Hoofdtekst
Een pastoor, die geen Latijn kent
Er was eens een pastoor, die in zijne sermoenen nooit een enkel woord Latijn sprak.
"Hij kent geen Latijn," zegden de boeren, "dat is zeker, want anders zou hij 't wel laten hooren. Geen Latijn kennen, de parochie uit!" was hun slotwoord.
De pastoor was daarmee bekommerd.
Op zekeren dag ging hij met den koster, die een doortrapte kerel was, een toerken doen. Daar liep een haas voor hen uit.
"Hazera loopa," zegde de koster.
"Dat is toch wel Latijn," dacht de pastoor, "'k zal het onthouden."
"Ekstera booma," sprak de koster, toen hij een ekster op 'nen boom bemerkte.
"Goed, weeral Latijn!" dacht de geestelijke, "'k en zal 't niet vergeten."
Daar viel, niet verre van hen, een kalf in 'nen diepen gracht en gaf 'nen plats in 't water.
"Kalvera kwakka," klonk het uit den mond van den koster.
"Nu ken ik al veel Latijn," peinsde de pastoor, "wacht tot zondag."
Thuis gekomen, schreef de pastoor nauwkeurig alles op, wat hij van den koster geleerd had.
En twee dagen nadien ging hij zijnen koster roepen, om nog een wandelingsken te doen. Voorbij een pachthof gaande, bemerkten zij een hen onder een haag, bezig met een ei te leggen.
"Hoendera legeira," zei de koster, en de pastoor prentte zich die woorden in 't hoofd.
Verder bij een visscher komende, was het "visscherel vangdel", En in het terugkeeren voorbij een hoog kasteel trekkende, zei de koster: "kasteela hooga."
En geen enkel woord van den koster zijn Latijn ging voor den pastoor verloren. Nu kende hij wel Latijn, en goed Latijn bovendien, want de pastoor wist heel goed dat de koster buitengewoon geleerd was.
Den volgenden zondag, fier als een haan op den preekstoel stappende, begon de pastoor zijn sermoen: "Beminde parochianen, hazera loopa, ekstera booma, kalvera kwakka, hoendera legeira, visscherel vangdel, kasteela hooga."
Al de menschen in de kerk begonnen te lachen en nu was elk tevreden; immers, niemand en kon meer zeggen, dat de pastoor geen Latijn kende.
Er was eens een pastoor, die in zijne sermoenen nooit een enkel woord Latijn sprak.
"Hij kent geen Latijn," zegden de boeren, "dat is zeker, want anders zou hij 't wel laten hooren. Geen Latijn kennen, de parochie uit!" was hun slotwoord.
De pastoor was daarmee bekommerd.
Op zekeren dag ging hij met den koster, die een doortrapte kerel was, een toerken doen. Daar liep een haas voor hen uit.
"Hazera loopa," zegde de koster.
"Dat is toch wel Latijn," dacht de pastoor, "'k zal het onthouden."
"Ekstera booma," sprak de koster, toen hij een ekster op 'nen boom bemerkte.
"Goed, weeral Latijn!" dacht de geestelijke, "'k en zal 't niet vergeten."
Daar viel, niet verre van hen, een kalf in 'nen diepen gracht en gaf 'nen plats in 't water.
"Kalvera kwakka," klonk het uit den mond van den koster.
"Nu ken ik al veel Latijn," peinsde de pastoor, "wacht tot zondag."
Thuis gekomen, schreef de pastoor nauwkeurig alles op, wat hij van den koster geleerd had.
En twee dagen nadien ging hij zijnen koster roepen, om nog een wandelingsken te doen. Voorbij een pachthof gaande, bemerkten zij een hen onder een haag, bezig met een ei te leggen.
"Hoendera legeira," zei de koster, en de pastoor prentte zich die woorden in 't hoofd.
Verder bij een visscher komende, was het "visscherel vangdel", En in het terugkeeren voorbij een hoog kasteel trekkende, zei de koster: "kasteela hooga."
En geen enkel woord van den koster zijn Latijn ging voor den pastoor verloren. Nu kende hij wel Latijn, en goed Latijn bovendien, want de pastoor wist heel goed dat de koster buitengewoon geleerd was.
Den volgenden zondag, fier als een haan op den preekstoel stappende, begon de pastoor zijn sermoen: "Beminde parochianen, hazera loopa, ekstera booma, kalvera kwakka, hoendera legeira, visscherel vangdel, kasteela hooga."
Al de menschen in de kerk begonnen te lachen en nu was elk tevreden; immers, niemand en kon meer zeggen, dat de pastoor geen Latijn kende.
Onderwerp
SINAT 1826 - Der Pfarrer spricht sein "Latein"   
Beschrijving
Een pastoor kent geen latijn. Dit leidt tot protest onder de parochianen. De koster haalt een grap met de pastoor uit. In een gesprek met de pastoor tijdens een wandeling, maakt de koster van elk Nederlands woord een latijns woord door er simpelweg een latijnse uitgang achter te plaatsen. Zo wordt een haas die voor hen uitloopt een "Haazera Loopa". De pastoor onthoudt het goed. Dan komt de volgende zondag. De pastoor begint zijn preek in het 'latijn', waarbij hij tot grote hilariteit 'verlatijnst' Nederlands praat.
Bron
Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 1 (1888) 254
Commentaar
1888
Der Pfarrer spricht sein "Latein"
Naam Overig in Tekst
Latijn.   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
