Hoofdtekst
De Strooppot
De zee nam niet alleen. Nee, hij wist ook te geven.
Luister maar.
Eens is het gebeurd, op een donkere stormachtige nacht dat een schip op het strand liep.
Wist de kapitein de weg niet?
Was hij op een verkeerd licht afgevaren?
Wie zal het zeggen! Wie weet hoe het gekomen is.
Genoeg. De golven donderden over het schip en de wind gierde door het want. De mast sloeg over boord en de verschansing versplinterde. Er sloeg een lek in de kiel en de boeg boorde diep in het zand. Het roer sprong uit de pinnen en alles kraakte en krakte met donderend geweld in elkaar. Het schip sloeg uiteen en de bemanning ...
Ach, niemand weet hoe het de bemanning vergaan is. Misschien zijn de lijken weken later aangespoeld en dan in het duin begraven. Misschien zijn ze ook weggedreven naar andere verre kusten. Wie zal het zeggen.
Maar toen de storm stilde lag daar het wrak op de kust. Zwart en donker staken de brokstukken boven het water uit. De stomp van de afgeknapte mast leek een te vroeg afgebroken leven. Het water golfde en klotste om het gestrande schip en sloopte het met zijn onweerstaanbare kracht. Het eene stuk na het andere spoelde aan land.
Ook de lading dreef naar de kust. Hout en kisten, pakken en bundels, het kwam alles in bonte verscheidenheid naar het Texelsche land gedreven.
Zeker, de zee neemt niet alleen maar geeft ook somtijds.
Was er tusschen al die pakken en balen, tusschen die groote kisten en tonnen niet een klein kistje meegekomen?
Een kistje dat vol bleek met glinsterende goudgele dukaten?
Jazeker, dat kistje was aan land gespoeld. Het lag op het strand; half open. Het goud glinsterde in de jonge zon, de dukaten glisten naar buiten door de scheuren en spleten.
Zeker, het gele goud glinsterde in de jonge zon.
En wat het zacht en melodieus klink-klankte, dat gele goud, toen de jutter het in zijn wijde zakken glijden liet.
Dat was een ander geluid dan het gehuil van de storm en het gedreun van de verbolgen zee.
Maar de jutter had geen tijd er lang naar te luisteren.
Het nieuws was reeds over het eiland bekend geworden.
Er is vannacht een schip gestrand, ging het van mond tot mond.
Vanuit de dorpen kwamen de menschen naar de plaats van de stranding, met zakken, met touwen, met wagens, met paarden ...
Ook de strandvoogd kwam met bekwame spoed aangestapt.
Ha! er was een goede buit; de zee had heel wat aangespoeld.
Nee, de jutter had geen tijd om naar het welluidende geklink-klank van de gele goudstukken te luisteren. Hij stopte gauw, gauw zijn zakken vol en sloop langs slinksche wegen terug naar zijn armelijke hut, ergens aan de Koogerweg.
Maar de dingen kunnen niet geheim blijven.
De strandvoogd miste de dukaten.
Zeker, er was veel aangespoeld, maar de dukaten ... Waar was het goud? Hoe kwam dat geldkistje leeg?
En of nu de ruischende golven het over brachten of dat het de suizende wind was, of misschien het donkere gehavende wrak, het wrak met zijn afgeknapte mast, of wel het uit zijn pinnen gelichte roer, wie zal het zeggen, maar zeker is, de strandvoogd verdacht de man uit de armelijke hut aan de Koogerweg.
Misschien ook hadden venijnige tongen het vergif in zijn ooren geblazen, wie zal het weten.
Maar vast staat dat de strandvoogd en de schout naar de hut van de jutter togen om daar de vermiste goudstukken op te sporen.
Maar hutten, al zijn ze dan ook nog zoo nederig, hebben soms een venster en daardoor is het mogelijk de menschen reeds van verre te zien aankomen.
De tuunwalletjes langs de paadjes mochten dan hoog zijn, goed, goed, maar de scherpe oogen van de jutter zagen toch wel de strandvoogd en de schout met zijn rakkers naderen.
Ze kwamen op een geschikte tijd. De jutter zat met zijn gezin juist aan de maaltijd. Brij met stroop gaf het. De strandvoogd en de schout konden mee aanschikken als ze wilden.
Maar die twee kwamen niet om brij met stroop.
Nee maar om de dukaten.
Ze wilden de kostelijke goudstukken.
De jutter wist dat wel en juist even voor de twee huiszoekers de deur van de hut binnenkwamen liet hij de dukaten met handenvol in de pot met stroop glijden.
Langzaam zonken de goudstukken door de dikke, kleverige massa naar de bodem van de pot. Langzaam, langzaam, en juist toen de twee mannen voor de tafel stonden zonk het laatste goudstuk naar beneden en sloot zich de dikke bruine stroop over de glanzende schat.
Waar de dukaten waren?
