Hoofdtekst
De duivel op vrijersvoeten
De waard van een herberg in de Friese Wouden had een beeldschone dochter. Aan klandizie leed hij dan ook geen gebrek. Elke avond verdrongen de jonge kerels uit de buurt zich om de tap. Er waren er genoeg die een oogje op haar hadden en daar geen geheim van maakten.
Maar als er een te aanhalig werd, zei ze: "Ik trouw met de sterkste. Jullie moeten het maar uitvechten. Ik wil een man hebben, die nog nooit van zijn leven om genade heeft gesmeekt."
Op een avond kwam er een knappe jonge vent binnen, die ze niet eerder hadden gezien. Hij droeg dure kleren en een wandelstok in de hand.
Het meisje vroeg wat hij wilde gebruiken. Hij bood haar ook iets aan, en al gauw waren ze in een druk gesprek.
De mannen uit het dorp bekeken de indringer met scheve ogen en een van hen gaf hem een klap op zijn schouder met de woorden: "Ze wil alleen de sterkste hebben. Zo'n heertje uit de stad komt er niet aan te pas. Als je niet maakt dat je weg komt, breek ik je botten."
"Dat zullen we nog wel eens zien," zei de vreemdeling.
Hij stond op en greep de ander bij de vuist. Zelf vertrok hij geen spier, maar ze hoorden de botjes in de hand van de man die hem had uitgedaagd kraken. Binnen een paar tellen ging hij door de knieën en smeekte om genade.
Een ander stond klaar om het gevecht over te nemen, maar de onbekende leek wel van ijzer en staal. De een na de ander moest het onderspit delven. Op het laatst was er niemand meer die het tegen hem durfde opnemen. Hij ging weer zitten en nam nog een glaasje.
Hij rekende met het meisje af en zei bij het weggaan dat hij de volgende week terugkwam.
Het verhaal ging als een lopend vuurtje rond en een week later stonden de meest gevreesde vechtersbazen uit de buurt klaar om die opschepper mores te leren. Maar de dochter van de waard keek verlangend naar hem uit.
In de volle herberg viel een doodse stilte toen hij binnenkwam. Een beer van een kerel stond voor de deur en versperde hem de weg.
"Ik ga er graag door," zei de vreemdeling.
"Ga je gang," zei de ander, zonder een stap opzij te doen.
De onbekende klemde zijn wandelstok onder de arm, greep zijn tegenstander bij zijn kraag, tilde hem als een veertje van de grond en hing hem bij zijn broekriem aan een spekhaak.
Een van de omstanders, ook een boom van een kerel, trok een hoefijzer van de muur, en zei: "Kun je dit ook?"
Hij brak het hoefijzer doormidden.
De vreemdeling haalde een daalder uit zijn beurs en zei: "Tsjongejonge, wat een kracht. Daar heb ik een halve daalder voor over."
Hij scheurde de munt als een papiertje in tweeën. Daarna overhandigde hij de ene helft met een buiging aan de verblufte krachtpatser uit het dorp. Iedereen stond sprakeloos.
"Ik wil iets bespreken met de dochter van de baas," zei de onbekende. "Als iemand daar wat op tegen heeft, moet hij dat zeggen. Anders hoepelen jullie maar op."
Er was er niet een die bleef zitten.
Toen de laatste de deur uit was, zei de vreemdeling: "Ik wil niet dat jullie hier schade van lijden."Hij legde een goudstuk op de tapkast.
Het meisje keek hem schalks aan en zei: "Waar wil je over praten?"
Hij vond dat ze eerst maar wat moesten drinken.
Daarop ging hij naast haar zitten en zei: "Je hebt gezegd dat je zou trouwen met degene die het sterkst was en nog nooit in zijn leven om genade had gesmeekt. Me dunkt dat je best weet waarover ik wil praten."
Het meisje kreeg een kleur. Ze praatten en dronken nog wat en tenslotte gaf ze hem haar jawoord.
Toen het twaalf uur sloeg, moest hij even naar achteren. Hij liep langs een spiegel, en in die spiegel zag ze dat hij twee hoorntjes op zijn voorhoofd had.
