Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VOLKS101 - Jan Martin de Wildeman

Een sprookje (), 1890

Hoofdtekst

Jan Martin de Wildeman
Er was eens een schatrijke boer, die op de schoonste hofstede van geheel het land woonde. Hij had drie zonen; maar als men hem vroeg hoeveel zonen hij had, antwoordde hij altijd: twee, omdat zijn jongste zoon onnoozelaar was. Ook werd die jongste zoon, die Jan heette, behandeld als een verstooteling. Zij noemden hem den botterik, hij moest al het vuil werk doen, kreeg maar den afval van de tafel en werd dikwijls gestampt en geslagen.
Jantje was nochtans zoo onnozel niet als zij wel dachten; maar hij meende: "Wat zou het mij baten nu op te spelen; ik zal liever wachten, mijne beurt zal zeker ook wel komen."
Het gebeurde nu dat op zekere nacht op de hofstede hooi gestolen werd; de volgende nacht gebeurde het nog eens en de boer zond zijnen oudsten zoon om te waken. Doch deze kon aan de vermoeidheid niet weerstaan en viel in slaap, zoodat hij 's morgens niet zeggen kon door wien noch hoe het hooi gestolen was.
Daarna was het de beurt van den tweeden zoon; maar hij werd ook door den slaap overmand en was in zijn waken niet gelukkiger dan zijn broeder.
"Vader," vraagde Jantje dan, "mag ik de naaste nacht eens waken?"
- "Zwijg, botterik", antwoordde de vader, "wat zoudt gij waken? Gij zoudt niet eens weten wat gij doen moet als de dief komt."
- "Laat hem eens waken", zegde de moeder; "hij is kloek en als de dief komt, zal hij hem niet loslaten."
Jantje mocht dus waken. Tegen den avond ging hij op de hooischuur en kroop in eenen hooibunde, die daar gereed gemaakt was. Te middernacht hoorde hij iemand binnen komen; de bundel waarin hij zat, werd opgepakt en met nog twee andere door het hooivenster geworpen.
"Oef! het is goed dat ik op mijnen kop niet gevallen ben," dacht Jantje.
Daar werd zijn bundel opnieuw opgenomen en een heel einde verre gedragen. Hij hoorde eene ijzeren valdeur oplichten en werd daarin geworpen. Hoe diep hij wel viel, kon hij niet zegge; hij dacht dat het wel driehonderd voet was.
Hij was duizelig als hij beneden rolde, maar herstelde zich spoedig en hoorde aan de valdeur iemand zeggen:
"Paardekens, ik heb niemand gezien, ik ga om nog een bundeltje."
De valdeur ging toe en als Jantje hoorde dat alles stil was, stak hij eens zijn kop uit zijnen hooibundel.
Wat was daar alles prachtig! Hij was in een onderaardsch paleis, zeker wel een tooverpaleis, waar alles glansde van het goud, het zilver en het diamant. De kamer, waar hij gerold was, was zeker eene wapenkamer, want er hingen sabels, pistolen en geweren aan den muur. Hij nam eerst en vooral eenen sabel en zette zich aan de valdeur.
Weldra kwam de hooidief om zijne nieuwe bundels naar beneden te gooien; als hij de val oplichtte, sloeg Jan toe met zijnen sabel en hij kapte den dief, die de heer van het paleis was, glad het hoofd af. Hij begroef hem in den mesthoop en ging dan rond om het paleis te bezichtigen. Overal vond hij prachtige zalen, heele hoopen goud en zilver, en kostelijke kleederen. In een schoonen, zuiveren, wel bezorgden stal stonden drie kleine, kleine paardekens; dat waren tooverpaardekens en ze wilden geen ander dan gestolen hooi eten. Jan gaf hun te eten, bestelde en kuischte ze heel zorgvuldig en klom dan naar boven. Voor hij weg ging, legde hij strootjes tusschen de valdeur om te kunnen zien of nog iemand zou binnen komen en trok dan naar huis.
Hij vertelde aan niemand iets van zijn tooverpaleis en zegde dat hij ook was in slaap gevallen. Maar tegen den avond spoedde hij zich weer met drie hooibundels naar de valdeur. De strootjes waren onaangeroerd, zoodat Jan geheel heer en meester was van het prachtig paleis met de tooverpaardekens.
