Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

BOEKV052 - Van den Meesterdief.

Een sprookje (tijdschriftartikel), 1894

Hoofdtekst

Van den Meesterdief.

Er was ereis een vader en die had een eenigen zoon. Hij had hem alles laten leeren wat er onderwezen wordt en zoo was die zoon onderwijl tot een flinken man opgegroeid.
Toen riep op een goeden dag de vader hem bij zich en zei: "Jongen, je hebt nu alles geleerd wat er te leeren valt, nu moet je er eens over denken wat je in de wereld beginnen zult, om een nuttig lid van de maatschappij te worden." "Vader," zei de zoon, "'t is waar: ik heb veel geleerd, maar toch nog niet alles. Rooven en stelen heb ik nog niet geleerd en dat wil ik toch ook kennen." De vader schrok geweldig toen hij dat hoorde, en zei: "Maar jongen, je bent mijn eenig kind en erfgenaam en ik ben schatrijk. Wat zou-je dus gaan rooven en stelen?" "Dat is wel waar," zei de zoon, "maar rijkdom is vergankelijk. Die schatten kunnen u of mij worden afgenomen, en als ik dan ook in het rooven en stelen bekwaam was, kon ik ook daarmee den kost verdienen als het op een andere manier niet mocht gaan." De vader verzette zich zoo sterk als hij kon tegen dezen onbegrijpelijken wensch; maar wat hij zeide en hoe hij dreigde of smeekte: het gaf niets. Zijn zoon bleef er bij dat hij rooven en stelen wou leeren.
Toen de vader nu zag dat er aan zijn zoons besluit niets te veranderen viel, ging hij naar een rooverhoofdman en vertelde hem het geval. Zij werden het met elkaar eens en het eind en slot van de zaak was dat de zoon voor een jaar onder de roovers opgenomen zou worden. Hij zou echter, voor hij heen mocht gaan, net als in andere vakken een proefstuk van zijn bekwaamheid moeten afleggen. Lukte dat niet, dan zou hij langer onder de roovers moeten blijven. Zooals afgesproken was, gebeurde.
De zoon kwam bij de roovers, ging met hen uit stelen en leerde zooveel als hij kon, en toen nu het jaar bijna om was herinnerde hij den hoofdman aan zijn aanstaand vertrek. "Heel goed," zei deze, "je kunt vertrekken, maar je weet op welke voorwaarde." "Zeker," zei de zoon, "leg mij maar een proefstuk op."
Toen zei de hoofdman: "Straks zal er door het bosch een boer komen op een paard. Achter dat paard loopt een schaap met een schelletje om den hals en dat schaap is aan het paard zijn staart vastgebonden. Nu moet je dien boer dat schaap en dat paard stelen en dan den boer zelf naakt in een put zien te krijgen, en dat alles zonder den boer met je handen aan te raken of met een wapen te bedreigen, en zonder dat een ander je helpt."
"Goed," zei de ander, "dat zal ik volbrengen." Hij ging nu naar een punt van het bosch waar de boer langs moest komen en klom daar in een boom. Hij zat zoo een paar uren geduldig te wachten, maar eindelijk, ja toen kwam de boer op zijn paard aan, met het schaap er achter; in de verte hoorde hij al het gerinkel van het schelletje. Hij hield zich doodstil en liet den boer voorbijrijden, maar nauwelijks was die voorbij of hij klom uit den boom en ging hem achterna. Het touw waarmee het schaap was vastgebonden zat met een lus om zijn kop. Die lus maakte hij voorzichtig wat wijder, schoof hem toen over het beest zijn kop en liet lus en belletje achter het paard hangen, maar het schaap nam hij mee. Dat bracht hij naar een veilige plaats, waar hij het later zou kunnen terugvinden.
Toen ging hij langs een korteren weg weer naar het pad waar de boer langs moest komen en liep hem toen tegemoet. De boer had niets gemerkt van wat er gebeurd was; hij hoorde nog altijd het schelletje achter zich en reed dus zonder erg verder. Toen ze nu elkaar tegenkwamen en goeden dag wenschten, zei de dief: "Waarom heb-jij een schelletje aan je paard zijn staart gebonden?" Toen keek de boer om en zag dat zijn schaap weg was. "Drommels," zei hij; "daar heb ik mijn schaap verloren. De lus is over zijn kop geschoven en zoo is het beest losgeraakt. Nou moet ik terug om het te zoeken; anders zal het arme dier in het bosch stellig verdwalen." Hij keerde dus om, maar de roover zei: "Wou jij je schaap te paard gaan zoeken? Het is natuurlijk direct in het kreupelhout geloopen en hoe wil-je daar met je paard door?" "Dat's waar ook," zei de boer, "'t is beter dat ik te voet ga. Maar wie zal dan op mijn paard passen?" "O," zei de ander, "dat wil ik wel even doen, zoo lang zal het niet duren dat je terugkomt, want het schaap kan zoo ver niet af wezen." Toen bond de boer het paard aan een boom en de dief bleef er als wachter bij; maar nauwelijks was de boer uit het gezicht, of het paard ging denzelfden weg op als het schaap.
