.   

H13.2.7 - Recognition by overheard conversation with stove.    H13.2.7 - Recognition by overheard conversation with stove.   

Commentaar

1978
Zie onder Beeld een afbeelding van Anton Pieck (kleur).
The Speaking Horsehead

Naam Overig in Tekst

Fallada    Fallada   

Koentje    Koentje   

Koen    Koen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20