Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE263 - Roodkapje

Een sprookje (boek), 1957

Hoofdtekst

ROODKAPJE
In een groot bos woonde een klein meisje. De musjes, de vinkjes, de konijntjes en de eekhoorntjes, allemaal kenden ze haar. Zij wisten ook hoe zij heette: Roodkapje. Omdat zij altijd een rood kapje droeg, dat haar grootmoeder voor haar gebreid had. Roodkapje hield erg veel van haar grootmoeder. Zondags, als Vader geen bomen hoefde te kappen, gingen zij haar vaak opzoeken. Want grootmoeder woonde niet in het bos, maar in een klein dorpje. Zij moesten wel een uur lopen om bij haar te komen.
Op een keer riep Moeder Roodkapje, die bloemetjes plukte op het weitje achter het huisje, bij zich. "Roodkapje," zei ze, "zou je alleen door het bos naar Grootmoeder durven gaan?" "Natuurlijk," zei Roodkapje, "ik ben toch immers al zes jaar!" "Nu moet je goed luisteren," zei Moeder. "Ik heb gehoord dat Grootmoeder een beetje ziek is. Ik heb vandaag de grote was, ik kan niet weg. Vader komt vanavond pas thuis als het donker is. En ik zou toch zo graag willen weten hoe het met Grootmoeder is." "O," zei Roodkapje, "dan ga ik toch. Ik weet hoe ik lopen moet." "Goed," zei Moeder. "Ik zal gauw nog wat wafeltjes voor Grootmoeder bakken. En ze houdt zoveel van de boter van onze koe. Ik zal je een potje vol meegeven. En ook nog een fles vruchtensap." Dat was opeens een drukte. Roodkapje hielp het beslag voor de wafels maken. En terwijl Moeder bakte, vulde zij het potje met de heerlijke boter. Toen ze klaar waren, pakte Moeder alles in haar mandje, bracht haar tot het tuinhekje en zei: "Denk erom dat je vlug doorloopt, dat je onderweg geen bloemetjes plukt en met niemand blijft praten. Ook mag je niet te lang bij Grootmoeder blijven. Doe haar onze groeten en zeg haar dat we hopen dat zij gauw weer beter is." Dat beloofde Roodkapje. Zij gaf Moeder een zoen. En met het mandje aan haar arm huppelde zij weg.
Dat was prettig om helemaal alleen, als een groot meisje, door het bos te lopen. Telkens kwam zij bekenden tegen. Allereerst het konijntje dat Vader uit een strik had gered en dat nog altijd een beetje kreupel liep. "Ha, Roodkapje!" zei het konijntje, "waar ga je met je mandje naar toe?" "Ik mag niet blijven staan praten!" riep Roodkapje, wuifde met haar handje en liep vlug door! Daar kwam een duifje aanvliegen, zette zich op een tak, en zei: "Roe-koe Roodkapje! Jij zo helemaal alleen in het bos? Waar ga je naar toe?" Roodkapje bleef heèl eventjes staan. Zij hield zoveel van het duifje. "Ik ga naar Grootmoeder," zei ze, "maar ik mag van mijn moeder niet blijven staan praten." Zij wuifde met haar handje en liep vlug door. "Roe-koe! Goede reis!" riep het duifje haar achterna. Toen liep ze een heel eind zonder dat ze iemand tegenkwam. Maar als ze goed luisterde, hoorde zij in de verte steeds de bijlslagen van de houthakkers. Daar was Vader ook bij. Nu was het net of Vader in de buurt was en daarom was ze helemaal niet bang.
Het bos werd hoe langer hoe dichter. En om haar heen werd het hoe langer hoe donkerder. Dat kwam omdat de bomen zo dicht op elkaar groeiden. "Ik wilde toch dat ik eens iemand tegen kwam," dacht ze. En ze had dat nog niet gedacht, of ze hoorde geritsel in de struiken, de takken bogen uiteen en wie kwam daar naar haar toe? De wolf! Roodkapje was helemaal niet bang. Alle dieren waren altijd vriendelijk tegen haar. Zij had vaak over de wolf horen praten als over een gevaarlijk dier. Maar kijk hij daar nu toch eens staan! Net een grote hond! "Dag Mijnheer de Wolf," zei ze. "Dag Roodkapje," zei de wolf, "waar ga jij naar toe?" Toen vergat Roodkapje helemaal wat Moeder gezegd had. "Ik ga naar Grootmoeder," zei ze en bleef staan. De wolf kwam nog een stapje dichterbij. In drie dagen had hij niet gegeten. Hij had vreselijke honger. Hij likte zich de lippen af met zijn rode tong. En hij dacht: "Zo'n hapje als Roodkapje zou me best smaken!" Maar in de verte hoorde ook hij de bijlslagen van de houthakkers. Daarom dacht hij: "Straks zal ik mijn slag wel slaan! Nu nog niet." Zo vriendelijk als hij maar kon, vroeg hij: "En wat heb je daar in je mandje?" "Wafels die mijn Moeder zelf gebakken heeft," zei Roodkapje. "En een potje boter en een fles sap. Daar houdt Grootmoeder zo van. Zij is een beetje ziek, weet u." "Ben je niet moe? Is het nog ver lopen naar je Grootmoeder?" "O ja, nog een heel eind," zei Roodkapje. "Eerst het bos uit. Dan tot de molen. En in het huisje dat op de molen volgt woont Grootmoeder." "Weet je wat," zei de wolf. "Ik ga haar ook een bezoekje brengen. Dat zal ze stellig wel prettig vinden! En zullen wij dan eens doen wie er het eerst is? Jij loopt rechtuit het pad langs, en ik ga dwars door het bos. Wie het eerst bij het huisje is, heeft het gewonnen!"
De wolf zette het meteen op een lopen. In een ommezien was hij tussen de bomen verdwenen. Maar Roodkapje haastte zich helemaal niet. "Natuurlijk wint hij het met zijn vier poten," dacht zij. "Het is eigenlijk helemaal niet eerlijk! En stel je voor, als ik het mandje eens liet vallen! Het zou toch zonde zijn als de wafels braken!" Op haar gemak liep zij verder. Wat waren die rode stipjes daar langs de kant van de weg tussen het groen? Bosbessen! Ze bukte zich om ze te plukken. O, wat smaakten ze heerlijk! En kijk me nu toch die mooie vlinder daar! Hij vloog voor haar uit of hij krijgertje wou spelen. Roodkapje probeerde hem te vangen. Maar hij was haar te vlug af! Toen ze het bos uit kwam, stond ze voor een wel vol vergeet-mij-nietjes. O, wat mooi! Daar wilde ze wat van plukken, om er een ruikertje voor Grootmoeder van te maken. Ze plukte en plukte tot zij doodmoe was. Het kon niet anders, ze moest even op die boomstam daar gaan zitten om uit te rusten. De wolf was ze helemaal vergeten.
