Melding:
Bestand met auteursrechtelijke informatie of extreme facetten.De inhoud is afgeschermd, en kan alleen worden geraadpleegd op het Meertens Instituut, of met een account.
Hoofdtekst
De tuinman en de fakir
Eens, vele eeuwen geleden, bestond er een land dat Simarstan heette. Het was zo uitgestrekt, dat niemand eigenlijk precies wist waar het begon en waar het eindigde. Achter de bergen in het oosten rezen weer nieuwe bergketens op en men vertelde dat daarachter, ver weg, woeste volken woonden die het niet zo nauw namen met de goede zeden. Maar niemand uit Simarstan had ooit een vertegenwoordiger van die volken ontmoet en niemand had daar ook behoefte aan.
De sultan van Simarstan was zo machtig en welgesteld, dat hij geen flauw vermoeden van zijn rijkdommen had. Evenmin wist hij over hoeveel onderdanen hij regeerde en waar ze allemaal woonden. Wel ontving hij zo nu en dan een emir ten paleize - iemand die de lakens uitdeelde in een van zijn gebieden, en die er daarbij vaak voor eigen genoegen een legertje op na hield. Dan hoorde de sultan de emir uit over de gang van zaken in zijn grote rijk.
Als zo'n emir dan was aangediend - hetgeen met veel trompetgeschal en duur vertoon gepaard ging - zonk hij voor de sultan op de knieën en kuste hem de voeten. Daarna knipte hij met duim en wijsvinger, waarop één van zijn meegekomen dienaren naar voren trad om het geschenk van de emir aan de sultan te overhandigen. (De dienaar mocht de sultan daarbij overigens niet aankijken, want daarop stond een straf van tien stokslagen.)
Op een dag ontving de sultan bezoek van een emir die zo ver weg woonde, dat hij hoogstens eens in de twee jaar de reis naar de hoofdstad ondernam om zijn verslag uit te brengen. Ook deze emir knipte, na de ontvangstplechtigheden, met duim en wijsvinger ten teken dat de overhandiging van het cadeau kon plaatsvinden.
De sultan had in de loop der jaren al zoveel geschenken gekregen, dat hij van een gouden halsketting met smaragden of een zilveren bokaal met ingelegde robijnen nog nauwelijks opkeek. Hoewel hij dus erg verwend was, nam hij de geschenken altijd met een minzame glimlach in ontvangst.
Dat deed hij ook nu. De bediende overhandigde hem een kleine doos, die de vorst zelf bleek te moeten openen. Er kwam een bolvormig voorwerp uit te voorschijn, verpakt in een satijnen doekje. De sultan verwijderde het doekje - en keek nogal verbaasd naar de kleine ui die hij in zijn hand hield. Hij wierp de emir een vragende en nogal verbolgen blik toe.
"Wat stelt dit voor, emir?"
"Dit stelt niets voor, hoogheid," antwoordde de emir, "eh - tenminste, het gáát iets voorstellen. Het is een tulpenbol."
"Een tulpenbol? Wat, in de naam van Allah, is een tulpenbol?"
"Een tulpenbol, hoogheid, is een bol die je in de aarde moet stoppen. En dan komt er na verloop van tijd een tulp uit, met uw welnemen."
"En wat is een tulp?" De sultan werd een beetje ongeduldig.
"Een tulp, hoogheid, is een zeldzame bloem. Zo mooi, zo waarachtig, dat je zou willen dat iedere bloem in uw paleistuin - hoe mooi ook - zou worden vervangen door een tulp."
De sultan krabde eens aan zijn kin.
"Ik heb tien muilezels meegebracht," ging de emir verder, "die bepakt zijn met ieder vier zakken van tien kilo tulpenbollen."
De sultan raakte niet bepaald onder de indruk. Hij legde de tulpenbol op een albasten tafeltje naast zich en klapte in zijn handen. Vrijwel onmiddellijk verscheen er een bediende in een blauwe, met gouddraad bestikte boernoes.
"Zeg de tuinman dat hij de tien muilezels van de emir aflaadt en dat hij de zakken met hoe heten ze ook al weer - tulpenbollen, opstapelt in de grote schuur," sprak de sultan en tegen de emir zei hij: "Ik dank u voor uw wat ongebruikelijke geschenk. En vertelt u mij nu eens, hoe de zaken er in uw gebied voorstaan."
