Hoofdtekst
-- Mijn klein Roodkapje, sprak moeder op een mooien zomermorgen, hier zijn koeken en een flesch ouden wijn. Breng dit even naar grootmoeder. Ze is zoo ziek en zwak en dat zal haar versterken. Haast je, lieveling, dat je op weg bent vóór de groote hitte opkomt. Blijf niet in het bosch spelen, want dan zou je kunnen vallen en de flesch breken, en dan had je arme grootmoeder niets. En wanneer je in de kamer komt, vergeet dan niet eerst grootmoeder te groeten vooraleer overal rond te kijken. En zie je dan dat je 'n handje kunt toesteken om wat orde te brengen in het huisje, laat dan maar vlug zien dat je je handen uit de mouwen steken kunt... Dat zou nu eens een verrassing zijn voor grootmoeder!
-- Ik wil een groote meid zijn, beloofde Roodkapje en begaf zich op weg.
Doch eerst kreeg ze nog een dikken kus, want grootmoeder woonde in een klein huisje, op een half uur gaans van 't dorp. Nauwelijks was Roodkapje in 't bosch, of ze ontmoette den wolf. Daar ze niet wist wat een boos dier het was, had het meisje geen angst en verborg het zich niet voor hem.
-- Goeden dag, Roodkapje, sprak hij.
-- Goeden dag, Wolf.
-- Waar ga je toch zoo vroeg naartoe ?
-- Naar grootmoeder.
-- En wat draag je onder je schortje ?
-- Koekjes en wijn. Gisteren hebben we gebakken. Dat zal mijn zieke en oude grootmoeder goed doen en haar wat versterken.
-- Roodkapje, waar woont je grootmoeder?
-- Nog een goed kwartier verder in 't bosch, onder de drie groote eiken ; daar staat een huisje, omringd door noteboomen. Jij die altijd in 't bosch bent, moet dat toch weten!
De wolf dacht bij zichzelf: Dat jonge, malsche ding zou me een extra brokje zijn en veel beter smaken dan het oudje ; als ik slim ben, kan ik de twee wel snappen. Dan liep hij een eindje met Roodkapje mee en sprak :
-- Roodkapje, kijk eens wat mooie bloemen je omringen! Zeker heb jij ze niet opgemerkt. Ik geloof zelfs dat je haast niet hoort, hoe schoon de vogeltjes zingen ! Je loopt zoo snel, alsof je op weg naar school waart. En 't is toch zoo lustig in 't bosch te slenteren !
Roodkapje sperde haar oogen wijd open en toen ze bemerkte hoe de zonnestralen door 't gebladerte dansten, en alles vol mooie bloemen stond, dacht ze : Als ik voor grootmoeder een versch geplukten ruiker meenam, dat zou haar plezier doen. 't Is nog zoo vroeg dat ik zeker op tijd kom, zelfs als ik me hier een weinig ophoud. Ze liep het bosch in en begon bloemen te plukken. Pas had ze er één gevonden, of ze dacht verder een mooiere te zien, liep er heen en geraakte zoo steeds dieper en dieper in 't bosch.
De wolf echter rende recht naar grootmoeders huis, zonder tijd te verliezen, en klopte aan de deur. Wie is daar ? Roodkapje, met wijn en koekjes. Doe open, grootmoedertje ! Druk zelf maar op de klink, riep grootmoeder, ik ben zoo zwak en kan niet opstaan. De wolf duwde op de klink en de deur sprong open. Dan ging hij zonder een woord te zeggen naar grootmoeders bed en verslond haar. Daarna trok hij grootmoeders kleeren aan, zette haar muts op, schoof de gordijnen toe en legde zich te bed.
Roodkapje had onverpoosd bloemen gezocht, en toen ze er zooveel bijeenhad, dat ze er niet méér dragen kon, dacht ze opeens terug aan grootmoeder... Gansch onthutst zoo ongehoorzaam geweest te zijn aan moeder, haastte zij zich op weg. Het verwonderde haar de deur open te vinden, en toen ze in de kamer trad, kwam haar alles zoo vreemd voor, dat haar hartje begon te bonzen : Lieve deugd ! Hoe angstig wordt 't mij te moede... en gewoonlijk ben ik zoo gelukkig bij grootmoeder ! Ze riep snel :
-- Goeden morgen, grootmoeder!
Maar ze bekwam geen antwoord. Daarop ging ze naar 't bed en opende de gordijnen. Daar lag grootmoeder te rusten, de muts diep over het gezicht getrokken. Ze zag er zoo vreemd uit, dat Roodkapje haar verwondering moest uiten :
-- Ei, grootmoeder, wat hebt U groote ooren !
