Hoofdtekst
Daar waren eens twee kinderen, die heetten Janneken en Mieken. En de moeder kon Janneken niet lijden; maar zij was zot van haar Mieken.
Zekeren dag zei ze tot de kleinen: "Gaat naar het bosch, om hout te rapen!"
En Mieken kreeg een lekkeren, wit-tarwen boterham, terwijl Janneken, och arme, niets bekwam dan een droge snede roggebrood. Dat was me goed; maar onderweg kwamen zij een oud vrouwken tegen: het was Deezekens moeder.
"Krijg ik van ûlie geen stuksken brood, kinderen?" vroeg zij.
Mieken was een gierig stuk, en zij ging verder, zonder haar iets te geven; het ventje echter schonk haar van harte de helft van het beetje dat hij zelf bezat.
Als nu de jongen en het meisje naar huis keerden, had Mieken bijna al het doode hout geraapt, en had een vollen schoot, terwijl Janneken bijkans niets had kunnen zamelen.
Moeder gaf Mieken, als zij dat zag, een schoonen blozenden korpendu [=Court-pendu, appel], maar aan Janneken niemendal.
"Krijg ik nu ook geenen appel?" vroeg hij, tristig.
"Gij?!..." riep de moeder, met nijdigen blik. En zich bedenkende: "Allo toe, ja, ga dan maar op zolder naar de kist, en haal er 'nen appel uit."
Maar het leelijke wijf volgde Janneken loozekens op haar sokken de trap op, en als de jongen het scheel van de kist had opgeheven, en zijn hoofd er juist instak, boef! sloeg zij uit al haar macht de kist terug toe, zoodat de kop af was, en met een harden bons neerviel...
Nu kapte het slecht mensch haar kind in stukken, om er soep van te koken, en de beenderen liet zij Mieken onder den noteboom in den hof begraven. Als de vader 's noenens van zijn werk thuis kwam, vroeg hij, waar zijn Janneken was, want hij zag het knaapken heel gaerne.
"Het is hout gaan rapen," zei de vrouw.
"...Maar, wat aardigen smaak heeft die soep toch!" merkte de man eenige oogenblikken daarna weer aan.
"Och, 't is nikske: alleen een beetjen aangebrand."
Als hij geëten had, ging de vader in zijnen hof, en toen hij onder den noteboom kwam, begon opeens daarboven een vogeltje te zingen:
Mijn moeder heeft mij vermoord,
Mijn vader heeft mij geeten,
En mijn zuster heeft mijn beentjes al
Onder den noteboom gesteken...
En, roef! daar viel een volle zak met geld voor vader zijn voeten neer. Dadelijk liep hij naar binnen, en vertelde, wat aardig geval hem nu overkomen was. En Mieken ging ook in den hof zien.
Weer begon het vogeltje van:
Mijn moeder heeft mij vermoord,
Mijn vader heeft mij geeten,
En mijn zuster heeft mijn beentjes al
Onder den noteboom gesteken...
En zie, daar viel uit de lucht een schoon blauw satijnen kleed, vlak voor Mieken haar voeten. Eindelijk ging ook de moeder eens zien, of zij ook van dat vogeltje geen geschenk zou krijgen. Maar pas was ditmaal het liedeken ten einde, of: krak! viel er een zware zak met kareelsteenen recht op de slechte moeder haren kop — zoodat zij morsdood bleef liggen.
En daar kwam een varken met 'nen langen snuit,
en 't vertelselken is uit.
Onderwerp
AT 0720 - My Mother Slew Me; My Father Ate Me. The Juniper Tree   
ATU 0720 - The Juniper Tree   
Beschrijving
Bron
Motief
S121 - Murder by slamming down chest-lid.   
G61 - Relative’s flesh eaten unwittingly.   
E607.1 - Bones of dead collected and buried.   
E613.0.1 - Reincarnation of murdered child as bird.   
Q211.4 - Murder of children punished.   
Q412 - Punishment: millstone dropped on guilty person.   
Commentaar
De notulist vermeldt dat een andere versie door Pol de Mont in Leuven is opgetekend en gepubliceerd is in Jong Vlaanderen, jg. 1882, p.572.
Naam Overig in Tekst
Janneken   
Mieken   
Deezenken.   