Een paar uur later lagen de veertig zware zakken keurig tot aan de nok van de schuur opgestapeld. Doodmoe van het sjouwen sjokte de tuinman naar zijn lemen huisje aan de rand van de paleistuin terug en daar liet hij zich kreunend op zijn slaapmatje vallen. Wàt een karwei. Zoiets had hij nog nooit meegemaakt. Waarmee zouden die zakken gevuld zijn?
Toen hij een beetje was bijgekomen, ging hij terug naar de schuur en peuterde één van de zakken open. Even later stond hij met een wonderlijk, donkerglanzend bolletje in zijn hand.
"Een ui of zoiets," dacht de tuinman en hij wist genoeg van bloemen en planten om te begrijpen dat die ui in de aarde gestopt moest worden, en dat je dan maar af moest wachten wat er zich boven de grond zou vertonen.
Achter zijn lemen huisje begroef de tuinman het uitje op een plek waar nooit iemand kwam en dacht er verder niet meer aan.
Enige dagen nadat de emir vertrokken was, gebeurde het dat de sultan zich niet lekker voelde. Hij had hoofdpijn en zelfs het lekkerste hapje eten smaakte hem niet meer. De lijfarts van de sultan vond het raadzaam, dat zijne hoogheid enige dagen het bed zou houden en hij bereidde hem een drankje uit Gevreesde Beitelschors en Wilde Zomerprijs, in ieder geval een afdoend middel tegen van alles. Maar de sultan knapte er niet van op. Integendeel, hij werd steeds zieker. De haremvrouwen klaagden ach en wee, ze zongen de hele dag treurige liederen en ze smeekten Allah om hun meester toch maar spoedig beter te maken.
Het haalde allemaal niets uit. De sultan lag te bibberen in zijn bed en sprak zo nu en dan wartaal. De lijfarts bladerde al zijn dikke boeken met vreemde ziektes en aandoeningen door en hij snuffelde in de paleistuin tussen zijn artsenkruiden. Hij probeerde van alles om de sultan beter te maken, maar vergeefs.
Op een dag, toen niemand meer over iets anders sprak dan over de geheimzinnige ziekte van de sultan - verscheen er in de paleistuin een zwerver met een vale tulband op het hoofd. Hij was zo mager, dat je bijna door hem heen kon zien. Zijn verwarde baard reikte tot zijn knieën. Op zijn rug droeg hij een bundeltje en aan zijn sandalen was te zien dat hij de halve wereld had bereisd.
Toen de zwerver de tuinman - die juist bezig was de dahlia's te begieten - in het oog kreeg, liep hij op hem toe en zei: "Beste man, de grote genadige Allah zij met u. U zult tot zijn grote zonen behoren, als u mij kunt helpen aan een stukje maiskoek en een napje water."
De tuinman bekeek de zwerver van zijn tulband tot zijn sandalen en daar hij erg van muziek hield, ontging het hem niet dat de zwerver een prachtige ivoren fluit in zijn versleten gordel droeg.
"Kom," zei de tuinman. Hij leidde de zwerver naar zijn huisje, waar hij hem een hele maiskoek en een grote nap helder bronwater voorzette. Zijn gast ontdeed zich van zijn bundeltje en hoewel hij uitgehongerd moest zijn, brak hij de maiskoek langzaam en omzichtig in stukjes, die hij met aandacht oppeuzelde. Zo nu en dan zette hij zonder te morsen de nap met water aan zijn mond.
De tuinman keek zwijgend toe.
Toen alles tot de laatste kruimel en de laatste druppel op was, keek de zwerver peinzend naar de grond.
"Bent u op reis?" wilde de tuinman weten.
"Ik ben altijd op reis," was het antwoord, "ik ben gedurende al mijn levens op reis. Ook in dit leven laten mijn voeten mij geen rust."
De tuinman voelde zich een beetje onbehaaglijk. "U kunt hier vannacht wel slapen, als u wilt. Het is hier in ieder geval koel en droog."
"Koel en droog," herhaalde de zwerver, "een aanlokkelijk aanbod. Maar ik moet verder. Mijn reis is nooit ten einde."
"U kunt toch tenminste nog wat uitrusten," drong de tuinman aan. "Achter mijn huisje staat de jasmijn in volle bloei en de warmte van de dag is daar allang geweken."
"U hebt een goed hart," zei de zwerver na een korte aarzeling. "Goed. Ik blijf nog even."
En zo zat het tweetal even later in de schaduw van het weelderige lommer achter het huisje van de tuinman.
