Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ROODKAPJE397 - Roodkapje

Een sprookje (boek), 1937

Hoofdtekst

Roodkapje
Er was eens een lief klein meisje -- zó lief, dat alle mensen van haar hielden om haar vriendelijkheid. Maar geen mens was zó dol op haar, als haar grootmoeder. Die wist niet wat ze zou doen om het lieve kind pleizier te doen en ze bedacht telkens allerlei aardige verrassingen voor haar. Elke keer, als er een pakje van Grootmoe kwam, begon ze al te dansen van de pret, en dan had je haar blij gezichtje eens moeten zien, als ze 't uitpakte! Ja, die grootmoe wist altijd precies, waarmee ze haar kleindochtertje pleizier kon doen. Maar 't meest in haar schik was het kleine meisje toch met een kapje van rood fluweel. “O, o," riep ze, “wat is dat mooi! Die lieve grootmoe toch, hé moeder?" “Ja kind, je hebt een beste grootmoe. Maar -- wacht eens, laat ik je dat kapje eerst eens opzetten, om te zien of 't je wel past!" Ja, het paste haar precies en ze vond het zelf zo prachtig, dat ze 't altijd op wou hebben. Nu duurde 't niet lang, of alle mensen noemden haar “Roodkapje"; ze leken heus te vergeten dat haar eigenlijke naam “Marietje" was.
Op een goeie dag, toen ze buiten aan 't spelen was, riep haar moeder dan ook: “Roodkapje! Roodkapje, waar ben je toch?" “Hier moeder," antwoordde een vrolijk stemmetje, -- en daar stond ze al in de kamer. “Kijk eens hier, kindje," zei de moeder, “ik heb gister een stuk van mijn verjaardagstaart op zij gelegd voor grootmoe. Het ligt in dit mandje, met een flesje wijn er bij. Dat zal grootmoe goed doen, want ze is tegenwoordig toch zo zwak! Maak je maar gauw klaar, dan mag jij 't haar brengen. Prettig, hé? “Nou!" riep Roodkapje en ze ging zich vlug wat opknappen en haar gezichtje en handjes wassen. “Ziezo," zei moeder, “als je nu onderweg niet treuzelt, dan kan je nog net bij grootmoe zijn voordat 't zo erg heet wordt! En pas op, dat je niet struikelt over de boomwortels; want als je valt dan breekt de fles en dan loopt al die lekkere wijn weg; en dan heeft lieve grootmoe niets meer!" “Ja, moe!" “En als je bij grootmoe binnenkomt, zal je dan dadelijk “Dag grootmoe!" zeggen en niet eerst overal in de kamer rondkijken?" “Ja moe." -- En Roodkapje wou de deur al uitgaan, maar moeder pakte haar nog net bij een slip van haar rokje en zei nu heel ernstig: “Zal je me ook beloven dat je recht door zult lopen en geen bloemetjes plukken onderweg?”
“Ja moe.” “En zal je op de grote weg blijven en geen zijpaadjes inslaan, om eerder bij grootmoe's huisje te komen?" “Hé, moe, waarom mag ik dat nou niet?" “Dat zal ik je zeggen: er zwerft tegenwoordig een wolf in 't bos en die durft zich natuurlijk niet vertonen op de grote weg, waar dikwijls mensen en karren langs komen. Dat begrijp je zeker wel?" “Ja moe," zei Roodkapje van uit het tuintje -- want ze had moeders laatste woorden niet eens meer verstaan en ze zei maar gauw: “ja" omdat ze wel begreep dat moeder dit verwachtte.
't Was prachtig weer en Roodkapje had echt zin in het tochtje. Grootmoe woonde wel een half uur ver midden in 't bos -- en de vogeltjes zongen daar zo mooi, en er groeiden allemaal van die fijne bloemen die je daarbuiten in 't veld nooit zag. Roodkapje was bijna gaan huppelen zo blij was ze. -- Maar nee, dan kon het flesje wel breken en dan liep al die lekkere wijn weg! En dan moest die lieve grootmoe maar zwak blijven! Ze bleef ook braaf op de grote bosweg en keek maar niet te veel naar de bloemen, die overal tussen 't mos doorkeken.
Toen ze een poosje gelopen had, kwam ze den Wolf tegen. Maar ze had er nooit eerder een gezien en ze dacht dat 't een hond was. “Dag Roodkapjel" zei de wolf. “Dag grote, hond." “Waar ga je naar toe, Roodkapje?" “Naar Grootmoe." “En wat heb je daar in dat mandje?” “Een stuk taart en een flesje wijn. Grootmoe is ziek geweest, zie je? En als ze de wijn nu opdrinkt, dan wordt ze weer sterk, zegt moe.” “Zo?" zei de wolf, “en waar woont die grootmoe van jou?"