Dat duurde alzoo eenige dagen, wanneer op eens zijn vader eenen brief ontving van den Koning. De Koning schreef hem dat hij drie groote kampstrijden van bolspel had uitgeschreven en zijne dochter zou geven aan hem, die het verste zou bollen. De schatrijke boer was ook uitgenoodigd en maakte zich gereed om 's anderendaags met zijn twee oudste zonen naar de stad te trekken.
"Wat moet ik doen, vader?" vroeg Jantje. - "Eerst de koevette op het gras uitbreiden, dan de zwijnen mesten, busschen kappen en de koeien en de klavers te eten geven," antwoordde de vader.
Maar nauwelijks waren ze weg of Jantje spoedde zich naar zijn tooverpaleis. Hij deed het eerste paardje de zilveren teugels aan, kleedde zich zelf geheel in zilverlaken, en deed eenen valschen baard aan.
"Paardje, paardje; in hoeveel sprongen uit?" vroeg Jan.
"Drie," antwoordde het paardje, en in drie sprongen was het op den platten grond.
Als Jan aan het paleis kwam, stonden al de menschen hem te bewonderen en luidop te spreken van zijn schoon paardje en zijne schitterende kleederen. Hij zag daar ook zijnen vader en zijne twee broeders staan en reed er recht naartoe.
"Houd den botteriks paard vast, en laat het maar niet los," sprak hij in het afspringen.
De vader en de broeders wisten niet wat dat wilde zeggen, maar ze gehoorzaamden toch en hielden het paard vast.
Jan ging het paleis recht binnen, en als de prinses hem zag, zegde zij: "'k Wilde dat hij het verst kon bollen!"
De koning ook kwam bij hem en vroeg hem of hij aan den kampstrijd zou deel nemen.
- "Waarom niet?" antwoordde Jan. "Wanneer is het mijne beurt?"
- "Nu seffens," hernam de koning.
- "Wie heeft er het verst gebold?" vraagde Jan, "en hoe verre?" Hij die nu nog den prijs had, was Jans oudste broeder.
"Hij heeft honderd voet gebold," voegde de koning er bij.
"Mijn bol zal er wel honderd vijftig loopen," antwoordde Jan.
Hij bolde en ze liep er veel meer, zoodat hij voor de eerste maal gewonnen had.
De koning riep hem binnen en vroeg hem hoe zijn naam was.
"Jan Martin de Wildeman," antwoordde hij. Hij moest met de prinses een glas wijn drinken en een beetje met haar praten. Maar hij bleef niet lang; na den koning beloofd te hebben van voor den tweeden prijskamp terug te komen, nam hij afscheid. Hij gaf aan zijne twee broeders elk een stuk van vijf frank, sprong op zijn paardje en reed weg in vliegende galop.
In zijn paleis teruggekomen, deed hij weer zijne vuile kleederen aan, bestelde zijne peerdekens en ging naar zijne moeder.
"Moeder, is vader nog niet te huis," vraagde hij.
"Neen," zei de moeder: "ik denk dat zij zullen wel gevaren hebben, omdat ze zoolang weg blijven."
"Te beter, moeder, te beter," antwoordde Jan.
Klits, klets! Klits klets! ging het aan de balie.
"Daar zijn ze!" zegde Jan en liep spoedig naar de balie om open te doen.
Zijn vader en zijne broeders gaven hem eenen stamp alhier en eenen stoot aldaar, want ze waren kwaad omdat ze mislukt waren en wilden er den botterik voor doen boeten. De vader vertelde aan de moeder hoe alles afgeloopen was en voegde er bij:
"Ik weet niet wie die Jan Martin de Wildeman zijn mag. Die zal zeker wel in de andere prijskampen ook den prijs hebben; in alle geval, wij blijven te huis."
Maar als de volgende week de Koning nog eens schreef en zeer dringend schreef, liet hij zich toch bewegen en hij trok weer met zijne twee zonen naar de stad. Jantje moest nog eens de koevette op het gras uitbreiden, busschen kappen en de zwijnen mesten; zoohaast zijn vader den rug gekeerd had, ging hij naar zijn tooverpaleis.