Toen ze daar zo een poosje zwijgend hadden doorgebracht, haalde de zwerver de ivoren fluit uit zijn gordel en begon een wijsje te spelen. De ene zilveren toon na de andere zocht zijn weg door het bladerdak en de tuinman luisterde ademloos. Opeens richtte zijn blik zich naar een plekje op de grond. De aarde bewoog, er vielen wat korrels opzij en een fluwelig rood puntje rees omhoog. De punt werd groter en groter en nam de vorm aan van een statige bloem, die werd gevolgd door een sterke lichtgroene stengel.
De tuinman begreep wat er gebeurde. De zwerver was een fakir en de toverkracht van de fluit deed de tulp vroegtijdig uit haar bol komen. Dat moest de sultan zien! Maar de tuinman bedacht zich verdrietig dat de sultan ziek was. Erg ziek zelfs.
Toen de tulp fier en stralend boven alle onkruid uitstak, hield de fakir op met spelen. De tuinman keek zijn gast vol ontzag aan.
"Dit moest de sultan kunnen zien," zei hij zacht. "Maar de sultan is ziek..."
"De sultan is ziek van zijn rijkdom en macht," viel de fakir hem in de rede. "Zijn ogen zijn blind geworden voor de schoonheid van het kleine en eenvoudige. Hij heeft nog één kans om te blijven leven. Snijd de tulp af, tuinman, en vraag of je ermee bij het bed van de sultan mag worden toegelaten. Misschien dat de schoonheid van deze bloem hem nieuw leven schenkt. Als hij de schoonheid niet ziet, betekent dat, dat zijn ziel reeds gestorven is en dan zal zijn lichaam spoedig volgen. Ga nu. Ik blijf hier wachten."
De tuinman sneed de tulp bij de grond af, ging naar het paleis en vroeg of hij de sultan een kort bezoek mocht brengen. Na een kleine beraadslaging lieten de raadsheer en de lijfarts de tuinman tot de ziekenkamer toe.
"Ik ga met u mee," fluisterde de lijfarts, "het kan ieder moment afgelopen zijn."
De sultan lag met gesloten ogen en ademde zwaar. Zijn wangen waren ingevallen en op het damasten laken lag een diamanten ring, die hem van de vinger was gegleden.
"Hoogheid," fluisterde de tuinman en hij hield de ranke tulp voor het gelaat van zijn vorst. De sultan opende de ogen en keek naar de tulp. Na een poosje sloot hij ze weer, maar hij glimlachte en begon zacht te praten.
"De bloem uit de ui. Hoe groot is Allah's werk. Hoe klein is de mens. Mijn waarde dokter, haal een eenvoudige vaas en zet deze bloem naast mijn bed. Tuinman, mijn dank. En laat u beiden mij nu alleen. Ik wil wat rusten."
De tuinman keerde terug naar de fakir die, zoals te begrijpen is, al precies wist wat er gebeurd was.
"We zullen de handen uit de mouwen moeten steken," sprak de fakir. "In de schuur liggen veertig zakken tulpenbollen. We zullen ze samen poten. Vóór zonsopgang moet het werk klaar zijn."
Toen de koepels van de torens en minaretten door de eerste stralen van de ochtendzon werden verwarmd, klonk er rumoer uit het paleis. Als een lopend vuurtje verspreidde het nieuws zich onder de hofhouding: de sultan was opgestaan! Hij had zichzelf gewassen en was nu bezig zich aan te kleden.
Op datzelfde moment stopte de fakir de laatste bol in de aarde.
"We moeten ons haasten," zei hij.
Hij liep naar het huisje van de tuinman en kwam even later terug met het bundeltje, dat hij bij zijn aankomst op zijn rug had gedragen. Voorzichtig maakte hij het bundeltje los.
Voor zijn voeten ontrolde zich een veelkleurig tapijtje. De fakir nam erop plaats en keek afwachtend naar de kamer van de sultan.
Even later verscheen de sultan op het balkon. Hij genoot zichtbaar van de prille ochtendstond. Zijn ogen bleven rusten op de fakir, die zich op het tapijtje langzaam van de grond verhief, de fluit aan zijn mond zette en begon te spelen.