Het grootste deel van de taak was dus volbracht. Maar het moeilijkste kwam nog.
Er was er niet ver van de plaats waar de boer het paard had vastgebonden een put. Daar ging de dief heen. Hij trok zijn bovenkleeren uit, verstopte die en ging bij de put zitten. Onderwijl was de boer onverrichterzake teruggegaan en wilde zijn paard weer opzoeken; maar o schrik! nu was ook zijn paard weg. Het was nu zonneklaar dat hij bestolen was, maar wat zou hij doen? Het veiligste was te maken dat hij uit het bosch vandaan kwam voor het donker werd, maar dan was hij zijn paard en zijn schaap stellig kwijt. Terwijl hij nu zoo stond te overleggen, hoorde hij een luid geklaag, niet ver van hem af. Eerst had hij niet veel zin om er heen te gaan, maar hij was medelijdend en hij dacht: "Misschien is mijn hulp noodig." Hij ging dus op het geluid af en kwam toen bij de put waar de rooversleerling zat te weeklagen. "Wat scheelt er aan?" vroeg de boer. "Och, vriendlief," zei de rover, "ik ben een koopman in goud en juweelen, en terwijl ik door het bosch ging, hebben roovers mij overvallen en mij al mijn kostbaarheden afgenomen, en nu ben ik een arm man geworden." "Wel, arme stakkerd," zei de boer, "dan zijn wij lotgenooten, want ik ben ook ten einde raad. Diezelfde roovers hebben mij mijn paard en mijn schaap gestolen." En toen begon ook de boer te jammeren. "Hoor eens," zei de roover, "hou je stil over jou[w] verlies, want dat is wel te vergoeden. En ik ben ook nog niet alles kwijt. Zie-je daar op den bodem van de put die zwarte stip? Ja? Welnu, dat is een kistje met juweelen dat ik er in gegooid heb, toen de roovers me wilden uitplunderen. Maar ik ben te akelig van den schrik om het er uit te kunnen halen. Als jij me nu helpt, dan krijg-je wel twee paarden en een half dozijn schapen van mij terug." Toen klaarde den boer zijn gezicht op en hij zei: "Goed! Maar hoe kom ik er in, in de put? En wat zal ik nat worden." "O," zei de roover, "daar is raad op. Kleed je heelemaal uit en ga dan op den emmer zitten, dan laat ik je zakken. Heb-je het kistje, dan roep-je, en dan haal ik je weer op. En dan kun-je je weer aankleeden en blijf-je droog." Zoo gezegd, zoo gedaan. De boer trok zijn kleeren uit, ging op den emmer zitten en de roover liet hem zakken. En toen de boer beneden rondscharrelde en riep: "Ik voel geen kistje!" toen zei de roover: "Dat wil ik graag gelooven, vriend, want niemand heeft er een kistje in gegooid. Ga nu maar gemakkelijk zitten tot ik straks weerom kom om je op te halen!"
Wat stond de boer toen een doodsangst uit! Maar de roovers-leerling lachte in zijn vuistje en ging naar zijn makkers en vertelde, dat hij zijn opdracht had uitgevoerd. Toen gingen alle roovers, als heeren gekleed, naar het bosch. Daar vonden zij het schaap en het paard; en toen ze bij de put kwamen, zagen zij den boer naakt in de put zitten. Hij kon haast niet meer spreken van kou en angst, want hij had stellig gedacht dat hij in de put had moeten verhongeren. De heeren roovers haalden hem toen naar boven en vroegen hoe hij zoo in die put kwam en dat nog wel heelemaal naakt. De arme boer vertelde toen zijn wedervaren en nadat hij alles verteld had, zei de hoofdman: "Je bent toch eigenlijk een stomme boer, want wie gaat er nu voor een vreemden ker[e]l naakt in een put kruipen? Zou je dien vent nog kennen als je hem zag? Is hij soms bij dat koppeltje heeren?" "O nee, edele heer," zei de boer, "dat zou ik niet eens durven denken; het was volstrekt geen heer, maar een gemene roover." "Nu," zei de hoofdman, "die vent beloofde je twee paarden en een half dozijn schapen; ik wil niet dat je er schade bij lijdt: hier heb je dus een beurs met geld, daar kun-je die voor koopen. Maar maak nu dat je wegkomt!"
Toen keerde de hoofdman zich tot zijn leerling en zei: "Je hebt je proefstuk uitstekend volbracht en hebt getoond dat je een man van het vak bent die voor zijn taak berekend is. Je moogt dus vertrekken, al laten we je noode gaan. Maar mochten er later slechte tijden voor je aanbreken kom dan gerust terug; we zullen je dan met open armen ontvangen."
De zoon ging toen weer naar zijn vaders huis en werd een algemeen gezien man, en het is later niet noodig geweest dat hij uit stelen en rooven ging. Maar hij zei toch altijd: "Ik ben blij, dat ik het kan, want je kunt nooit weten waar het goed voor is."