De jutter wist van geen dukaten. Nee, hij had geen dukaten. Zeker, hij was aan het strand geweest en had zoo eens een beetje gekeken, maar goud, nee, van goud wist hij niet af.
Dat zouden ze dan eens zien. Maak maar eens open de kast. Haal het hooi in je schuur maar eens naar buiten.
Maar ja, wanneer de dukaten op den bodem van de strooppot liggen is het zoeken er naar in het hooi tevergeefs.
Er kwam niets voor de dag.
Het huisje was al spoedig doorzocht. Och, er waren maar weinig kasten en in die kasten was niet veel.
De huiszoeking was spoedig afgeloopen. Arme menschen hebben niet veel hoekjes en gaatjes om er schatten in te verstoppen.
De strandvoogd en de schout moesten dus met leege handen vertrekken.
Ze vonden de dukaten niet.
Wanneer ze mee aangeschikt hadden en zich van de stroop bediend?
Ja, maar daar kwamen ze niet voor immers.
Ze kwamen om de dukaten.
Jaren later brak de jutter zijn oude bouwvallige hut af.
Hij zette er een flinke boerestulp voor in de plaats.
Hij kocht schapen en geiten en hij kocht een koe.
De schapen ooiden en koe kalfde.
Bij de plaats kwam een schuur en later een hooiberg en de jutter, die nu boer geworden was, kocht een stuk land.
Het volgend jaar kwam er een akker bij en het daarop volgend weer een.
En al meer schapen en geiten kwamen er. Er groeide zoo langzamerhand een riante boerderij.
Het spreekt vanzelf dat zoo'n hoeve ook een naam moet hebben.
En hoe zou die naam beter hebben kunnen luiden dan "de Strooppot"?
Was het niet aan die strooppot te danken dat het alles geloopen was zooals het was?
En aan de handige jutter. Natuurlijk, maar dat is niet iets om zoo'n ophef over te maken. Alle jutters zijn vernuftig en handig.
Nee, zonder die stomme strooppot was alles misgeloopen.
En daarom werd de hoeve de "Strooppot" gedoopt.
Nog heden ten dage prijkt die naam op een boerenhoeve aan de Koogerweg en men zegt dat die plaats op die manier aan zijn naam gekomen is.
De zee nam niet alleen. Nee, hij wist ook te geven.
Luister maar.
Eens is het gebeurd, op een donkere stormachtige nacht dat een schip op het strand liep.
Wist de kapitein de weg niet?
Was hij op een verkeerd licht afgevaren?
Wie zal het zeggen! Wie weet hoe het gekomen is.
Genoeg. De golven donderden over het schip en de wind gierde door het want. De mast sloeg over boord en de verschansing versplinterde. Er sloeg een lek in de kiel en de boeg boorde diep in het zand. Het roer sprong uit de pinnen en alles kraakte en krakte met donderend geweld in elkaar. Het schip sloeg uiteen en de bemanning ...
Ach, niemand weet hoe het de bemanning vergaan is. Misschien zijn de lijken weken later aangespoeld en dan in het duin begraven. Misschien zijn ze ook weggedreven naar andere verre kusten. Wie zal het zeggen.
Maar toen de storm stilde lag daar het wrak op de kust. Zwart en donker staken de brokstukken boven het water uit. De stomp van de afgeknapte mast leek een te vroeg afgebroken leven. Het water golfde en klotste om het gestrande schip en sloopte het met zijn onweerstaanbare kracht. Het eene stuk na het andere spoelde aan land.
Ook de lading dreef naar de kust. Hout en kisten, pakken en bundels, het kwam alles in bonte verscheidenheid naar het Texelsche land gedreven.
Zeker, de zee neemt niet alleen maar geeft ook somtijds.
Was er tusschen al die pakken en balen, tusschen die groote kisten en tonnen niet een klein kistje meegekomen?
Een kistje dat vol bleek met glinsterende goudgele dukaten?
Jazeker, dat kistje was aan land gespoeld. Het lag op het strand; half open. Het goud glinsterde in de jonge zon, de dukaten glisten naar buiten door de scheuren en spleten.
Zeker, het gele goud glinsterde in de jonge zon.
En wat het zacht en melodieus klink-klankte, dat gele goud, toen de jutter het in zijn wijde zakken glijden liet.
Dat was een ander geluid dan het gehuil van de storm en het gedreun van de verbolgen zee.
Maar de jutter had geen tijd er lang naar te luisteren.
Het nieuws was reeds over het eiland bekend geworden.
Er is vannacht een schip gestrand, ging het van mond tot mond.
Vanuit de dorpen kwamen de menschen naar de plaats van de stranding, met zakken, met touwen, met wagens, met paarden ...
Ook de strandvoogd kwam met bekwame spoed aangestapt.
Ha! er was een goede buit; de zee had heel wat aangespoeld.