Bij de eerste tonen kwam de gehele hofhouding van de sultan naar buiten. Niemand sprak. Wat daar gebeurde was nauwelijks te geloven. Terwijl de fakir, al fluitend, op zijn tapijtje over de gazons en de bloemperken zweefde, verschenen er honderden rode en gele puntjes boven de aarde. Ze werden groter en groter, totdat zich voor ieders ogen een zee van kleurige tulpen uitstrekte. Vlinders en bijen fladderden en zoemden op de bloemen toe om kennis te maken met hun nieuwe vrienden en de zon stond juist hoog genoeg om het hele schouwspel in een gouden gloed te zetten. Toen de tulpen hun kelken langzaam openden om de eerste zonnestralen op te vangen, gleed de fakir langs het balkon van de sultan, groette hem eerbiedig met beide handen voor het hoofd en zweefde toen met een wijde boog de hemel tegemoet, om achter het paleis uit het gezicht te verdwijnen.
Nog diezelfde dag gaf de sultan opdracht om alle emirs uit het land op te trommelen; ook de emir van de tulpenbollen moest zo spoedig mogelijk teruggeroepen worden. Na veertien dagen was het paleis bevolkt door een bonte verzameling hoogwaardigheidsbekleders. De grote raadszaal was eigenlijk te klein voor zo'n uitgebreid gezelschap, maar toch had iedereen een plaatsje gevonden toen de sultan de vergadering opende. Hij sprak enkele inleidende woorden, rees daarna uit zijn zetel en liep op de emir van de tulpenbollen toe.
"Toen u mij de tulpenbol schonk, wist ik uw cadeau niet op waarde te schatten," sprak hij. "Er is intussen het een en ander gebeurd en ik ben tot het inzicht gekomen dat ik u geen recht heb gedaan. U weet, ik heb helaas geen zoons. Ik benoem u bij deze tot mijn opvolger. Mogen Allah en al de hier aanwezigen getuige zijn van mijn belofte." Hij keek rond. "In de eetzaal zijn de tafels voor u gedekt. Begint u maar vast, mijn beminde vrienden. Ik voeg mij dadelijk bij u."
Toen de emirs uit de raadszaal verdwenen waren, gaf de sultan één van zijn dienaren opdracht, de tuinman uit de tuin te halen.
En toen deze voor zijn meester stond aangetreden, zei de sultan: "U zult van nu af aan het toezicht houden op de grote tulpenkwekerij, die wij hier gaan aanleggen. Iedereen in mijn rijk zal zonder daarvoor te hoeven betalen, een zakje tulpenbollen uitgereikt krijgen. In ieder huis en in elke tuin moet men van deze bloem kunnen genieten."
Daarna ging de sultan naar de eetzaal en voegde zich bij zijn raadsheer, de ministers en de emirs. Na afloop van de maaltijd tikte hij tegen zijn glas en hield een korte toespraak.
"Van nu af aan zal ik van u, waarde emirs, geen geschenken meer ontvangen. Ik geef bij deze de opdracht om al mijn rijkdommen onder de armsten van het land te verdelen."
"Alles?" riep een der emirs verbaasd uit.
De sultan nam een slokje water. "Nu ja, bijna alles. Ik hoef zelf natuurlijk niet te verhongeren. Dat lijkt me overbodig."
De emirs knikten instemmend.
"En tenslotte," ging de sultan verder, "zullen het rijkswapen en de vlag worden veranderd. Van nu af aan zal de tulp het symbool worden van wijsheid en geluk. Ik wil morgen de eerste ontwerptekeningen zien!"
En zo geschiedde.
Het land Simarstan bestaat allang niet meer, maar er gaan verhalen over een bijna vergane vlag die nu nog ergens in een museum te zien zou zijn: een vlag met een vuurrode tulp tegen een blauwe hemel.
Eens, vele eeuwen geleden, bestond er een land dat Simarstan heette. Het was zo uitgestrekt, dat niemand eigenlijk precies wist waar het begon en waar het eindigde. Achter de bergen in het oosten rezen weer nieuwe bergketens op en men vertelde dat daarachter, ver weg, woeste volken woonden die het niet zo nauw namen met de goede zeden. Maar niemand uit Simarstan had ooit een vertegenwoordiger van die volken ontmoet en niemand had daar ook behoefte aan.
De sultan van Simarstan was zo machtig en welgesteld, dat hij geen flauw vermoeden van zijn rijkdommen had. Evenmin wist hij over hoeveel onderdanen hij regeerde en waar ze allemaal woonden. Wel ontving hij zo nu en dan een emir ten paleize - iemand die de lakens uitdeelde in een van zijn gebieden, en die er daarbij vaak voor eigen genoegen een legertje op na hield. Dan hoorde de sultan de emir uit over de gang van zaken in zijn grote rijk.
