Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

WALLPERNE_VELUW_02 - Ontstaan van het Uddeler- en Bleeke Meer

Een sage (boek),

Hoofdtekst

ONTSTAAN VAN HET UDDELER EN BLEEKE MEER
Het was in den tijd toen de reuzen den hemel bestormden
en er in het Uunnilo 2) eene groote slang huisde.
De ruwe reuzen, vazallen van den machtigen Winterreus,
waren den strijd tegen de Zomergoden begonnen. Van zand
uit de wolfskamer kruiden ze de Woldbergen op; maar
Thunar 1) de geweldige Dondergod hield hen nog in
bedwang. ~
Reeds wapperden enkele najaarsnevelen over de wouden,
als grauwe vanen van het aannaderende winterleger, en
groote wolkwolven worstelden met den Zonnegod.
Woest gromde dan de Donderaar in zijnen rooden baard,
zoodat de reuzen een wijle angstig weken. De reigers en de
zwaluwen, verschrikt en angstig geworden door den beginnenden
strijd, vluchtten op snelle wieken zuidwaarts.
De Winterreuzen trokken zich samen in het foreest, en
riepen daar de hulp in van de groote monsterslang, die door
haar doodenden adem de bladeren der boomen deed
verkleuren en verdorren, en waar ze gekropen had, verrezen
giftige zwammen.
In dat woud van helsch roode en giftig gele kleuren sloten
de reuzen een verbond met de slang. De boomen
ontroerden zoozeer van dit vreeselijk verdrag, dat ze veel
bladeren lieten vallen.
Des anderen daags kronkelde de slang zich om den
hoogsten eik naar boven, ten einde haar gif in den hemel te
braken, en de reuzen wierpen met handen vol hagel.
Van alle zijden trok nu Thunar zijn groote wolkgevaarten
samen, om den toegang te versperren. Van ver over de
eindelooze wolkvelden kwam hij zelf aangereden
in zijn woest rollenden, met twee zwarte bokken
bespannen, wagen.
Als een roode vlag flapperde zijn baard in den wind, en de
bokken sloegen met hun hoeven de vonken uit 't plaveisel.
De heele hemel stond in vuur, en mokerslagen dreunden,
dat de aarde er van
schudde.
Daar hief de slang haar geweldigen kop met opgesperde
kaken door de wolken omhoog en blies haar stinkenden
adem in 't blauwe hemelgewelf, dat opeens zwart werd.
Toen hief Thunar den nooit missenden dondermoker en
sloeg hem bliksemend neder op den gesperden slangekop,
met zulk een kracht, dat het reuzenmonster verpletterd
nederzonk en de moker nog zeven mijlen diep in de
trillende aarde drong.
Krakend stortte de hooge eik met zijn last in de diepte.
Door 't verzengende bliksemvuur steeg, een verpestende
stank op van het schroeiende gif. In vuilbruine wolken walmde het op om het gouden hoofd van den Dondergod.
Hij wankelde in zijn strijdwagen, en duizelde zwijmend
achterover.
Met een vreeselijken slag stortte hij uit de hemelen ter
aarde, kort bij de plek, waar hij de slang verpletterd had.
Het was of het heelal vaneen scheurde en de wereld uit hare
voegen werd gerukt. Zijn leege wagen achter de op hol
geslagen bokken zonder bestuurder, raasde in woeste vaart
daverend over den wolkenweg voort en stortte eindelijk op
den Donderberg neer.
Toen werd het stil en de aarde zonk weg in de zee.
Ver over de velden van wellende wateren daalde de nacht
en torenhoog bruisten de golven hun schuimkruinen op.
Daar scheurde aan de kimmen het wolkenkleed vaneen. De
zeegod blies op zijn schallenden horen en kwam in zijn groot donker schip over de wijde wateren aangevaren. Hij nam den dooden Thunar
mee. Nu kwam de ijsbergenvloot der witte winterreuzen uit
het Noorden aangedreven en deed het godenschip van de
wateren vluchten.
Veel droeve tijden verliepen, waarin de ontzaglijke
winterreus opperheerschappij voerde.
Nadat de aarde weer droog geworden was, bleven er twee
meren achter, die zoo diep zijn als de wereld, en het eene
noemde men het Uttiloch, het andere het Godenmeer of
Witte meer, en de plaats waar de bokken vielen, heette men
Dieren.
Waarschijnlijk werd aan het Godenmeer de Dondergod
aangebeden, en toen Thunars hamer, die vanzelf weer uit
de diepte was opgerezen, bij het andere meer gevonden
werd, stichtte men daar een heilige offerplaats en brandde
er de houtstapels der dooden.
Het foreest wies weer om de beide meren op, en het
groeide zoo snel, dat het weldra over het Uttiloch, waarin
nog steeds het monster begraven lag, dreigde heen te
groeien om elk bewijs van zijn bestaan uit te wisschen. De
planten rankten over het water en de wortels woekerden in
het wier.
Maar op een dag, er woonden toen reeds lang menschen bij
den kleiner geworden plas, kwam de heele hel en
onderwereld hiertegen in verzet. Een helsche vlam sloeg op
uit de kolk en al de vuurduivels wrongen zich naar boven.
Juichend joegen zij door het woud, verbrandden het veen
en heel het groote bosch. 2)
Hoog langs de lucht lekten loeiend de vlammen, uit een
walmende rook wrong de geest der reuzenslang zich
kronkelend omhoog en vluchtte pijlsnel voort.
Het groote fiere woud was vernield en
werd een woeste kale vlakte, waarin nog de beide meren
liggen.
Naderhand, toen de menschen Christenen geworden en de
oude goden verdreven waren, vertelde men tot op den
huidigen dag, dat er in het Bleeke meer een gouden kalf
gezonken is; maar dat was zoo bij wijze van spreken,
omdat het een heidensche god was die daarin verzonk 6).