-- ’t Is om je beter te hooren, mijn kind.
-- Ei, grootmoeder, wat hebt U toch groote handen !
-- ’t Is om je beter te kunnen omhelzen, mijn kind.
-- Maar, grootmoeder, wat hebt U toch een grooten mond !
-- 't Is om je beter te kunnen opeten, mijn kind.
En de stoute wolf sprong uit het bed en verslond het arme Roodkapje. Toen de wolf zijn vraatzucht bevredigd had, legde hij zich terug te bed, sliep in en begon verschrikkelijk luid te snorken.
Een jager kwam juist voorbij het huis en dacht : Wat snorkt die oude vrouw toch ; ik moet even kijken of haar niets gebeurd is. Hij trad de kamer binnen, ging tot bij 't bed en bemerkte, tot zijn groote verwondering, dat het de wolf was die zoo snorkte.
-- Vind ik je hier, oude zondaar ; ik heb je lang genoeg gezocht.
Hij wou zijn geweer schouderen, maar eensklaps schoot het hem te binnen, dat de wolf grootmoeder wel moest verslonden hebben, en misschien was ze nog te redden. Hij wierp zijn wapen terug over zijn schouder, greep zijn jachtmes en begon den buik van den slapenden wolf open te snijden. Na een paar sneden, kwam een rood fluweelen kapje te voorschijn ; nog eenige sneden en 't meisje kwam heelhuids voor den dag, en riep :
-- Lieve hemel, wat ben ik geschrokken en wat was het donker in den buik van den wolf !
Vervolgens was het grootmoeders beurt, gelukkig nog levend, al was ze bijna versmacht.
Roodkapje ging vlug dikke steenen rapen ; daarmee vulden ze den buik van den wolf. Na zijn dutje wou hij opspringen, maar de steenen waren zóó zwaar, dat hij uit het bed viel en op slag doodbleef.
Alle drie waren ze hèel gelukkig. De jager stroopte den wolf en trok met den pels naar huis. Grootmoeder at de koekjes en dronk den wijn, door Roodkapje meegebracht, en dat herstelde vlug haar krachten. En Roodkapje dacht : Ik wil mijn leven lang niet meer in 't bosch loopen, wanneer moeder me zulks verboden heeft !
Men vertelt ook dat, korten tijd nadien, toen Roodkapje terug koekjes naar grootmoeder droeg, een andere wolf haar aansprak en trachtte haar van 't goede pad af te brengen. Maar Roodkapje haastte zich en liep snel door. Zoodra ze bij grootmoeder aankwam, vertelde ze haar ontmoeting met den wolf. Dat hij haar een goeden dag gewenscht had, maar haar intusschen met zoo een begeerig oog bekeken had : ware ze niet in een open plaats geweest, hij had haar zeker opgegeten !
-- Kom, zei grootmoeder, laten we de deur sluiten, dat hij niet binnen kan.
Kort daarop klopte de wolf en riep :
-- Doe open, grootmoe, 't is Roodkapje met gebak ...
Ze hielden zich stil en openden niet. Dan sloop Izegrim verschillende malen rond het huis en sprong eindelijk op het dak om te wachten tot Roodkapje's avonds naar huis ging. Hij zou haar dan heimelijk nasluipen en in het donker opsmullen. Gelukkig ontdekte grootmoeder zijn boos plan.
Nu stond voor het huis een groote steenen trog, die diende om het regenwater van het dak op te vangen. Grootmoeder sprak tot het kind :
-- Neem een emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, en giet dat water in den trog.
Roodkapje droeg zoo lang, tot de groote, groote bak gansch vol was. De heerlijke geur van de worsten kittelde den neus van den wolf. De gulzigaard snuffelde en snoof, en reikte zijn hals zóó ver, dat hij zich niet meer houden kon en van het dak begon af te schuiven tot hij in den trog terechtkwam en verdronk.
Roodkapje ging dan vroolijk naar huis en was haar leven lang een voorbeeld van lieftallige gehoorzaamheid.
Onderwerp
ATU 0333 - Little Red Riding Hood   
AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   
Beschrijving
Bron
KB: KW GW A100123
Collectie Roodkapje/Karsdorp
Motief
J21.5 - ”Do not leave the highway“:   
B211.2.4 - Speaking wolf.   
K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   
Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   
Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   
Commentaar
Bevat Roodkapje; De gelaarsde kater; Janneke en Mieke (Hans en Grietje); Klein Duimpje
Naam Overig in Tekst
Roodkapje   
Izegrim   