Als zo'n emir dan was aangediend - hetgeen met veel trompetgeschal en duur vertoon gepaard ging - zonk hij voor de sultan op de knieën en kuste hem de voeten. Daarna knipte hij met duim en wijsvinger, waarop één van zijn meegekomen dienaren naar voren trad om het geschenk van de emir aan de sultan te overhandigen. (De dienaar mocht de sultan daarbij overigens niet aankijken, want daarop stond een straf van tien stokslagen.)
Op een dag ontving de sultan bezoek van een emir die zo ver weg woonde, dat hij hoogstens eens in de twee jaar de reis naar de hoofdstad ondernam om zijn verslag uit te brengen. Ook deze emir knipte, na de ontvangstplechtigheden, met duim en wijsvinger ten teken dat de overhandiging van het cadeau kon plaatsvinden.
De sultan had in de loop der jaren al zoveel geschenken gekregen, dat hij van een gouden halsketting met smaragden of een zilveren bokaal met ingelegde robijnen nog nauwelijks opkeek. Hoewel hij dus erg verwend was, nam hij de geschenken altijd met een minzame glimlach in ontvangst.
Dat deed hij ook nu. De bediende overhandigde hem een kleine doos, die de vorst zelf bleek te moeten openen. Er kwam een bolvormig voorwerp uit te voorschijn, verpakt in een satijnen doekje. De sultan verwijderde het doekje - en keek nogal verbaasd naar de kleine ui die hij in zijn hand hield. Hij wierp de emir een vragende en nogal verbolgen blik toe.
"Wat stelt dit voor, emir?"
"Dit stelt niets voor, hoogheid," antwoordde de emir, "eh - tenminste, het gáát iets voorstellen. Het is een tulpenbol."
"Een tulpenbol? Wat, in de naam van Allah, is een tulpenbol?"
"Een tulpenbol, hoogheid, is een bol die je in de aarde moet stoppen. En dan komt er na verloop van tijd een tulp uit, met uw welnemen."
"En wat is een tulp?" De sultan werd een beetje ongeduldig.
"Een tulp, hoogheid, is een zeldzame bloem. Zo mooi, zo waarachtig, dat je zou willen dat iedere bloem in uw paleistuin - hoe mooi ook - zou worden vervangen door een tulp."
De sultan krabde eens aan zijn kin.
"Ik heb tien muilezels meegebracht," ging de emir verder, "die bepakt zijn met ieder vier zakken van tien kilo tulpenbollen."
De sultan raakte niet bepaald onder de indruk. Hij legde de tulpenbol op een albasten tafeltje naast zich en klapte in zijn handen. Vrijwel onmiddellijk verscheen er een bediende in een blauwe, met gouddraad bestikte boernoes.
"Zeg de tuinman dat hij de tien muilezels van de emir aflaadt en dat hij de zakken met hoe heten ze ook al weer - tulpenbollen, opstapelt in de grote schuur," sprak de sultan en tegen de emir zei hij: "Ik dank u voor uw wat ongebruikelijke geschenk. En vertelt u mij nu eens, hoe de zaken er in uw gebied voorstaan."
Een paar uur later lagen de veertig zware zakken keurig tot aan de nok van de schuur opgestapeld. Doodmoe van het sjouwen sjokte de tuinman naar zijn lemen huisje aan de rand van de paleistuin terug en daar liet hij zich kreunend op zijn slaapmatje vallen. Wàt een karwei. Zoiets had hij nog nooit meegemaakt. Waarmee zouden die zakken gevuld zijn?
Toen hij een beetje was bijgekomen, ging hij terug naar de schuur en peuterde één van de zakken open. Even later stond hij met een wonderlijk, donkerglanzend bolletje in zijn hand.
"Een ui of zoiets," dacht de tuinman en hij wist genoeg van bloemen en planten om te begrijpen dat die ui in de aarde gestopt moest worden, en dat je dan maar af moest wachten wat er zich boven de grond zou vertonen.
Achter zijn lemen huisje begroef de tuinman het uitje op een plek waar nooit iemand kwam en dacht er verder niet meer aan.
