Hoofdtekst
Eens is het gebeurd dat voor de haven van Emden een groot schip in nood verkeerde. De wind gierde en de zee dreunde. De golven beukten het schip en dreigden het elk oogenblik op het harde zand te pletter te slaan. De masten knapten af en reeds was het schip stuurloos. De boegspriet versplinterde en heele stukken van de reeling sloegen weg. Geweldig waren de krachten van water en wind. Wanhopig hieven de mannen de armen omhoog en gilden om redding. Steeds dichter werd het schip naar de stad gedreven, steeds dichter, en op een oogenblik was het zoover genaderd dat de bemanning en het volk op de wal elkander beroepen konden.
Een oogenblik scheen het of het schip nog de haven binnen zou komen. Eén oogenblik, maar reeds nam een geweldige zee het op en sloeg het ver uit de koers.
Dat men de reddingsboot toch uitzette! schreeuwde de kapitein naar de wal; maar de boomsluiter deed of hij de noodkreet niet hoorde. Het bevel er toe gaf hij niet, maar hij keek koelbloedig toe hoe het schip worstelde met storm en golven en hoe het tenslotte verging.
Toen pas liet hij de booten uitvaren; toen het te laat was.
En sedert die tijd zien die van Emden, bij verschrikkelijk stormweer, als de wind uit het Noord-westen loeit, een schip in nood, vlak voor de haven.
Ze zien hoe de bemanning overboord geslagen wordt en hoe de stuurman krampachtig het roer houdt.
En als men goed kijkt ziet men dat die stuurman, die daar kampt met wind en golven, die stoere robuste figuur met zijn groote waterlaarzen en zijn gele zuid-wester, dat hij niemand anders is dan de hardvochtige boomsluiter van voor eeuwen.
Verdoemd is hij, verdoemd. Tot in der eeuwigheid moet hij het angstgeschrei aanhooren van de bemanning van het schip die hij eens verzuimde te redden.
Een oogenblik scheen het of het schip nog de haven binnen zou komen. Eén oogenblik, maar reeds nam een geweldige zee het op en sloeg het ver uit de koers.
Dat men de reddingsboot toch uitzette! schreeuwde de kapitein naar de wal; maar de boomsluiter deed of hij de noodkreet niet hoorde. Het bevel er toe gaf hij niet, maar hij keek koelbloedig toe hoe het schip worstelde met storm en golven en hoe het tenslotte verging.
Toen pas liet hij de booten uitvaren; toen het te laat was.
En sedert die tijd zien die van Emden, bij verschrikkelijk stormweer, als de wind uit het Noord-westen loeit, een schip in nood, vlak voor de haven.
Ze zien hoe de bemanning overboord geslagen wordt en hoe de stuurman krampachtig het roer houdt.
En als men goed kijkt ziet men dat die stuurman, die daar kampt met wind en golven, die stoere robuste figuur met zijn groote waterlaarzen en zijn gele zuid-wester, dat hij niemand anders is dan de hardvochtige boomsluiter van voor eeuwen.
Verdoemd is hij, verdoemd. Tot in der eeuwigheid moet hij het angstgeschrei aanhooren van de bemanning van het schip die hij eens verzuimde te redden.
Beschrijving
Een schip voor de haven van Emden verkeerde in grote nood. De mannen gilden om redding, maar de boomsluiter wilde de reddingsboot nog niet uitzetten. Pas toen het te laat was liet hij de boten uitvaren. Sinds die tijd, als het stormt, is een schip vlak voor de haven te zien waar de bemanning overboord wordt geslagen en de stuurman krampachtig het roer vasthoudt. Die stuurman is de boomsluiter die voor eeuwig het angstgeschrei moet aanhoren van de bemanning van het gezonken schip dat hij niet had gered.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 237-238.
Naam Locatie in Tekst
Emden   
Plaats van Handelen
Emden   