Ditmaal nam hij het tweede paardje en deed het teugels aan in zuiver goud. Hij zelf kleedde zich in het goud laken met eenen gouden helm op het hoofd en eene groote gouden plaat op de borst.
"Paardje, paardje, in hoeveel sprongen uit?" vroeg hij.
"Twee!" zegde het paardje en in twee sprongen was het buiten.
Wat stonden de menschen verwonderd te kijken als zij hem van verre zagen afkomen! Zooveel goud hadden ze nog nooit gezien; de eenen spraken van zijnen gouden helm, de anderen van zijne gouden borstplaat, nog anderen van den gouden toom van zijn paardje; kortom, men hield zich met niemand anders bezig dan met Jan Martin de Wildeman.
Jan reed recht naar zijnen vader en zijne broeders, wierp hun zijne teugels toe en riep:
"Zorg voor het paard van den botterik en laat het niet los."
De koning was zeer verheugd over de komst van Jan Martin en de prinses zegde aan haren vader:
"Vader, vraag dat hij ook mee doe bollen?"
De koning vroeg het en Jan Martin stemde toe.
Het was nog eens zijn oudste broeder die het verst gebold had.
- "Hoever heeft de verste gebold?" vroeg Jan. - "Honderd vijftig voet," antwoordde de Koning, "maar gij zult zeker wel verder kunnen." - "De mijne zal er twee honderd loopen", sprak Jan, en ze liep nog veel verder.
Als de prinses hoorde dat Jan Martin weer den prijs had, was ze ten hoogste verheugd. Ze was alleenlijk maar ongerust dat hij niet zou weergekomen zijn voor den derden kampstrijd en deed haar vader bij hem aandringen, opdat hij het toch zou beloven.
"Ik zal doen wat ik kan", antwoordde Jan; "maar niemand kan verantwoorden voor den dag van morgen."
Daarop ging hij naar zijn paardje, gaf aan zijne vader en zijne broeders elk een goudstuk van tien frank en sprong te paar.
Even als de eerste maal verkleedde hij zich aanstond op zijn weekdaagsch, bestelde zijne paardekens en kwam in de keuken bij zijne moeder, juist of hij den ganschen namiddag gewerkt had.
"Moeder, is vader nog niet te huis?" vroeg hij.
"Vindt ge ook niet dat ze zoolang weg blijven? ze zullen zeker wel gelukt zijn," antwoordde de moeder.
"Zoveel te beter, moeder, zooveel te beter," sprak Jan.
Eenige minuten later hoorde men ze afkomen. Klits, klets! ging het aan de balie en Jan liep opendoen.
Dezen keer had de arme sukkelaar nog veel meer te verduren dan de eerste maal; de vader en de broeders waren woedend op Jan Martin de Wildeman en stampten en sloegen Jantje, alsof zij geweten hadden dat hij het was die den eersten prijs behaald had. Jantje luisterde aan de deur en hoorde zijn vader alles vertellen.
"Nu mag de koning zeggen wat hij wil," besloot de vader, "in den derden kampstrijd doen wij niet mee; tegen dien Jan Martin de Wildeman kan niemand het houden."
"Maar wie is dat, die Jan Martin?" vraagde de moeder.
"Ja, dat weet niemand," antwoordde de vader, "hij komt zonder dat men weet van waar en hij is weg zonder dat men ziet waar naartoe. Ik geloof haast dat zijn paardje eerder vliegt dan loopt. In alle geval, in den derden kampstrijd blijven wij te huis."
En nochtans als de dag van den derden kampstrijd daar was, maakte de vader zich toch gereed om er met zijne twee oudste zonen weer deel aan te nemen. Want de Koning had hem geschreven dat Jan Martin niet zou komen en als dat waar was, dan zou de oudste zoon zeker den prijs hebben.
Als de vader vertrokken wa, hield de moeder Jantje gedurende eenigen tijd in de keuken; maar zoodra hij het gat schoon zag, was hij weg, recht naar zijn tooverpaleis.
Hij gaf aan het schoonste der drie paardekens eene mate haver en een bundeltje hooi, en deed het een prachtig harnas aan dat schitterde van diamanten. Hij zelf kleedde zich nog veel schooner dan de tweede maal; het was al goud en diamant dat men aan hem zag. Zijn paardje stond zoo vurig dat het in éénen sprong uit het paleis op den grond was en in weinige minuten reed Jan Martin de stad binnen.