Enige dagen nadat de emir vertrokken was, gebeurde het dat de sultan zich niet lekker voelde. Hij had hoofdpijn en zelfs het lekkerste hapje eten smaakte hem niet meer. De lijfarts van de sultan vond het raadzaam, dat zijne hoogheid enige dagen het bed zou houden en hij bereidde hem een drankje uit Gevreesde Beitelschors en Wilde Zomerprijs, in ieder geval een afdoend middel tegen van alles. Maar de sultan knapte er niet van op. Integendeel, hij werd steeds zieker. De haremvrouwen klaagden ach en wee, ze zongen de hele dag treurige liederen en ze smeekten Allah om hun meester toch maar spoedig beter te maken.
Het haalde allemaal niets uit. De sultan lag te bibberen in zijn bed en sprak zo nu en dan wartaal. De lijfarts bladerde al zijn dikke boeken met vreemde ziektes en aandoeningen door en hij snuffelde in de paleistuin tussen zijn artsenkruiden. Hij probeerde van alles om de sultan beter te maken, maar vergeefs.
Op een dag, toen niemand meer over iets anders sprak dan over de geheimzinnige ziekte van de sultan - verscheen er in de paleistuin een zwerver met een vale tulband op het hoofd. Hij was zo mager, dat je bijna door hem heen kon zien. Zijn verwarde baard reikte tot zijn knieën. Op zijn rug droeg hij een bundeltje en aan zijn sandalen was te zien dat hij de halve wereld had bereisd.
Toen de zwerver de tuinman - die juist bezig was de dahlia's te begieten - in het oog kreeg, liep hij op hem toe en zei: "Beste man, de grote genadige Allah zij met u. U zult tot zijn grote zonen behoren, als u mij kunt helpen aan een stukje maiskoek en een napje water."
De tuinman bekeek de zwerver van zijn tulband tot zijn sandalen en daar hij erg van muziek hield, ontging het hem niet dat de zwerver een prachtige ivoren fluit in zijn versleten gordel droeg.
"Kom," zei de tuinman. Hij leidde de zwerver naar zijn huisje, waar hij hem een hele maiskoek en een grote nap helder bronwater voorzette. Zijn gast ontdeed zich van zijn bundeltje en hoewel hij uitgehongerd moest zijn, brak hij de maiskoek langzaam en omzichtig in stukjes, die hij met aandacht oppeuzelde. Zo nu en dan zette hij zonder te morsen de nap met water aan zijn mond.
De tuinman keek zwijgend toe.
Toen alles tot de laatste kruimel en de laatste druppel op was, keek de zwerver peinzend naar de grond.
"Bent u op reis?" wilde de tuinman weten.
"Ik ben altijd op reis," was het antwoord, "ik ben gedurende al mijn levens op reis. Ook in dit leven laten mijn voeten mij geen rust."
De tuinman voelde zich een beetje onbehaaglijk. "U kunt hier vannacht wel slapen, als u wilt. Het is hier in ieder geval koel en droog."
"Koel en droog," herhaalde de zwerver, "een aanlokkelijk aanbod. Maar ik moet verder. Mijn reis is nooit ten einde."
"U kunt toch tenminste nog wat uitrusten," drong de tuinman aan. "Achter mijn huisje staat de jasmijn in volle bloei en de warmte van de dag is daar allang geweken."
"U hebt een goed hart," zei de zwerver na een korte aarzeling. "Goed. Ik blijf nog even."
En zo zat het tweetal even later in de schaduw van het weelderige lommer achter het huisje van de tuinman.
Toen ze daar zo een poosje zwijgend hadden doorgebracht, haalde de zwerver de ivoren fluit uit zijn gordel en begon een wijsje te spelen. De ene zilveren toon na de andere zocht zijn weg door het bladerdak en de tuinman luisterde ademloos. Opeens richtte zijn blik zich naar een plekje op de grond. De aarde bewoog, er vielen wat korrels opzij en een fluwelig rood puntje rees omhoog. De punt werd groter en groter en nam de vorm aan van een statige bloem, die werd gevolgd door een sterke lichtgroene stengel.
De tuinman begreep wat er gebeurde. De zwerver was een fakir en de toverkracht van de fluit deed de tulp vroegtijdig uit haar bol komen. Dat moest de sultan zien! Maar de tuinman bedacht zich verdrietig dat de sultan ziek was. Erg ziek zelfs.
Toen de tulp fier en stralend boven alle onkruid uitstak, hield de fakir op met spelen. De tuinman keek zijn gast vol ontzag aan.
"Dit moest de sultan kunnen zien," zei hij zacht. "Maar de sultan is ziek..."