“Nog een eindje verder, ’t bos in, vlak bij de drie grote eikebomen, en achter ’t huisje staan een heleboel hazelnootstruiken. Weet je 't nu, hond?” De wolf antwoordde niet. Hij dacht bij zichzelf: "Dat kind is een lekker hapje! Zij zal me nog beter smaken dan dat oude vrouwtje. Maar -- ik zou ze eigenlijk allebei wel lusten. Laat ik eens bedenken, hoe ik dat klaarspelen kan." En hij liep een poosje stil naast haar, alsmaar te denken en te denken. Eindelijk wist hij er wat op: "Kijk eens, Roodkapje," riep hij opeens, "wat staan dáár mooie bloemen -- moet je die niet plukken ? En, hoor je de lieve vogeltjes wel zingen ? Je loopt maar rechtuit, rechtaan, net of je naar school toe gaat. En 't is hier toch zo heerlijk in 't bos !" Roodkapje, die tot nu toe aldoor gedacht had aan alles, wat ze haar moeder had beloofd, keek nu voor 't eerst eens om zich heen. En toen ze nu de zonnestralen door de boomtakken heen en weer zag dansen en al de mooie bloemen, die daar bloeiden tussen 't mos, toen dacht ze op eens: "Ik weet wat! Ik zal een mooie ruiker plukken voor Grootmoe! Wat zal Grootmoe daar blij mee zijn, ze houdt zoveel van bloemen! -- 't Kan nog best, hoor! 't Is nog vroeg genoeg en als ik een beetje vlug ben met plukken, kom ik nog best op tijd." En ze begon te plukken en te plukken en dwaalde van de grote bosweg af. Telkens dacht ze bij zichzelf: "Nu heb ik bloemen genoeg!" Maar dan zag ze verderop nog weer andere staan, die haar nog véél mooier leken. Ja, zó hield Roodkapje haar belofte ....
Maar ondertussen was de wolf op een draf naar grootmoe's huisje gelopen.
“Klop -- klop,- klop!" “Wie is daar?” riep Grootmoe met haar zwakke stem. “Ik ben ’t, Grootmoe -- Roodkapje. Ik kom u een stuk taart brengen en een flesje wijn!” “Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur wel opengaan. Ik lig in bed en kan niet opstaan, zie je?" Goed, de wolf trok aan het touwtje, de deur sprong open en -- toen nam die boze wolf een sprong en slokte de hele grootmoe in. Daarna trok hij haar nachtjak aan, zette haar witte muts op zijn donkere kop, kroop onder de dekens en trok de gordijnen dicht.
Ondertussen had Roodkapje genoeg bloemen geplukt naar haar zin en nu zag ze opeens, dat ze al op 't smalle bospad naar grootmoe's huisje stond. Dat pad had moeder haar verboden, maar ja, ze kon nu toch niet eerst meer dat hele eind teruglopen naar de grote weg ! -- Vooruit dan maar! Daar zag ze de drie grote eiken al en -- meteen stond ze ook al voor 't huisje! “Klop -- klop —- klop!” “Wie is daar?" “Ik ben ’t, Grootmoe -- Roodkapje! Ik kom u een lekker stuk taart brengen en een flesje wijn!" “Trek maar aan het touwtje, dan zal de deur wel opengaan! Ik lig in bed en kan niet opstaan." Roodkapje trok aan het touwtje, de deur sprong open -- en daar stond ze al in grootmoe's gezellig kamertje. “Nu niet eerst rondkijken," dacht ze, en ze riep vrolijk: “Dag Grootmoe!" Maar 't was toch net of 't hier niet zo was als anders. “’t Lijkt wel of ik bang ben," dacht ze. “Wat scheelt mij toch vandaag? Anders ben ik toch altijd even blij, als ik bij Grootmoe kom." “Dag Grootmoe!" zei ze nog eens weer. Maar uit het bed kwam geen antwoord. Vreemd toch! Waarom zei die lieve Grootmoe nu geen woord? Ze liep naar ’t bed toe en schoof de gordijnen open. Ja, daar lag Grootmoe! Maar ze had de grote witte nachtmuts zó ver over haar gezicht getrokken, dat Roodkapje haar niet goed kon aankijken. “Hé, Grootmoe," zei ze, “wat heb je toch grote oren!” “Dat is om je beter te kunnen horen," zei Grootmoe. Maar wat klonk die stem toch vreemd! Grootmoe was zeker weer heel erg ziek geworden, dat ze zó praatte! “O, Grootmoe, en wat heb je grote ogen!" “Dat is om je beter te kunnen zien.” “Maar -- zeg, Grootmoeder, wat heb je grote handen!” “Dat is om je beter te kunnen pakken!" “En o, lieve Grootmoe, wat heb je een vreselijk grote mond!” “Dat is om je beter te kunnen opslokken!" -- En pas had de wolf dit gezegd, of hij nam een sprong en slokte het hele lieve kleine meisje zo maar in -- met huid en haar en met haar mooie roodfluwelen kapje op! “Ziezo," zei hij, “nu eerst nog eventjes uitrusten!” Hij kroop weer in bed en nu duurde 't niet lang, of zijn ogen vielen dicht en -- snorken dat hij deed! -- Vreselijk! Vreselijk!