In 's Konings paleis was alles in rep en roer: de bolling was al begonnen en Jan Martin was niet gekomen. De Koning was zeer mistevreden en de prinses had meer lust voor krijschen dan lachen. De rijke boer en zijne twee zonen waren zeer verheugd; nu, meenden zij, zou de oudste den prijs behalen.
Op eens kwam daar ginder in de verte iets af dat blonk als eene sterre; de menschen meenden reeds dat het eene sterre was en als zij het altijd zagen nader komen, werden er vele benauwd.
Maar die sterre was niemand anders dan Jan Martin de Wildeman, die alzoo glansde van al de diamanten die van zijne kleederen in de zonne fonkelden. De Koning liep hem gauw te gemoet om hem te verwelkomen en hem te zeggen dat hij zich moest haasten.
"Zorg voor den botteriks paard," zegde hij weer aan zijne broeders, terwijl hij hun de teugels toewierp.
"Hoeveel heeft de beste gebold?" vroeg Jan Martin.
"Twee honderd," antwoordde de Koning; "gaat gij verder kunnen?"
"Ik weet het niet," zei Jan, "'k ga het probeeren."
Hij trok zijn schitterend vest uit, en als de menschen zijn zwart fluweelen ondervest zagen met gouden borduursels en diamanten knoopen, sloegen zij de handen van bewondering ineen.
Jan oudste broeder had twee honderd gebold, maar Jan gaf eenen goeden zwier aan zijne bol en hij bolde wel drie honderd en nog meer.
"Bravo! bravo!" riep de Koning; "dat is goed gebold, Jan Martin, gij zult mijn schoonzoon worden."
Als de prinses dat hoorde, sprong zij op tot aan de balken van blijdschap. Jan kwam met den Koning bij haar en er werd wijn gedronken en Champagne, dat het al de gootgaten uitliep.
"Maar zeg eens," vroeg de Koning dan, "Jan Martin de Wildeman, dat is toch uw ware naam niet?"
"Zeker neen!" antwoordde Jan en nu vertelde hij aan den Koning en de prinses wie hij was en hoe zij hem in huis "den botterik" noemden en hoe hij moest tevreden zijn met den afval van de tafel en zijne geheele geschiedenis.
De Koning deed dan Jans vader roepen en vroeg hem hoeveel kinders hij had.
"Twee", was het antwoord.
De koning wilde uitvallen om hem te zeggen dat het niet waar was, maar Jan maakte hem een oogsken en zegde zelf aan zijnen vader:
- "Hewel, gij moet in uw huis alles gereed maken voor de bruiloft; vandaag en veertien dagen juist zal de Koning de prinses naar uw huis brengen en ik zal ze daar komen halen."
- "Zeer wel!" antwoordde de boer, "alles zal gereed zijn."
Jan zegde dan aan Koning en prinses tot wederziens, gaf aan zijne broeders elk een goudstuk van twintig franken sprong op zijn paardje. Toen waren er daar die met hem wilden wedden dat zijn paardje niet rapper zou loopen dan hunne paarden; maar Jan trok de schouders op en lachte hen uit.
"Paardekens, zeven mijlen in één stap!" zei Jan en in eenen sprong was het paardeken de stad uit en over eenen berg, zoodat de wedders geenen Jan meer zagen.
Alzoo was hij te huis veel voor zijnen vader en zijne broeders en kwam weer met zijne weekdaagsche kleeren in de keuken.
"Waar zijt gij geheel den tijd gebleven?" vraagde zijne moeder. Maar in de plaats van te antwoorden, vraagde Jan zelf: "Moeder, is vader nog niet te huis dan?"
"Neen", zegde de moeder, "ik versta mij daar niet aan; ze moesten al van over twee uren te huis zijn. Ik peis dat Jan Martin de Wildeman niet opgekomen is en dat uw oudste broer den prijs behaald heeft."
"Te beter, moeder, te beter!" antwoordde Jan.