"De sultan is ziek van zijn rijkdom en macht," viel de fakir hem in de rede. "Zijn ogen zijn blind geworden voor de schoonheid van het kleine en eenvoudige. Hij heeft nog één kans om te blijven leven. Snijd de tulp af, tuinman, en vraag of je ermee bij het bed van de sultan mag worden toegelaten. Misschien dat de schoonheid van deze bloem hem nieuw leven schenkt. Als hij de schoonheid niet ziet, betekent dat, dat zijn ziel reeds gestorven is en dan zal zijn lichaam spoedig volgen. Ga nu. Ik blijf hier wachten."
De tuinman sneed de tulp bij de grond af, ging naar het paleis en vroeg of hij de sultan een kort bezoek mocht brengen. Na een kleine beraadslaging lieten de raadsheer en de lijfarts de tuinman tot de ziekenkamer toe.
"Ik ga met u mee," fluisterde de lijfarts, "het kan ieder moment afgelopen zijn."
De sultan lag met gesloten ogen en ademde zwaar. Zijn wangen waren ingevallen en op het damasten laken lag een diamanten ring, die hem van de vinger was gegleden.
"Hoogheid," fluisterde de tuinman en hij hield de ranke tulp voor het gelaat van zijn vorst. De sultan opende de ogen en keek naar de tulp. Na een poosje sloot hij ze weer, maar hij glimlachte en begon zacht te praten.
"De bloem uit de ui. Hoe groot is Allah's werk. Hoe klein is de mens. Mijn waarde dokter, haal een eenvoudige vaas en zet deze bloem naast mijn bed. Tuinman, mijn dank. En laat u beiden mij nu alleen. Ik wil wat rusten."
De tuinman keerde terug naar de fakir die, zoals te begrijpen is, al precies wist wat er gebeurd was.
"We zullen de handen uit de mouwen moeten steken," sprak de fakir. "In de schuur liggen veertig zakken tulpenbollen. We zullen ze samen poten. Vóór zonsopgang moet het werk klaar zijn."
Toen de koepels van de torens en minaretten door de eerste stralen van de ochtendzon werden verwarmd, klonk er rumoer uit het paleis. Als een lopend vuurtje verspreidde het nieuws zich onder de hofhouding: de sultan was opgestaan! Hij had zichzelf gewassen en was nu bezig zich aan te kleden.
Op datzelfde moment stopte de fakir de laatste bol in de aarde.
"We moeten ons haasten," zei hij.
Hij liep naar het huisje van de tuinman en kwam even later terug met het bundeltje, dat hij bij zijn aankomst op zijn rug had gedragen. Voorzichtig maakte hij het bundeltje los.
Voor zijn voeten ontrolde zich een veelkleurig tapijtje. De fakir nam erop plaats en keek afwachtend naar de kamer van de sultan.
Even later verscheen de sultan op het balkon. Hij genoot zichtbaar van de prille ochtendstond. Zijn ogen bleven rusten op de fakir, die zich op het tapijtje langzaam van de grond verhief, de fluit aan zijn mond zette en begon te spelen.
Bij de eerste tonen kwam de gehele hofhouding van de sultan naar buiten. Niemand sprak. Wat daar gebeurde was nauwelijks te geloven. Terwijl de fakir, al fluitend, op zijn tapijtje over de gazons en de bloemperken zweefde, verschenen er honderden rode en gele puntjes boven de aarde. Ze werden groter en groter, totdat zich voor ieders ogen een zee van kleurige tulpen uitstrekte. Vlinders en bijen fladderden en zoemden op de bloemen toe om kennis te maken met hun nieuwe vrienden en de zon stond juist hoog genoeg om het hele schouwspel in een gouden gloed te zetten. Toen de tulpen hun kelken langzaam openden om de eerste zonnestralen op te vangen, gleed de fakir langs het balkon van de sultan, groette hem eerbiedig met beide handen voor het hoofd en zweefde toen met een wijde boog de hemel tegemoet, om achter het paleis uit het gezicht te verdwijnen.
Nog diezelfde dag gaf de sultan opdracht om alle emirs uit het land op te trommelen; ook de emir van de tulpenbollen moest zo spoedig mogelijk teruggeroepen worden. Na veertien dagen was het paleis bevolkt door een bonte verzameling hoogwaardigheidsbekleders. De grote raadszaal was eigenlijk te klein voor zo'n uitgebreid gezelschap, maar toch had iedereen een plaatsje gevonden toen de sultan de vergadering opende. Hij sprak enkele inleidende woorden, rees daarna uit zijn zetel en liep op de emir van de tulpenbollen toe.