Het was de duivel zelf die haar ten huwelijk had gevraagd.
Toen hij terugkwam, liet ze niets merken. Ze ging op zijn schoot zitten en liet zich door hem aanhalen.
Het duurde niet lang of ze deden het licht uit en gingen de trap op naar haar slaapkamer. Toen hij haar in bed begon te aaien en te kussen, liet ze hem begaan. Maar zodra ze de kans schoon zag, draaide ze onverwachts zijn hele zaakje een halve slag om.
Hij schreeuwde van de pijn en smeekte om genade.
"Je hebt verloren," zei ze. "Ik zou trouwen met iemand, die nog nooit in zijn leven om genade had gesmeekt."
De duivel stormde de trap af. Uit de gelagkamer kwam een lawaai alsof de hele wereld instortte.
Toen ze beneden kwam, stond haar vader met zijn handen in het haar. De spiegel en al het glaswerk lagen aan diggels.
"Meisje, meisje...," zei hij, "hou toch op met die kunsten. Nu zie je wat er van komt. Waarom neem je niet een jongen uit het dorp?"
Dat deed ze. En op de trouwdag gaf ze het goudstuk, dat ze van de duivel had gekregen, aan de dominee om het onder de armen te verdelen.
(Friesland)
De waard van een herberg in de Friese Wouden had een beeldschone dochter. Aan klandizie leed hij dan ook geen gebrek. Elke avond verdrongen de jonge kerels uit de buurt zich om de tap. Er waren er genoeg die een oogje op haar hadden en daar geen geheim van maakten.
Maar als er een te aanhalig werd, zei ze: "Ik trouw met de sterkste. Jullie moeten het maar uitvechten. Ik wil een man hebben, die nog nooit van zijn leven om genade heeft gesmeekt."
Op een avond kwam er een knappe jonge vent binnen, die ze niet eerder hadden gezien. Hij droeg dure kleren en een wandelstok in de hand.
Het meisje vroeg wat hij wilde gebruiken. Hij bood haar ook iets aan, en al gauw waren ze in een druk gesprek.
De mannen uit het dorp bekeken de indringer met scheve ogen en een van hen gaf hem een klap op zijn schouder met de woorden: "Ze wil alleen de sterkste hebben. Zo'n heertje uit de stad komt er niet aan te pas. Als je niet maakt dat je weg komt, breek ik je botten."
"Dat zullen we nog wel eens zien," zei de vreemdeling.
Hij stond op en greep de ander bij de vuist. Zelf vertrok hij geen spier, maar ze hoorden de botjes in de hand van de man die hem had uitgedaagd kraken. Binnen een paar tellen ging hij door de knieën en smeekte om genade.
Een ander stond klaar om het gevecht over te nemen, maar de onbekende leek wel van ijzer en staal. De een na de ander moest het onderspit delven. Op het laatst was er niemand meer die het tegen hem durfde opnemen. Hij ging weer zitten en nam nog een glaasje.
Hij rekende met het meisje af en zei bij het weggaan dat hij de volgende week terugkwam.
Het verhaal ging als een lopend vuurtje rond en een week later stonden de meest gevreesde vechtersbazen uit de buurt klaar om die opschepper mores te leren. Maar de dochter van de waard keek verlangend naar hem uit.
In de volle herberg viel een doodse stilte toen hij binnenkwam. Een beer van een kerel stond voor de deur en versperde hem de weg.
"Ik ga er graag door," zei de vreemdeling.
"Ga je gang," zei de ander, zonder een stap opzij te doen.
De onbekende klemde zijn wandelstok onder de arm, greep zijn tegenstander bij zijn kraag, tilde hem als een veertje van de grond en hing hem bij zijn broekriem aan een spekhaak.
Een van de omstanders, ook een boom van een kerel, trok een hoefijzer van de muur, en zei: "Kun je dit ook?"
Hij brak het hoefijzer doormidden.
De vreemdeling haalde een daalder uit zijn beurs en zei: "Tsjongejonge, wat een kracht. Daar heb ik een halve daalder voor over."
Hij scheurde de munt als een papiertje in tweeën. Daarna overhandigde hij de ene helft met een buiging aan de verblufte krachtpatser uit het dorp. Iedereen stond sprakeloos.
