De verteller heeft ooit een hoepelslang gezien. De slang - zo dik als zijn pols - rolt met zijn staart in de bek als een wiel over de weg. De slang gaat sneller dan een fiets.
Een slangenkoning draagt een kroontje op zijn kop. Als je op hem trapt, begint hij te fluiten. Dan komen alle andere slangen op je af. Het zijn hoepelslangen. Ze kunnen zich heel snel voortbewegen. Je moet dan vliegensvlug je jas uittrekken en die…
Een man wilde eens een slang doodslaan, maar hij sloeg mis. Het was namelijk een koningsslang, en die is onkwetsbaar. De slang had een kroontje op zijn kop. Hij ging op zijn staart staan en begon te fluiten. Van alle kanten kwamen er hoepelslangen…