"Toen u mij de tulpenbol schonk, wist ik uw cadeau niet op waarde te schatten," sprak hij. "Er is intussen het een en ander gebeurd en ik ben tot het inzicht gekomen dat ik u geen recht heb gedaan. U weet, ik heb helaas geen zoons. Ik benoem u bij deze tot mijn opvolger. Mogen Allah en al de hier aanwezigen getuige zijn van mijn belofte." Hij keek rond. "In de eetzaal zijn de tafels voor u gedekt. Begint u maar vast, mijn beminde vrienden. Ik voeg mij dadelijk bij u."
Toen de emirs uit de raadszaal verdwenen waren, gaf de sultan één van zijn dienaren opdracht, de tuinman uit de tuin te halen.
En toen deze voor zijn meester stond aangetreden, zei de sultan: "U zult van nu af aan het toezicht houden op de grote tulpenkwekerij, die wij hier gaan aanleggen. Iedereen in mijn rijk zal zonder daarvoor te hoeven betalen, een zakje tulpenbollen uitgereikt krijgen. In ieder huis en in elke tuin moet men van deze bloem kunnen genieten."
Daarna ging de sultan naar de eetzaal en voegde zich bij zijn raadsheer, de ministers en de emirs. Na afloop van de maaltijd tikte hij tegen zijn glas en hield een korte toespraak.
"Van nu af aan zal ik van u, waarde emirs, geen geschenken meer ontvangen. Ik geef bij deze de opdracht om al mijn rijkdommen onder de armsten van het land te verdelen."
"Alles?" riep een der emirs verbaasd uit.
De sultan nam een slokje water. "Nu ja, bijna alles. Ik hoef zelf natuurlijk niet te verhongeren. Dat lijkt me overbodig."
De emirs knikten instemmend.
"En tenslotte," ging de sultan verder, "zullen het rijkswapen en de vlag worden veranderd. Van nu af aan zal de tulp het symbool worden van wijsheid en geluk. Ik wil morgen de eerste ontwerptekeningen zien!"
En zo geschiedde.
Het land Simarstan bestaat allang niet meer, maar er gaan verhalen over een bijna vergane vlag die nu nog ergens in een museum te zien zou zijn: een vlag met een vuurrode tulp tegen een blauwe hemel.
Beschrijving
De sultan krijgt van een emir een grote hoeveelheid tulpenbollen ten geschenke, waarover de sultan nauwelijks enthousiast kan zijn. De tuinman moet zich over de bollen ontfermen. Hij stop er alvast een in de grond. Enige tijd later wordt de sultan steeds zieker. Als een arme zwervende fakir langskomt, geeft de tuinman hem te eten en te drinken. Zodra de fakir op zijn ivoren fluit begint te spelen, ontbloeit de tulp razendsnel. De fakir vertelt dat de sultan ziek is door zijn fixatie op rijkdom en macht en dat hij blind is geworden voor de schoonheid van het kleine en eenvoudige. Wellicht kan het aanschouwen van de tulp hem nog genezen. De sultan is verheugd bij het zien van de bloem en knapt op. De fakir heeft inmiddels alle tulpenbollen geplant. De fakir neemt plaats op zijn vliegend tapijt en speelt op zijn fluit. De tulpen komen omhoog en de sultan op het balkon is verrukt. De sultan laat alle emirs ontbieden. De emir die hem de tulpenbollen heeft geschonken, benoemt hij tot zijn opvolger. De tuinman wordt aan het hoofd gesteld van een tulpenkwekerij. De sultan maakt bekend geen geschenken meer te willen, en zijn onderdanen tulpen te zullen schenken en te laten delen in zijn rijkdommen. In de nationale vlag komt de tulp als symbool te staan.
Bron
M. Bijl: Sprookjes van de Efteling. Zesde druk. Den Haag 1978, p.76-82
Commentaar
1978
Dit sprookje is verzonnen door Martine Bijl bij de ontwerpen en illustraties van Anton Pieck.
Zie onder Beeld een afbeelding van Anton Pieck (kleur).
Zie onder Beeld een afbeelding van Anton Pieck (kleur).
Naam Overig in Tekst
Simarstan   
Allah   
Gevreesde Beitelschors   
Wilde Zomerprijs   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
