Hoofdtekst
In de 11e eeuw was alles in de omstreken der stad nog woest en wild, en een goed gedeelte der Dendervallei nog met bosch bedekt. Een rijk koopman van Leuven, vergezeld van zijn twee knechten verdwaalde er eens gedurende een hevig onweder. Plotselings vielen zijn beide knechten die hem vergezelden, door den bliksem getroffen, dood nevens hem neder. In zijn angst beloofde hij, Onze Lieve Vrouw op dezelfde plaats een kapel te bouwen, mocht hij aan het gevaar ontkomen en zijn huisgezin wederzien. Even onverwachts was het onweder op eens bedaard; doch hoe verschrikte de koopman toen hij in zijn geldkistje, dat een gewichtige som in zilver inhield, niets meer dan keisteenen vond. Hij zag hierin echter een les des Hemels, en keerde terug naar Leuven. Hier wachtte hem niets dan ongeluk: hij vond zijn woning afgebrand en zijn huisgenooten erg ziek. Aan zijn belofte getrouw, niettegenstaande al het onheil waarmede God hem overlaadde, nam hij den stok en den bedelzak, om bij middel van aalmoesen het noodige geld tot het bouwen zijner kapel te vergaren. Telkens wanneer hij een zekere som bijeengebracht had, droeg hij die naar de plaats waar het mirakel gebeurd was, en verborg het geld in een hol van den berg. Hij had bijna genoeg, toen zijn schat hem buiten zijne weet ontroofd werd.
Het goud was namelijk gevonden geworden door een zekeren Geeraard, broeder van den heer van Vianen. Deze beminde Alix, de dochter van den heer van Boulaere. Het meisje werd hem evenwel niet toegestaan voor hij zelve een slot bezat. Geeraard, om tot dit doel te komen, nam zijn toevlucht tot een broedermoord; op zekeren dag stootte hij zijn broeder in een afgrond, die zich op een der hellingen van den berg bevond. Doch zijn misdaad mocht hem niet baten: weinig tijd daarna bracht de vrouw des vermoorden een knaapje ter wereld. Geeraard dwaalde eens in de bosschen rond, toen hij bij toeval struikelde, en zijn voet tegen een holte slootte, waarin hij een zonderling geluid meende te hooren. Hij keek toe en vond den schat. Hij bouwde zich dan ook op de helling van den berg een schoon slot, drong aan op zijn bede bij den vader van Alix, en verkreeg de hand der jonkvrouw; doch op het oogenblik dat hun huwelijk ging ingezegend worden, zeeg het meisje dood op de trappen van het altaar neder.
Sedert bracht Geeraard het leven eenzaam door op zijn slot. Op zekeren dag kwam de Graaf van Vlaanderen en Henegouwen hem opzoeken, en terwijl zij op jacht waren op den berg, ontmoette Geeraard den kluizenaar, van wien hij de gansche geschiedenis van den schat vernam. Toen hij mede aan den broedermoord herinnerd werd, welke hem door de volksstem toegeschreven werd, voelde hij zich op eens door zulke wroeging aangegrepen, dat hij den kluizenaar beloofde hem het noodige geld te bezorgen. Hij verkocht inderdaad zijn slot aan Boudewijn Vl, en behandigde een gewichtige som aan den kluizenaar, terwijl hij zelf zich in een klooster in Italië ging opsluiten. Twee jaren later verhief zich op den berg een prachtige kapel.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Coomans   
Richildis   
Dendervallei   
God   
Onze Lieve Vrouw [Maria]   
Geeraard   
Boulaere   
Henegouwen   
Boudewijn VI   
Naam Locatie in Tekst
Geeraardsbergen   
Leuven   
Vianen   
Alix   
Vlaanderen   
Italië   