Het duurde nog wel een uur voor het aan de balie klits, klets! ging en de moeder kwam ook buiten om te vernemen of ze wel gelukt waren. "Wat zouden we!" antwoordde de vader bits, terwijl hij Jan in het voorbijgaan eene oorveeg gaf. "Jan Martin de Wildeman was daar weer en die heeft den prijs, anders had onze oudste zoon hem."
- "Ah! die deugniet," meende de moeder.
- "En het ergste van al," ging de vader voort, "de Koning heeft mij gevraagd hoeveel zonen ik had en Jan Martin heeft gezegd dat de bruiloft vandaag en veertien dagen hier moet gevierd worden."
- "Ja!" hernam de moeder angstig, "en wat gaan wij met den botterik doen?"
- "Dat weet ik niet!" zegde de vader.
- "Het beste van al," voegde de moeder er bij, "ware van hem honderd frank te geven en naar het dorp te zenden; hij zal zich daar stomdronken zuipen en maar in den nacht te huis komen."
- "Dat ware niet slecht," oordeelde de vader.
Terwijl zij alzoo spraken, waren vader en moeder in de kamer gegaan, maar Jan bleef aan de deur luisteren en zegde in zijn zelven:
"Gij bedriegd u leelijk, het zal heel anders uitvallen."
Op den dag der bruiloft gaf de moeder Jan honderd frank om zich daarmede in het dorp goed te vermaken.
"Gij klaagt altijd dat gij hier verstooten wordt," zegde zij, "nu kunt gij u eens goed verlustigen."
Jan aanvaardde de honderd franken en ging die in het dorp onder de arme menschen uitdeelen; daarna kwam hij weer terug naar de hofstede.
De Koning en de prinses waren reeds aangekomen en wachtten in de beste kamer naar Jan Martin. De rijke boer en de boerin en hunne twee oudste zonen waren bij hen en de koning vroeg nog eens of de boer geene andere zonen had dan die twee.
- "Neen," antwoordde de boer.
Maar juist riep Jan van buiten:
"Vader, moet ik vandaag ook de koevette op de weide uitbreiden of moet ik de zwijnen mesten?"
- "Wat is dat?" vroeg de Koning met geveinsde verwondering. "Daar roept er nog een vader."
Als er toch geen ander middel meer was, bekende de moeder dat er nog een derde zoon was. "Maar hij is onnoozel", voegde zij erbij, "en als gij hem binnenlaat, zal hij alles in stukken slaan."
"Laat hem toch maar binnen," beval de Koning.
Jan kwam dus binnen en begon alles door de vensters te werpen wat hem onder de hand viel. Toen hij de prinses zag, liep hij naar haar en met zijnen vuile handen, vol koevette, pakte hij hare muts vast.
De moeder was haast dood van verlegenheid wanneer ze dat zag, en als Jan aan den Koning zegde dat hij dikwijls moest honger lijden, vielen de boer en de boerin op de knieën om vergiffenis te vragne.
"Dat is al wel," sprak de Koning, "maar als Jan Martin nu komt, welke muts moet de prinses nu aan doen?"
Jan was intusschen weg geloopen en had zich naar zijn paleis begeven; weldra zag de moeder, die op den uitkijk stond, eenen ruiter afkomen zoo prachtig gekleed en zoo versierd met goud en diamant, dat hare oogen ervan schemerden.
"Wel Heere God! daar is Jan Martin de Wildeman! Wat moeten wij nu doen?" riep zij uit.
Inderdaad Jan Martin trad de kamer binnen en vroeg waarom de prinses geene muts ophad.
"Jan de botterik heeft ze geheel vuil gemaakt," zegde de moeder bevend.
"Waar is die Jan de botterik? Roep hem eens, ik moet hem seffens zien," sprak Jan Martin.
De moeder ging overal roepen "Jantje, Jantje," maar die niet antwoordde, was Jantje. Als ze lang geroepen had, deed Jan Martin haar weer binnen komen en zegde:
"Moeder, gij moet niet meer roepen naar Jan, ik ben Jan."
Wat waren de vader en de moeder en de twee oudere broeders nu verlegen! Maar Jan stelde hun gerust.
"Die gelukkig is," zegde hij, "vergeeft geerne het onrecht dat hem aangedaan is. Ik heb veel moeten lijden, maar nu is dat alles vergeten en vergeven en wij zullen nu allen tezamen gelukkig zijn."

