Een jongen die blootsvoets rondliep, werd bang gemaakt voor de tenensnijder die zijn tenen zou komen afsnijden. Daarna trok de jongen snel zijn sokken en schoenen aan.
Wanneer de heilige zich in de winter, als de sneeuw hoog lag, blootvoets door de koude naar een kerk of kapel begaf, dampten zijn voeten, alsof een ketel water op het vuur stond; zo toonde zich uiterlijk, van welk een laaiende devotie hij van binnen…