Die was intussen bij Grootmoeders huisje aangekomen. Eerst sloop hij er omheen. Toen klopte hij aan: tik-tik-tik! Een stem achter de deur riep: "Wie is daar?" De wolf kuchte. Toen zei hij met een hoog stemmetje, dat heus wel een beetje op dat van Roodkapje leek: "Ik ben het, Grootmoeder! Roodkapje! Ik breng U wat wafels en een potje boter en vruchtensap, met de groeten van moeder!" Grootmoeder, die een beetje ziek in bed lag, richtte zich op en riep: "Licht de klink maar op, lief kind. Dan gaat de deur vanzelf open." De wolf lichtte de klink op. De deur ging vanzelf open. Met één sprong was hij bij Grootmoeder op het bed en slokte haar op, met huid en haar! Hij had immers in drie dagen niet gegeten. Toen likte hij nog eens zijn lippen af met zijn rode tong. En kroop op Grootmoeders plaats onder de dekens. Toen bedacht hij zich, en zette nog gauw haar slaapmuts op, die op de stoel naast het bed lag.
Hij hoefde niet lang te wachten. Daar hoorde hij voetstapjes op het tuinpad. "Daar is Roodkapje," dacht hij. En hij kroop nog wat dieper onder de dekens. Tik-tik-tik werd er op de deur geklopt. De wolf kuchte. Hij zette nu een bromstem op en riep: "Wie is daar?" "Wat heeft grootmoeder een gekke stem," dacht Roodkapje. "Ik durf haast niet naar binnen te gaan. Maar o, ik begrijp het al! Grootmoeder is verkouden! Daarom praat zij zo hees!" Vrolijk riep ze: "Ik ben het Grootmoeder, Roodkapje! Ik breng U wat wafels en een potje boter en vruchtensap, met de groeten van Moeder!" Nu klonk het van achter de deur: "Licht de klink maar op, lief kind. Dan gaat de deur vanzelf open." Roodkapje lichtte de klink op. De deur ging vanzelf open. Zij stond op de drempel en stapte naar binnen. "Zet alles maar op tafel," zei de wolf. "Neem een stoel en kom een beetje bij me zitten." Roodkapje hees zich op de stoel en keek verbaasd naar de dekens, waar een poot van de wolf uitstak. "Grootmoeder," zei ze een beetje angstig, "Grootmoeder, wat hebt U lange armen!" "Dat is om je beter te kunnen omhelzen, lief kind." Weer keek Roodkapje naar Grootmoeder in het bed. "Grootmoeder," zei zij, "Grootmoeder, wat hebt U lange benen!" "Dat is om beter te kunnen lopen, mijn kind." "Maar Grootmoeder, Grootmoeder, wat hebt U lange oren!” "Dat is om beter te kunnen horen, mijn kind." "Maar Grootmoeder, Grootmoeder," het stemmetje van Roodkapje werd steeds angstiger, "wat hebt U grote ogen!" "Dat is om beter te kunnen zien, mijn kind!" "Maar Grootmoeder, Grootmoeder," het leek wel of Roodkapje zou gaan huilen, "wat hebt u grote tanden!” “Dat is om je beter te kunnen opeten!" riep de wolf en met één hap had hij het arme Roodkapje met huid en haar verslonden!
Intussen zat Moeder thuis op Roodkapje te wachten. Hoe langer het kind wegbleef, hoe ongeruster Moeder werd. Toen het donker begon te worden, besloot zij naar Vader te gaan en het hem te vertellen. Zij sloeg een doek om en liep het bos in. Zij vond de mannen nog aan het werk. Toen Vader haar zag, liet hij dadelijk zijn bijl zinken. "Is er wat gebeurd?" vroeg hij. "Ik heb Roodkapje vanmorgen naar Grootmoeder gestuurd," zei Moeder, "en zij is nog altijd niet terug." Wat schrok Vader! "Als haar maar niets overkomen is!" zei hij. "Ik heb vanmorgen de wolf in het bos gezien," zei een van de houthakkers. "Hij zag er mager en hongerig uit." "Wij gaan dadelijk naar Grootmoeder toe," zei Vader. "Het kan ook zijn dat Roodkapje zo lang bij haar is gebleven." Wat duurde de tocht nu lang! Het was of er geen eind aan kwam. Het was ook helemaal donker geworden. Telkens struikelden Vader en Moeder over boomwortels of stenen.
Toen zij bij het huisje kwamen, ging juist de maan op. Er brandde geen licht achter de vensters. Dat maakte Vader nog ongeruster. "Kijk eens," zei hij opeens en wees op de grond. Duidelijk zagen zij de afdrukken van wolfspoten in het zand. Nu wist Vader genoeg! Hij lichtte de klink op. De deur ging vanzelf open. En Vader stormde binnen, terwijl Moeder hem volgde. Dadelijk zagen zij wat hier gebeurd was. Het mandje met de wafels, het potje boter en de fles stonden nog net zo op tafel als Roodkapje ze had neergezet. Roodkapje zelf was nergens te zien. Maar uit het bed klonk luid gesnurk. Met een sprong was Vader bij het bed. Hij trok met een ruk de dekens weg... Daar lag de wolf, die niet eens wakker werd! Zo vast sliep hij. Wat was hij dik! Dat kwam omdat hij zoveel gegeten had! Moeder begon te huilen. Zij dacht dat Roodkapje en Grootmoeder dood waren. Maar Vader zei: "Huil maar niet. Ik geloof, dat zij nog leven!” Toen sneed hij met zijn scherpe bijl vlug de buik van de wolf open. Eerst sprong Roodkapje te voorschijn, die eerst Moeder en daarna Vader om de hals viel! "Ik heb zo akelig gedroomd," riep zij. En daar kwam zuchtend Grootmoeder uit de buik van de wolf gekropen. Zij dacht ook al dat zij benauwd gedroomd had. Maar toen ze de wolf zag, begreep ze wat er gebeurd was!
Je kunt begrijpen hoe blij ze alle vier waren. Vader bracht de wolf weg, nadat Grootmoeder eerst haar slaapmuts had losgestrikt. Toen hij terug kwam vond Vader de tafel gedekt. Op elk bordje lag een wafel, dik met de lekkere boter besmeerd. Een glas vruchtensap stond er naast. En in het midden stonden de vergeet-mij-nietjes die Roodkapje geplukt had. Allemaal smulden ze van de wafels. Maar bovenal waren zij blij dat alles zo goed was afgelopen. En zij weer bij elkaar waren! Voor Roodkapje was het meteen een goede les geweest. Ik verzeker jullie, dat zij Moeders raad daarna altijd heeft opgevolgd!