"Ik wil iets bespreken met de dochter van de baas," zei de onbekende. "Als iemand daar wat op tegen heeft, moet hij dat zeggen. Anders hoepelen jullie maar op."
Er was er niet een die bleef zitten.
Toen de laatste de deur uit was, zei de vreemdeling: "Ik wil niet dat jullie hier schade van lijden."Hij legde een goudstuk op de tapkast.
Het meisje keek hem schalks aan en zei: "Waar wil je over praten?"
Hij vond dat ze eerst maar wat moesten drinken.
Daarop ging hij naast haar zitten en zei: "Je hebt gezegd dat je zou trouwen met degene die het sterkst was en nog nooit in zijn leven om genade had gesmeekt. Me dunkt dat je best weet waarover ik wil praten."
Het meisje kreeg een kleur. Ze praatten en dronken nog wat en tenslotte gaf ze hem haar jawoord.
Toen het twaalf uur sloeg, moest hij even naar achteren. Hij liep langs een spiegel, en in die spiegel zag ze dat hij twee hoorntjes op zijn voorhoofd had.
Het was de duivel zelf die haar ten huwelijk had gevraagd.
Toen hij terugkwam, liet ze niets merken. Ze ging op zijn schoot zitten en liet zich door hem aanhalen.
Het duurde niet lang of ze deden het licht uit en gingen de trap op naar haar slaapkamer. Toen hij haar in bed begon te aaien en te kussen, liet ze hem begaan. Maar zodra ze de kans schoon zag, draaide ze onverwachts zijn hele zaakje een halve slag om.
Hij schreeuwde van de pijn en smeekte om genade.
"Je hebt verloren," zei ze. "Ik zou trouwen met iemand, die nog nooit in zijn leven om genade had gesmeekt."
De duivel stormde de trap af. Uit de gelagkamer kwam een lawaai alsof de hele wereld instortte.
Toen ze beneden kwam, stond haar vader met zijn handen in het haar. De spiegel en al het glaswerk lagen aan diggels.
"Meisje, meisje...," zei hij, "hou toch op met die kunsten. Nu zie je wat er van komt. Waarom neem je niet een jongen uit het dorp?"
Dat deed ze. En op de trouwdag gaf ze het goudstuk, dat ze van de duivel had gekregen, aan de dominee om het onder de armen te verdelen.
(Friesland)
Beschrijving
De dochter van de waard wil trouwen met de sterkste man, iemand die nog nooit om genade heeft gesmeekt. Een onbekende man laat zijn kracht zien. De een na de ander druipt af. Het meisje zegt met hem te trouwen. Dan ziet ze dat de man twee hoorntjes op zijn hoofd heeft. Het is de duivel zelf die haar ten huwelijk heeft gevraagd. 's Nachts neemt ze wraak als ze zijn geslachtsdeel hardhandig omdraait. Hij smeekt om genade en rent het huis uit.
Bron
E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen. Bussum 1980, p. 126
Commentaar
1980
Bron: Y. Poortinga: It fleaned skip, Baarn / Ljouwert 1977, p.181-183
Een schippersverhaal, dat Poortinga in 1975 door Steven de Bruin werd verteld en als ballade bekend staat onder de naam "It kastleinske ut 'e Hossebos". Een soortgelijk verhaal van een meisje, dat zich door de duivel in laat palmen en pas op het laatste ogenblik ontdekt wie ze voor zich heeft, vinden we ook terug bij Waling Dykstra. (E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen, Bussum 1980, p. 164)
Een schippersverhaal, dat Poortinga in 1975 door Steven de Bruin werd verteld en als ballade bekend staat onder de naam "It kastleinske ut 'e Hossebos". Een soortgelijk verhaal van een meisje, dat zich door de duivel in laat palmen en pas op het laatste ogenblik ontdekt wie ze voor zich heeft, vinden we ook terug bij Waling Dykstra. (E. de Jong & P. Klaasse: Sagen en Legenden van de Lage Landen, Bussum 1980, p. 164)
Naam Overig in Tekst
Friese Wouden   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
