Een stadsbeul vraagt een timmerman om een nieuwe galg te maken. Deze weigert omdat de oude nog steeds niet betaald is. De beul waarschuwt de heren van de stad die zich er nu bij de timmerman over beklagen, dat hij voor hen een nieuwe galg maken wil.…
(a) roept een podagrist, (a1) iemand met o-benen tegen een man die opgehangen worden zal. (b) "En ik je hals, (b1) ik wil ze je wel nalaten, als ik voor een kwartier je hals lenen mag", antwoordt de arme zondaar.
(a) Met deze motivatie weigert een moordenaar (Ruurd Passchier van Dijk), die opgehangen worden zal, (a1) Biesterveld op zijn sterfbed, geestelijke bijstand van een dominee.
"Het is mijn eerste keer", zegt een beul tegen een man die hij moet ophangen, "maar ik zal mijn best doen". "Het is mijn eerst keer ook", antwoordt het slachtoffer, "we moeten samen maar proberen er het beste van te maken".
Een veroordeelde wordt zijn vonnis voorgelezen, dat hij gehangen worden zal. "Ik zal mij aan het lot overgeven", antwoordt hij, "maar ik verzeker u, dat ik het niet uithoud".
Een poep die opgehangen worden zal vraagt de beul om hem de strop onder de armen te leggen, in plaats van om de hals: hij kan niet tegen kietelen aan de hals en is bang dat hij zich in dat geval dood zal lachen.
(a) roept de beul uit als bij een ophanging de strop breekt, (b) die door een vijand van hem met sterk water bestreken is. (c) "Mij ook niet", antwoordt het slachtoffer, (d) die daarop door de rechters begenadigd wordt.
(a) Een terdoodveroordeelde mag voor hij opgehangen wrodt nog een pijpje roken. Als het zo ver is legt hij de nog brandende pijp op (tegen) de galg. (b) Op het laatste moment krijgt hij nog pardon, (b1) de strop breekt en hij valt levend onder de…
(a) Een man, (a1) mannen, (a2) Jan Hepkes, graaft (graven) (b) een put, (b1) sloot, te diep. (c) Een generaal van koning Radboud springt in een put, om na te gaan of de overlevering, dat deze aan de andere kant van de wereld uitkomt, klopt. (d) Hij…
(a) Een maaier, (a1) poep, (a2) Feitse Brants, (a3) Jan Hepkes, (a4) Jelle de Wal, maait zo goed, (b) hij maait met zijn zeit de kop van zijn (een) ijzeren haarspit, (b1) in een zwaai 3 haarspitten tegelijk doormidden, (b2) 2 keer achterelkaar de kop…
(a) Jan Hepkes, (a1) Feitse Brants, (a2) een man, maait zo goed, (b) als hij een keer vergeten heeft om de snedebeschermer, (b1) de zak die als zodanig dienst doet, van de zeis te nemen, (c) dan maait hij gewoon door zonder dat hij dit merkt, (c1)…
(a) Een man, (a1) jongen, (a2) hooier, (a3) bunzingjager, (a4) Feitse Brants, wordt aangevallen door een stier. (b) Hij smijt het dier eerst een vuursteen, (b1) keisteen, (b2) stuk ijzer, de bek in, daarna snel een (andere) vuursteen het achterwerk…
(a) Münchhausen, (a1) een man, moet buiten in de sneeuw overnachten. (b) Hij bindt zijn paard aan een ijzeren kruis, (b1) paaltje. (c) Als hij de volgende ochtend ontwaakt is de sneeuw gesmolten, hij ligt op het kerkhof en zijn paard hangt aan de…
Twee honden van een jager verdwijnen op een dag een spoor volgend en komen niet terug. Een jaar later vindt zijn knecht in het riet het geraamte van een haas. Links en rechts ernaast staan de geraamten van de beide honden [X1215.9]
Pas na een zeer lange jacht lukt het Münchhausen een bepaalde haas te schieten. Het blijkt dat het dier naast zijn 4 gewone benen er ook nog 4 op de rug heeft zodat het telkens van benen kon wisselen en nooit moe werd.
(a) Tijdens een strenge winter is er een metersdik pak sneeuw gevallen en Jan Hepkes begint (b) met anderen (c) een tunnel te graven van zijn woonplaats Surhuisterven naar Kootstertille, (c1) Buitenpost, (c2) Drogeham, (c3) een ongenoemde plaats. (d)…
(a) Jan Hepkes, (a1) Feitse Brants, (a2) een man, urineert op een winterdag buiten. Het is zo koud, de urinestraal bevriest onmiddellijk en blijft als een (kromme) stok staan [X1623].
(a) Een man, (a1) boer, (a2) Jan Hepkes, vertelt, (a3) in het "Museum des Wondervollen" leest men: (b) "Twee vechtende honden, (b1) beren, (b2) wolven, hebben elkaar opgevreten, (c) alleen de 2 staartpunten (staarten), (c1) wat haren, bleven er over"…
(a) Het paard, (a1) een van de 3 paarden, (b) van een paardetram, (b1) postkoets, (b2) koopman, (b3) vrachtrijder, sterft onderweg. (c) Gewoontegetrouw loopt het dier door naar de normale eindbestemming, (c1) de kroeg waar zijn baas altijd aansteekt…
(a) Een eenvoudige knecht (arbeider), bijv. Brandsma geheten, blijkt iedereen te kennen, (a1) 3 broers beweren dat iedereen hen kent [X905]. (b) Twee keer als belangrijke (koninklijke) bezoekers bij zijn werkgever komen blijkt dat ze hem kennen en…
(a) Een man schaatst in een wak. Door zijn grote snelheid schiet hij onder water door en kan hij kilometers verderop in een ander wak weer uit het water komen. (a1) Een man valt overboord en komt aan de andere kant van zijn boot weer boven water. (b)…
(a) Een man, (a1) Jan Hepkes, (a2) Jelle de Wal, (b) kan zó hard fietsen, (b1) roeien, (b2) met zijn hondekar, als hem op een keer een regen- of onweersbui achterop komt weet hij deze net voor te blijven. (c) Alleen het achterste van zijn fiets,…