Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

CBOEK004 - Een Sprookje

Een mop (brief), 1894

Hoofdtekst

Een Sprookje
Er was eens een vader, die had een eenige zoon. Die zoon had hij alles laten leeren, wat er maar te leeren viel.
Op een goeden dag zei de vader: "Jongen, luister eens. Wat zoudt gij nu gaan beginnen? Gij zijt mijn eenig kind en erfgenaam, ik ben schatrijk. Gij hebt alles geleerd. Zeg mij nu eens wat gij wilt beginnen?"
"Vader," sprak de zoon, "'t is waar, ik heb veel geleerd, maar toch nog niet alles. Rooven en stelen heb ik nog niet geleerd, en dat wil ik toch ook kennen."
De vader schrok geweldig en zeide: "Maar jongenlief, wat wilt gij nu beginnen?! Rooven en stelen! en gij zijt schattenrijk."
"Dit is alles wel waar," zei de zoon, "maar vader, die schatten kunnen u of mij afgenomen worden en als ik dan in 't rooven en stelen bekwaam ben, kan ik ook daarmede de kost winnen, als al het andere mij niet baten mocht."
De vader schreide en weeklaagde zeer over zulk een onbegrijpelijke wensch van zijn kind, doch hoe hij ook bad, dreigde of smeekte: zijn zoon wilde rooven en stelen leeren.
Toen nu de vader zag, dat aan zijn zoon's besluit niets te veranderen viel, ging hij naar een Rooverhoofdman, en verstond zich met hem, om zijn zoon bij hem in de leer te doen.
Het eind en beslot van dit gesprek was, dat de zoon voor een jaar onder de roovers opgenomen zoude worden, doch dat hij, evenals in alle vakken, voor hij heenging, een proefstuk van zijn bekwaamheid af moest leggen. En zoo gedaan.
De zoon kwam bij de roovers, stal en leerde zoo veel hij kon, en toen het jaar nu bijna om was, herinnerde hij de Hoofdman aan zijn vertrek.
"Zeer goed," zei deze, "gij kunt vertrekken, maar gij weet ook de voorwaarde."
"Welnu," zei de zoon, "leg mij maar een proefstuk op."
"Zie hier," zei de Hoofdman, "er zal door het bosch een boer komen, zittende op een paard, en achter het paard loopt een schaap met een schelletje onder de keel; het schaap zit aan het paard zijn staart vastgebonden. Nu moet gij het schaap stelen, ook het paard, en de boer naakt in een put zien te krijgen, doch alles alleen volbrengen."
Hij beloofde nu dit bewijs van bekwaamheid af te leggen.
Nu begon zijn arbeid: hij klom in een boom, en nadat hij eenige uren geduldig gewacht had, jawel, daar kwam de boer te paard aan, en het schaap er achter. In de verte hoorde hij het gerinkel al van het schelletje. Nu klom hij uit de boom, en verschool zich er achter. Toen de boer gepasseerd was, ging hij hem stilletjes achterna, maakte de lus die om het schaap's kop zat wat wijder, schoof het toen over de kop, en liet lus en belletje achter het paard hangen. Toen bracht hij het schaap naar een hem bekende plaats. Daar hij de weg in 't bosch beter wist als de boer, nam hij een zijweg, en kwam zoodoende weer op een punt aan de groote weg, waar de boer voorbij moest.
De boer, nadat hij een poosje doorgereden had zonder erg, want hij hoorde toch steeds het schelletje, keek eens om, en o wee! daar miste hij zijn schaap. Hij keek de lus na, en bemerkte dat die over de kop van het schaap geschoven was. "Dat arme dier," dacht hij, "ik zal het eens gaan zoeken, het zal stellig anders in 't bosch verdwalen." Om ook tusschen het kreupelhout te kunnen zien, ging hij te voet, en bond zoolang zijn paard aan een boom vast. Hij had volstrekt geen idee dat het schaap gestolen was.
Terwijl hij alzoo naar zijn schaap zocht, kwam de leerling van de roovers, en sneed het paard los, bracht het weer in veiligheid, en ging toen luid schreeuwende, aan een put in dat bosch zitten.
De boer, die na al zijn zoeken zijn schaap toch niet vond, keerde teleurgesteld naar de plaats waar zijn paard stond, terug. Doch verbeeld je zijn schrik, toen hij ter plaatse gekomen, zijn paard verdwenen vond.
Nu moest hij toch wel denken dat hij bestolen was. Die arme boer, wat was hij verdrietig. Terwijl hij nu stond te denken hoe toch maar het gaauwste uit het bosch te komen, voordat het donker werd, hoorde hij een erg leven en geschrei, niet ver van hem af. Op dat geschrei afgaande, kwam hij bij de put, waar de rooversleerling zat, en vroeg toen, wat hem toch scheelde.
"Ach, goede man," zei de roover, "ik ben een koopman in goud en juwelen. Terwijl ik door het bosch ging zijn roovers mij komen overvallen, en hebben mij mijn kostbaarheden afgenomen; nu ben ik een arm man geworden."
"Zoo, arme stakker," zei de boer, "dan zijn wij lotgenooten, want o! ik weet ook niet wat ik beginnen moet, zeker wel die zelfde roovers hebben mijn paard en schaap gestolen."
En ook de boer begon nu te jammeren.
"Stil man," zei de roover, "ik zal je eens wat vertellen, houd je maar stil over je verlies. Zie je die zwarte stip daar in die put? Nu dat is juist het kostbaarste kistje, daar zitten mijn juwelen in. De roovers hadden al zoo'n vracht, en zij dachten dat dit maar een kistje met zilver was. Nu hebben ze het maar zoolang in de put gegooid om het later te komen halen."
"Nu," sprak de boer, "haal het er dan uit, dan hebt gij toch nog uw schat weerom."
"Och, goede, beste man," sprak de roover, "ziet gij dan niet dat ik half dood van angst en narigheid ben; neen, dat wilde ik liever dat gij het er uithaalde, ik beloof je, gij krijgt wel twee paarden en een schaap van mij terug."
Nu, hierna had de boer ooren.
"Maar hoe kom ik in de put? En wat zal ik nat worden."
"Daar is raad op," zei de roover, "kleed je geheel uit, ga dan op dien emmer zitten, dan laat ik je zakken, hebt gij het kistje, en roept gij, dan haal ik U weer op, en kunt gij U aankleden, dan zijt gij droog, en krijgt van mij uw belooning."
Zoo gezegd, zoo gedaan: de boer zich ontkleed, ging op de emmer zitten, de roover liet hem zakken, en toen de boer riep: "Ik voel geen kistje!" sprak de roover: "Dat wil ik best gelooven, vriend! Blijf nu maar een poosje zoo zitten."
Hemel, wat stond die boer een doodsangst uit, doch de rooversleerling lachte in zijn vuistje, ging naar zijn makkers en vertelde van het goed gelukken zijner opdracht.
Nu gingen al de roovers, waarbij ook de Hoofdman en de leerling, allen als heren gekleed naar het bosch, vonden daar het schaap en het paard, en bij de put gekomen, zagen zij de boer naakt in de put zitten. Hij kon haast niet meer spreken van koude en doorgestaane angst, dat hij daar in die put zou moeten omkomen.
De heeren roovers haalden hem nu naar boven en vroegen hem, hoe hij toch zoo, en nog wel ontkleed in die put kwam. De arme boer vertelde, nadat hij wat bijgekomen was, zijn wedervaren.
Toen hij alles verteld had, zei de Hoofdman: "Je bent toch eigentlijk een stomme boer, want wie gaat er voor een vreemde ker[e]l naakt in een put kruipen. Zoudt gij die vent nog kennen? Zie eens in 't rond of hij ook bij dit koppeltje heeren is."
"O, neen! edele heer," zei de boer, "dat zou ik niet eens durven denken, het was volstrekt geen heer, maar een gemeene roover, als koopman gekleed."
"Nu," zei de hoofdman, "die vent beloofde je twee paarden en een schaap: hier heb je een beurs met geld, daar kunt gij het nu voor koopen, voor je angst moogt gij wel wat hebben... maak nu maar dat gij weg komt."
Toen keerde de hoofdman zich tot de zoon, en sprak: "Gij hebt getoond, een man van het vak te zijn. Uw proefstuk is volkomen geslaagd, gij kunt met deze lofspraak als diploma vertrekken, hoewel wij U noode zien gaan. Mocht er echter voor U een nare tijd aanbreken, wij zullen U weer met open armen in ons gilde opnemen."
En zoo keerde de zoon naar zijn vader terug.