Onderwerp

ATU 0333    ATU 0333   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Moeder waarschuwt Roodkapje om onderweg naar grootmoeder niet te treuzelen en met niemand te praten. Diep in het bos ontmoet ze de wolf, die heel vriendelijk is, ze vertelt dat ze op weg is naar grootmoeder en waar ze woont. Terwijl de wolf zich naar grootmoeder haast, plukt Roodkapje bosbessen en bloemen, en gaat vlinders achterna. De wolf klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, eet grootmoeder op, zet haar slaapmuts op en gaat in haar bed liggen. Roodkapje verbaast zich over de armen, benen, oren, ogen en tanden van grootmoeder, waarop de wolf haar opeet. Moeder maakt zich ongerust dat Roodkapje nog niet terug is, gaat samen met vader naar grootmoeders huis, zien afdrukken van wolvepoten, ze horen gesnurk en zien de slapende wolf. Vader snijdt met een bijl de buik van de wolf open, waaruit Roodkapje en grootmoeder verschijnen.

Bron

D.A. Cramer-Schaap. Roodkapje en andere sprookjes van Moeder de Gans. Amsterdam: Ploegsma, 1957
KB: KW BJ 52022
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

Commentaar

Naar Charles Perrault, Gebr. Grimm

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Datum Invoer

2019-07-08