Onderwerp

AT 0314A - The Shepherd and the Three Giants    AT 0314A - The Shepherd and the Three Giants   

ATU 0314A    ATU 0314A   

Beschrijving

Een boer heeft drie zonen. De jongste wordt als dom beschouwd en slecht behandeld. Als er hooi wordt gestolen en het de oudste zoons niet lukt om te waken, gaat de jongste zoon waken en komt, verstopt in een baal hooi, in een onderaards betoverd paleis terecht, waar drie paarden zijn die slechts gestolen hooi eten. De jongen doodt de dief en is nu heer van het paleis. Als de koning een wedstrijd uitschrijft met zijn dochter als prijs, beproeft de jongen zijn geluk. Hij kleedt zichzelf en een paard in zilver en trekt alle aandacht. Hij wint van elk, ook van zijn broers, en zorgt ervoor eerder dan hen thuis te zijn. In de twee volgende wedstrijden kleedt hij zich in goud en diamanten en wint weer. Hij vertelt de koning hoe slecht hij thuis behandeld wordt. Aan zijn vader, die beweert twee zonen te hebben, deelt hij mee dat de bruiloft bij hem thuis gevierd wordt. Op de dag van de bruiloft wordt de jongen met geld naar het dorp gestuurd om daar de dag door te brengen. Hij deelt zijn geld uit onder de armen en keert terug naar de boerderij, waar ook de koning en de prinses zijn gearriveerd. De jongen werpt het huisraad naar buiten, bevuilt de kleding van de prinses en vertelt dat hij vaak honger moet lijden. De ouders vragen de koning om vergeving. De jongen gaat naar zijn paleis en kleedt zich prachtig aan, onthult zijn ware identiteit aan zijn familie en trouwt met de prinses.

Bron

Volkskunde. Tijdschrift voor Nederlandsche Folklore. 3 (1890) p. 7

Commentaar

1890
The Shepherd and the Three Giants

Naam Overig in Tekst

Jan Martin de Wildeman    Jan Martin de Wildeman   

Jantje    Jantje   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20