Onderwerp

TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen    TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen   

Beschrijving

Er heerste een grote strijd tussen de Winterreuzen en de Zomergoden. Thunar, de dondergod, was de machtigste vijand van de reuzen. De Winterreuzen riepen de hulp in van een grote slang met dodende adem. Thunar weet de slang te doden, maar bezwijkt in de dodelijke stank, en stort neer. De plaatsen waar de strijders neerstortten heten nu Donderberg, Uttiloch en het Goden- of Witte meer. Waar de bokken vielen heet het nu Dieren. Het bos groeide over de plaatsen waar de slang was gestorven, maar de onderwereld kwam hiertegen in verzet. Een grote vlam vernietigde het bos, en nu liggen de meren in een woeste vlakte. Bij het de merem was vroeger een heidense heilige plaats, maar nu vertelt men dat daar een gouden kalf verdronken is.

Bron

Gust. van de Wall Perné. 1968. Veluwsche Sagen. Arnhem: Gysbers & Van Loon. [Fotografische herdruk van Veluwsche Sagen 1 en 2 uit 1917, Amsterdam: Scheltens en Giltay]. pp. 19-25.

Commentaar

Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen

Naam Overig in Tekst

Bleeke Meer    Bleeke Meer   

Uunnilo    Uunnilo   

Woldbergen    Woldbergen   

Thunar    Thunar   

Thor    Thor   

Donderaar    Donderaar   

Donderberg    Donderberg   

Uttiloch    Uttiloch   

Witte Meer    Witte Meer   

Mjolnir    Mjolnir   

Mjölnir    Mjölnir   

Mjollnir    Mjollnir   

Mjöllnir    Mjöllnir   

Gouden Kalf    Gouden Kalf   

Naam Locatie in Tekst

Uddel    Uddel   

Uddelermeer    Uddelermeer   

Donar    Donar   

Godenmeer    Godenmeer   

Dieren    Dieren   

Aas    Aas   

Azen    Azen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20