Nee, de jutter had geen tijd om naar het welluidende geklink-klank van de gele goudstukken te luisteren. Hij stopte gauw, gauw zijn zakken vol en sloop langs slinksche wegen terug naar zijn armelijke hut, ergens aan de Koogerweg.
Maar de dingen kunnen niet geheim blijven.
De strandvoogd miste de dukaten.
Zeker, er was veel aangespoeld, maar de dukaten ... Waar was het goud? Hoe kwam dat geldkistje leeg?
En of nu de ruischende golven het over brachten of dat het de suizende wind was, of misschien het donkere gehavende wrak, het wrak met zijn afgeknapte mast, of wel het uit zijn pinnen gelichte roer, wie zal het zeggen, maar zeker is, de strandvoogd verdacht de man uit de armelijke hut aan de Koogerweg.
Misschien ook hadden venijnige tongen het vergif in zijn ooren geblazen, wie zal het weten.
Maar vast staat dat de strandvoogd en de schout naar de hut van de jutter togen om daar de vermiste goudstukken op te sporen.
Maar hutten, al zijn ze dan ook nog zoo nederig, hebben soms een venster en daardoor is het mogelijk de menschen reeds van verre te zien aankomen.
De tuunwalletjes langs de paadjes mochten dan hoog zijn, goed, goed, maar de scherpe oogen van de jutter zagen toch wel de strandvoogd en de schout met zijn rakkers naderen.
Ze kwamen op een geschikte tijd. De jutter zat met zijn gezin juist aan de maaltijd. Brij met stroop gaf het. De strandvoogd en de schout konden mee aanschikken als ze wilden.
Maar die twee kwamen niet om brij met stroop.
Nee maar om de dukaten.
Ze wilden de kostelijke goudstukken.
De jutter wist dat wel en juist even voor de twee huiszoekers de deur van de hut binnenkwamen liet hij de dukaten met handenvol in de pot met stroop glijden.
Langzaam zonken de goudstukken door de dikke, kleverige massa naar de bodem van de pot. Langzaam, langzaam, en juist toen de twee mannen voor de tafel stonden zonk het laatste goudstuk naar beneden en sloot zich de dikke bruine stroop over de glanzende schat.
Waar de dukaten waren?
De jutter wist van geen dukaten. Nee, hij had geen dukaten. Zeker, hij was aan het strand geweest en had zoo eens een beetje gekeken, maar goud, nee, van goud wist hij niet af.
Dat zouden ze dan eens zien. Maak maar eens open de kast. Haal het hooi in je schuur maar eens naar buiten.
Maar ja, wanneer de dukaten op den bodem van de strooppot liggen is het zoeken er naar in het hooi tevergeefs.
Er kwam niets voor de dag.
Het huisje was al spoedig doorzocht. Och, er waren maar weinig kasten en in die kasten was niet veel.
De huiszoeking was spoedig afgeloopen. Arme menschen hebben niet veel hoekjes en gaatjes om er schatten in te verstoppen.
De strandvoogd en de schout moesten dus met leege handen vertrekken.
Ze vonden de dukaten niet.
Wanneer ze mee aangeschikt hadden en zich van de stroop bediend?
Ja, maar daar kwamen ze niet voor immers.
Ze kwamen om de dukaten.
Jaren later brak de jutter zijn oude bouwvallige hut af.
Hij zette er een flinke boerestulp voor in de plaats.
Hij kocht schapen en geiten en hij kocht een koe.
De schapen ooiden en koe kalfde.
Bij de plaats kwam een schuur en later een hooiberg en de jutter, die nu boer geworden was, kocht een stuk land.
Het volgend jaar kwam er een akker bij en het daarop volgend weer een.
En al meer schapen en geiten kwamen er. Er groeide zoo langzamerhand een riante boerderij.
Het spreekt vanzelf dat zoo'n hoeve ook een naam moet hebben.
En hoe zou die naam beter hebben kunnen luiden dan "de Strooppot"?
Was het niet aan die strooppot te danken dat het alles geloopen was zooals het was?
En aan de handige jutter. Natuurlijk, maar dat is niet iets om zoo'n ophef over te maken. Alle jutters zijn vernuftig en handig.
Nee, zonder die stomme strooppot was alles misgeloopen.
En daarom werd de hoeve de "Strooppot" gedoopt.
Nog heden ten dage prijkt die naam op een boerenhoeve aan de Koogerweg en men zegt dat die plaats op die manier aan zijn naam gekomen is.
Beschrijving
In een donkere stormachtige nacht liep een schip op het strand. Tussen de aangespoelde lading zat een kistje dat vol bleek te zitten met goud. Een arme jutter vond het goud en nam het mee. De strandvoogd vond de lege kist en verdacht de jutter. De jutter verstopte het goud in een pot stroop. Jaren later kocht de jutter een riante boerderij en noemde het De Strooppot.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 186-190.
Naam Overig in Tekst
De Strooppot   
