Hoofdtekst
In de Bergstraat te Antwerpen
Beth van Jan was bestolen! Dagelijks werd haar geld, alvorens zij slapen zou gaan, goed geborgen in de bovenste lade van eene kast, die met sterke sloten voorzien was. Wie kon het weggenomen hebben? Beth was niet uit den huize geweest, en haar Jan had den geheelen nacht aan den `bassin' moeten werken. De koppen uit de buurt werden bijeen gestoken, en er werd besloten, den raad in te roepen van Meken Verschuren, bekend om, door middel van bezweringen, de geheimzinnigste feiten aan het licht te brengen. Haar werd de zaak uitgelegd, die zij met veel belangstelling aanhoorde, terwijl zij door het dichtknijpen der oogen en het samentrekken van haren mond, het duidelijk bewijs gaf, dat het geen alledaagsch geval was.
"Wat denkt g'er van Meken?" was het einde van den rozenkrans.
"Ik zal het beproeven," was het antwoord; "bezorg mij maar een koeienhart en vier groote spelden."
Twee dagen later wist Beth van Jan, wat er haar te doen bleef, om den dief op te sporen. Zij was van tienen naar bed, na hare deur in het dobbel nachtslot gedraaid en de volgende aanwijzingen van Meken Verschuren te hebben volvoerd: namelijk eenen spiegel aan het voeteneinde van haar bed te plaatsen, en daarnaast eene gele waskaars te ontsteken; hare bedgordijnen met spelden toe te maken, en eindelijk van half twaalf tot twaalf urer gebeden op te zeggen!... Toen zette zij zich op den qui vive!
Beth van Jan, die zeer moedig was, had die aanwijzingen stipt volbracht, en wachtte, rechtop zittend in het bed, naar den uitslag. Ziehier, wat er gebeurde. Van tien tot elf had zij zitten dutten; na elf uren was de kaars beginnen te flikkeren, en om half twaalf was Beth bang geworden, maar had moed geput in nieuwe gebeden. Kwart vóor twaalven! De kaars flikkert veel meer nog, en de spiegel beweegt zich... Vijf minuten voor twaalf, klein gedruisch langs den kant van het venster, gevolgd van eenen windtocht, die de bedgordijnen doet bewegen. Daar slaat het twaalf uren! Zij telt: acht, negen, tien, elf... twaalf... Op den laatsten slag vliegen de gordijnen uiteen, deur en vensters slaan open en toe... Wie ziet zij in den spiegel? Den dief? Neen, haren Jan! De kaars is blijven branden, en aan hare zijde komt de dief overeind met rechtstaande haren, verwrongen gelaatstrekken, bleek als de dood, en smeekt geknield om vergiffenis, dat hij het nooit weer doen zal...
Beth van Jan was bestolen! Dagelijks werd haar geld, alvorens zij slapen zou gaan, goed geborgen in de bovenste lade van eene kast, die met sterke sloten voorzien was. Wie kon het weggenomen hebben? Beth was niet uit den huize geweest, en haar Jan had den geheelen nacht aan den `bassin' moeten werken. De koppen uit de buurt werden bijeen gestoken, en er werd besloten, den raad in te roepen van Meken Verschuren, bekend om, door middel van bezweringen, de geheimzinnigste feiten aan het licht te brengen. Haar werd de zaak uitgelegd, die zij met veel belangstelling aanhoorde, terwijl zij door het dichtknijpen der oogen en het samentrekken van haren mond, het duidelijk bewijs gaf, dat het geen alledaagsch geval was.
"Wat denkt g'er van Meken?" was het einde van den rozenkrans.
"Ik zal het beproeven," was het antwoord; "bezorg mij maar een koeienhart en vier groote spelden."
Twee dagen later wist Beth van Jan, wat er haar te doen bleef, om den dief op te sporen. Zij was van tienen naar bed, na hare deur in het dobbel nachtslot gedraaid en de volgende aanwijzingen van Meken Verschuren te hebben volvoerd: namelijk eenen spiegel aan het voeteneinde van haar bed te plaatsen, en daarnaast eene gele waskaars te ontsteken; hare bedgordijnen met spelden toe te maken, en eindelijk van half twaalf tot twaalf urer gebeden op te zeggen!... Toen zette zij zich op den qui vive!
Beth van Jan, die zeer moedig was, had die aanwijzingen stipt volbracht, en wachtte, rechtop zittend in het bed, naar den uitslag. Ziehier, wat er gebeurde. Van tien tot elf had zij zitten dutten; na elf uren was de kaars beginnen te flikkeren, en om half twaalf was Beth bang geworden, maar had moed geput in nieuwe gebeden. Kwart vóor twaalven! De kaars flikkert veel meer nog, en de spiegel beweegt zich... Vijf minuten voor twaalf, klein gedruisch langs den kant van het venster, gevolgd van eenen windtocht, die de bedgordijnen doet bewegen. Daar slaat het twaalf uren! Zij telt: acht, negen, tien, elf... twaalf... Op den laatsten slag vliegen de gordijnen uiteen, deur en vensters slaan open en toe... Wie ziet zij in den spiegel? Den dief? Neen, haren Jan! De kaars is blijven branden, en aan hare zijde komt de dief overeind met rechtstaande haren, verwrongen gelaatstrekken, bleek als de dood, en smeekt geknield om vergiffenis, dat hij het nooit weer doen zal...
Beschrijving
Bij een vrouw is geld gestolen. Een waarzegster zegt haar wat ze moet doen. De volgende nacht gaat de vrouw naar bed. Aan het voeteneinde van het bed heeft ze een spiegel geplaatst. Daarnaast staat een brandende kaars. En de gordijnen van het bed heeft ze dichtgespeld. De spanning van het wachten op de dief stijgt en om
middernacht verschijnt de dief. Hij blijkt haar man te zijn.
middernacht verschijnt de dief. Hij blijkt haar man te zijn.
Bron
Volkskunde. Tijdschrift voor nederlandsche Folklore. 1 (1888) 138-9
Commentaar
1888
Naam Overig in Tekst
Beth   
Jan   
Meken Verschuren.   
Naam Locatie in Tekst
Bergstraat   
Antwerpen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
