Hoofdtekst
Claes Stortebeker was zijn naam.
Hoe hij aan die naam kwam?
Ja, hoe komt de duvel aan een ziel.
Men zegt dat zijn naam komt van zijn drinkbeker. Hij had n.l. een beker laten maken zoo groot als morgen de heele dag. Er was niemand die bij machte was hem in een teug leeg te halen, behalve Claes dan.
Of niemand, dat is niet geheel juist. Er schijnt in die dagen een Groninger jonker bestaan te hebben die het ook kon.
En die jonker was daar zoo trotsch op dat hij op die beker, die hij van Claes cadeau gekregen had, het volgende versje graveeren liet:
Ik jonker Sissinga van Groninga
Dronk deze henza
In één fleza
Door mijn kraga
In mijn maga.
Nu, die jonker had dan ook wel reden om blij te zijn. Niet zoozeer omdat hij zoo formidabel zuipen kon en ook niet in de eerste plaats omdat hij de beker van Claes present gekregen had, maar omdat Claes hem in 't leven gelaten had. Want het stond er toch zoo mee dat Claes iedere gevangene de beker tot de rand gevuld voorzette en gebood: in een haal leegzuipen! Als je het kunt ben je vrij maar als je er geen kans toe ziet ga je overboord!
Zooals reeds gezegd is, de arme gevangen zeerobben konden het geen van allen. Ze moesten de beker, meestal nog half gevuld van de mond nemen en ze bekochten dat dan met de dood. Er was geen genade voor hem die de beker van Claes niet in een teug leeghalen kon. In de plomp met hem.
Maar die Groningsche jonker gelukte het dan en daarom werd hij vrij gelaten en kreeg de beker cadeau.
Claes is zoo maar niet voetstoots zeeroover geworden.
Nee, hij moest eerst een proef afleggen. Toonen dat hij waardig was om in het edele gilde opgenomen te worden.
Op een dag ging hij dan naar den hoofdman, naar Geuchie Mecheel, ook een mannetjesputter eerste klasse.
De complementen, zei Claes en of je me op de vloot kunt gebruiken?
Geuchie vloekte dat het zoo daverde en drukte Claes een ketting in zijn handen. Een keten met schalmen, zoo dik, dat hij haast niet te tillen was.
Wat moet ik daarmee? vroeg Claes.
Stuktrekken! grauwde Geuchie en hij vloekte weer zoo verschrikkelijk dat zelfs de ruwste zeebonk er van sidderde.
Als 't anders niet is, antwoordde Claes minachtend, en meteen rukte hij de keten in tweeën.
Toen was Geuchie tevreden. Claes werd op de rooversvloot toegelaten en het duurde niet lang of hij werd naast Geuchie Mecheel tot hoofdman gekozen.
En hij heeft vreeselijk huisgehouwen, die Claes. Geen koopvaarder was veilig voor hem. Hij schuimde nacht en dag op de Noordzee en de moorden die hij op zijn geweten heeft zijn niet te tellen. Stelen, rooven, moorden, branden en schoffeeren, dat was Claes' bestaan. Hij maakte het zoo bont dat geheel Friesland er van gewaagde.
In Marienhafe had hij zijn roofslot. Daar had hij een sterke toren die onneembaar was en slechts hij en zijn roovers wisten hem te bereiken.
Die toren was om zoo te zeggen een baken. Maar alleen voor de ingewijden. Want achter die toren stond een kerk en nu had Claes de eene helft van het dak met koper en de andere met lei laten bedekken. Nog altijd heet het wad daar aan de eene kant 't Koperzand en aan de andere zijde 't Leizand.
Door die koper en die leikant nu konden de roovers de weg vinden naar hun roofslot. De argelooze schippers hadden daar zoo geen erg in.
Wanneer Claes niet op zee zwalkte woonde hij in zijn versterkte toren. Eens is het gebeurd dat hij daar een schoone adellijke juffer opgesloten hield. In zijn eigen kamer, die nog altijd de stortebekerskamer heet zat ze en tuurde door de getraliede vensters over de wijde zee. Of er vandaar misschien hulp zou komen. Ze was zoo alleen en verlaten en zoo hulpeloos overgeleverd aan den ruigen zeeschuimer.
Maar Claes zorgde wel dat niemand haar naderen kon.
Hoe zouden de schepen ook bij de toren komen? Ja, de galeien van de zeeroovers, die wisten de weg. Die voeren langs het Stortebekersdiep en kwamen dan precies bij de toren uit, maar de andere schepen ... Die strandden immers hopeloos op het Koper- of wel het Leizand. En werden dan een prooi van Claes en zijn ruige volk.
Nee er was voor de adellijke juffer in de sterke toren geen hulp op deze aarde. Zij was in handen gevallen van Claes en het zou haar niet mogelijk zijn weerstand te bieden aan zijn brandende gierige lusten.
Op aarde was geen hulp voor haar maar toen de zeeschuimer op een dag in de kamer trad met het vaste voornemen haar te nemen, goedschiks of kwaadschiks, om haar te dwingen hem ter wille te zijn verweerde ze zich met alle kracht en op een oogenblik toen de roover dacht dat hij zijn doel bereiken zou, hij snoof en brieste van lust, glipte ze uit zijn sterke handen, gleed naar het torenraam en stortte zich in het wild bruisende water, diep beneden haar.