Onderwerp

AT 1525 - The Master Thief    AT 1525 - The Master Thief   

ATU 1525    ATU 1525   

Beschrijving

Een rijke man heeft een zoon die heel veel geleerd heeft. De vader vraagt aan zijn zoon wat hij verder met zijn leven wil. De zoon antwoordt dat hij alles heeft geleerd, behalve de kunst vam het stelen. De vader protesteert hevig, maar doet uiteindelijk toch de jongen in de leer bij een aantal rovers. Ze spreken af dat hij een jaar zal blijven bij de rovers en dan een meesterproef moet afleggen. Na een jaar krijgt de leerling zijn opdracht. Er zal een boer op een paard door het bos komen, met aan de staart van het paard een schaap vastgebonden met een belletje om zijn nek. De jongen moet het schaap en het paard stelen en de boer naakt in een put zien te krijgen. De jongen gaat op pad en steelt eerst het schaap zonder dat de boer het merkt. Vervolgens als de boer zijn schaap gaat zoeken en zijn paard achterlaat, steelt de jongen ook het paard. Door zich voor te doen als een koopman wiens kistje met juwelen in een put is gevallen, lukt het de jongen om de boer naakt in de put te krijgen. De boer wordt hierna gered door de rovers die zich hebben verkleed als heren. De boer getuigt nog eens van zijn stomheid door de verklede rovers, waaronder de jongen, niet te verdenken. De jongen is geslaagd voor zijn meesterproef en keert terug naar zijn vader.

Bron

G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 15 (1903), pp. 189-193 N°42

Commentaar

1894
Vgl. CBOEK004
The Master Thief

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20