Toen Tijl Uilenspiegel nog een kind was, kwam er een ruiter langs toen hij alleen thuis was. De man vroeg of er iemand was. Tijl antwoordt: ja, anderhalve man en een paardenkop, Tijl legt uit waar zijn ouders zijn, en adviseert de man om te rijden…
Een man te paard kijkt het huis van Uilenspiegel in en vraagt wie er thuis is. De jonge Uilenspiegel antwoordt: anderhalve man en een paardenkop. Hierna vraagt de man naar zijn ouders, en hij vraagt de weg. Uilenspiegel laat hem de ganzen volgen.