Juist kwam daar de jager voorbij en die dacht bij zichzelf: “Wat maakt dat oude vrouwtje vreemde geluiden! Zou haar iets schelen? Ik zal maar eens gaan kijken!" En hij trok aan het touwtje, (dat had hij wel eens eerder gedaan als hij de oude vrouw kwam opzoeken) de deur sprong open en daar stond de jager! O, o, en wat zag hij daar? Daar lag me waarlijk de wolf in bed te slapen -- en de nachtmuts van 't oude vrouwtje had hij op zijn lelijke kop! “Zo zo?" zei de jager, “daar vind ik je eindelijk, jij oude zondaar! Een hele tijd lang heb ik al jacht op je gemaakt, maar nu ontkom je me niet meer!" En hij nam zijn geweer van de schouder, legde aan en -- juist wou hij de haan overhalen .... maar toen dacht hij opeens: “Wacht, eerst eens kijken! 't Kan best wezen dat die ouwe deugniet het vrouwtje heeft ingeslikt! Waarom zou hij anders haar muts ophebben?" Hij bedacht zich even, haalde de grote schaar uit grootmoe's tafella en sloop stilletjes naar 't bed toe. “Knip!” zei de schaar -- “knip -- knip -- knip!” -- En ja waarlijk, daar bewoog iets in de buik van het ondier! Nog een paar knippen en -- wip! daar sprong Roodkapje te voorschijn. “Dag jager,” zei ze, “o, o, wat ben ik geschrokken en wat was ik bang in die wolf zijn buik! 't Was zo vreselijk donker daarbinnen." Maar de jager had al gemerkt dat de wolf nog iemand anders verslonden moest hebben. Er bewoog nòg altijd iets in die buik! Hij knipte die nu nog wat verder open en -- daar haalde hij waarlijk de hele lieve oude grootmoe ook nog te voorschijn! Die stakker was zó moe en verschrikt, dat ze haar bij moesten brengen met een paar slokjes van de wijn uit Roodkapjes mandje. “Ziezo, Grootmoe," zei het kind, “nu kan ik dadelijk al zien dat je sterker wordt van die wijn! Wat ben ik blij, dat ik dat fleschje niet gebroken heb!”
Ja," zei de jager, “dat is nu allemaal mooi en wel, maar hier ligt die slechte wolf en hij kan elk ogenblik wakker worden. Weet je wat we moeten doen? Zeg Roodkapje, haal jij gauw een stuk of wat van die grote keistenen, die overal aan de weg liggen. Daar zullen we hem mee volstoppen en dan naaien we samen zijn buik weer voorzichtig dicht, voordat hij wakker wordt!" Zo gezegd, zo gedaan! De wolf werd eerst wakker toen alles al gebeurd was en toen hij dien jager daar zag, kreeg hij een doodschrik! Hij liet zich van 't bed rollen en dacht vlug weg te lopen, maar de stenen waren zo zwaar, dat hij neerplofte. Kijk, hij was dood!
Toen bracht de jager zijn lichaam naar buiten en nam hem zijn pels af en Roodkapje schudde grootmoe's dekens buiten uit en maakte toen grootmoe's bed weer keurig op; met hulp van grootmoe, natuurlijk, die haar wees, waar ze schone lakens en slopen kon vinden. Die haalde ze vlug uit de linnenkast en -- klaar was 't bedje! Toen ging het lieve oudje weer liggen en Roodkapje schonk haar maar gauw nog een glaasje wijn in. Dàt deed haar goed, hoor! Ze at nu ook een stuk van de taart en zó werd ze weer de oude Grootmoe.
Maar nu moest Roodkapje nodig naar huis terug, -- Wat hoorden haar vader en moeder vreemd op, toen ze alles vertelde, wat er gebeurd was! En jullie begrijpen wel dat ze haar moeder nu uit zichzelf beloofde, dat ze voortaan altijd op de brede weg zou blijven en niet het bos inlopen om bloemen te plukken, als ze weer eens alleen naar grootmoe ging.