Onderwerp

AT 1525 - The Master Thief    AT 1525 - The Master Thief   

ATU 1525    ATU 1525   

Beschrijving

Een rijke man heeft een zoon die heel veel geleerd heeft. De vader vraagt aan zijn zoon wat hij verder met zijn leven wil. De zoon antwoordt dat hij alles heeft geleerd, behalve de kunst vam het stelen. De vader protesteert hevig, maar doet uiteindelijk toch de jongen in de leer bij een aantal rovers. Ze spreken af dat hij een jaar zal blijven bij de rovers en dan een meesterproef moet afleggen. Na een jaar krijgt de leerling zijn opdracht. Er zal een boer op een paard door het bos komen, met aan de staart van het paard een schaap vastgebonden met een belletje om zijn nek. De jongen moet het schaap en het paard stelen en de boer naakt in een put zien te krijgen. De jongen gaat op pad en steelt eerst het schaap zonder dat de boer het merkt. Vervolgens als de boer zijn schaap gaat zoeken en zijn paard achterlaat, steelt de jongen ook het paard. Door zich voor te doen als een koopman wiens kistje met juwelen in een put is gevallen, lukt het de jongen om de boer naakt in de put te krijgen. De boer wordt hierna gered door de rovers die zich hebben verkleed als heren. De boer getuigt nog eens van zijn stomheid door de verklede rovers, waaronder de jongen, niet te verdenken. De jongen is geslaagd voor zijn meesterproef en keert terug naar zijn vader.

Bron

Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)

Commentaar

1894
In een schriftje, verzonden door mevr. Deenik-Bronner, maar niet van haar hand.
The Master Thief
ingezonden door mevr. Deenik-Bronner

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22