Onderwerp

ATU 0333 - Little Red Riding Hood    ATU 0333 - Little Red Riding Hood   

AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)    AT 0333 - The Glutton (Red Riding Hood)   

Beschrijving

Roodkapje belooft moeder om onderweg naar grootmoeder op het pad te blijven en geen bloemen te plukken. In het bos komt ze de wolf tegen die heel vriendelijk doet, ze vertelt dat ze naar grootmoeder gaat en waar ze woont, en laat zich verleiden om in het bos bloemen te plukken. Intussen gaat de wolf naar grootmoeders huis, klopt aan, doet de stem van Roodkapje na, mag binnenkomen, eet grootmoeder op, verkleedt zich als grootmoeder en gaat in bed liggen. Roodkapje klopt aan, de wolf doet de stem van grootmoeder na, Roodkapje verbaast zich over de ogen, oren, handen en mond van grootmoeder, waarna de wolf haar opeet. De wolf snurkt in zijn slaap zo hard dat een jager gaat kijken, eerst de wolf wil doodschieten, maar bedenkt dat de wolf grootmoeder kan hebben opgegeten met mes de buik opensnijdt, waar Roodkapje en grootmoeder uit komen. Ze vullen de buik met stenen, naaien de buik dicht, als de wolf na ontwaken wil vluchten valt hij door de stenen dood neer. Roodkapje belooft nooit meer ongehoorzaam te zijn.

Bron

Nienke van Hichtum. Oude bekenden: sprookjes. Amsterdam: Becht, [1937].
KB: KW 1087 A 117
Collectie Roodkapje/Karsdorp

Motief

Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.    Q426 - Wolf cut open and filled with stones as punishment.   

K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.    K2011 - Wolf poses as ”grandmother“ and kills child.   

B211.2.4 - Speaking wolf.    B211.2.4 - Speaking wolf.   

J21.5 - ”Do not leave the highway“:    J21.5 - ”Do not leave the highway“:   

Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.    Z18.1 - What makes your ears so big?--To hear the better, my child, etc.   

K1832 - Disguise by changing voice.    K1832 - Disguise by changing voice.   

Commentaar

Naar Andersen, Grimm, Perrault
Nieneke van Hichtum is pseudoniem van Sjoukje Maria Diderika Troelstra-Bokma de Boer
Ills Pol Dom

Naam Overig in Tekst

Roodkapje    Roodkapje   

Marietje    Marietje   

Grootmoe    Grootmoe   

Datum Invoer

2019-05-20