Claes vloekte van nijd en spijt maar het was niet meer te verhelpen. De schoone jonkvrouw verdween in de diepte en nooit heeft men haar lijk teruggevonden.
Maar nu, na eeuwen, gaat er nog altijd om klokke twaalf, een dwarrelende geest door Marienhafe.
Het is de geest van Claes Stortebeker. Hij dwaalt door de stad en draagt zijn bloedend hoofd onder de arm. Het is Claes die rondwaart op de plaats van zijn wreedaardige misdaad.
Nee, er was niets en niemand veilig voor Claes. Hij roofde en moordde en schoffeerde zijn leven lang. Hij maakte de Waddenzee onveilig en was de schrik van de zeelieden die op de havens van Oost-Friesland voeren.
Gelukkig hebben die van Hamburg een eind aan zijn wandaden gemaakt.
Het ging niet zoo gemakkelijk, Claes te overmeesteren maar eindelijk gelukte het dan toch.
Niet in een openlijke strijd. Nee, met open vizier was de beruchte zeeroover niet ten onder te brengen. Dat hadden die van Hamburg en ook de dappere mannen van andere havensteden dikwijls genoeg ondervonden.
Om Claes te overmeesteren moest er een list bedacht worden.
En die van Hamburg vonden die list.
Op een donkere nacht voeren ze met een heel klein scheepje, zonder lichten natuurlijk, naar het kaperschip van Claes, legde zich van achter tegen het roer en soldeerden dat met kokend lood aan het schip vast.
Nu was Claes Stortebeker verloren.
Maar niet zoo dadelijk hoor, dat moet u niet denken. Hij heeft nog drie dagen en nachten tegen de overmacht gevochten. Hij heeft zich geweerd als een leeuw, maar ja, met een schip waarvan het roer niet werkt valt niet te manoeuvreeren, niet waar? Hij vocht als een duivel en zijn mannen niet minder maar op het laatst moest hij toch het onderspit delven. Na een verwoed gevecht, dat zoo als gezegd drie dagen en nachten duurde, werd hij tenslotte overmeesterd en gevangen genomen.
En toen was het uit met zijn euveldaden.
Hij probeerde nog door geld los te komen; hij had immers genoeg! Het kwam er bij hem niet op een ton of wat opaan. Een gouden ketting wou hij geven, zoo lang dat men er geheel Hamburg mee zou kunnen omspannen.
Maar de Hamburgers wilden er niet van weten. Nee, ze hadden Claes nu eenmaal en ze lieten hem niet los al wou hij nog zooveel goud geven. Trouwens, die van Hamburg hadden het goud van Claes niet noodig. Aan geld en goed ontbrak het hen niet in die dagen.
Claes kwam dus niet vrij. Die van Hamburg waren veel te blij dat ze hem eindelijk te pakken hadden. Zóó waren ze er mee in hun schik dat ze er het volgende vers op dichtten:
"Störtenbeker en Geuchie Mecheel
Die beiden roofden evenveel
Te water en niet te lande,
Totdat het God in de hemel verdroot;
Toen werden ze beiden te schande."
Kijk, als je zulke juichliederen dicht op het vangen van een zeeroover laat je hem niet meer los, dat spreekt, al gaf hij ook nog zooveel goud.
Hou jij je goud, zeiden die van Hamburg, maar je hoofd, dat moeten we hebben.
Ja, zoo is het tenslotte met die ouwe zeeschuimer gegaan.
De Hamburgers veroordeelden hem ter dood. Zijn hoofd moest op het blok.
Goed, zei Claes, als 't niet anders kan, moet het maar.
Zoo was hij nu eenmaal, een resolute kerel.
Maar één gunst vraag ik, zei Claes.
't Was wellicht de eenige gunst die hij ooit gevraag had.
En welke is dat? die van Hamburg weer.
Dat ik ongeboeid onthoofd word en dat jullie zooveel van mijn makkers vrijlaat als ik zonder kop voorbij loopen kan.
Een malle vraag vonden de burgers van Hamburg. Makkers voorbij loopen als je geen hoofd meer hebt. Ze moesten er dan ook om lachen.
Maak nu geen grapjes, vermaanden ze.
Maar Claes verzekerde met een dreunende knoop dat hij heelemaal geen smoesjes verkocht. Hij meende wat hij zei. Wilden ze hem die gunst toestaan?
Och er was tenslotte niets tegen. Waarom zouden ze niet ja zeggen! 't Was mal, maar vooruit, het moest dan maar.
Top! zei Claes.
En toen zijn kop op 't blok hè.
In een lange rij stond de bemanning van zijn kaperschip, geboeid, op de gerechtsplaats.
Hak maar! brulde Claes en de scherprechter sloeg hem het hoofd van de romp.
En het is haast niet te gelooven maar zoodra rolde zijn ruige kop niet in het zaagsel of Claes stond op en rende, zoo hard hij kon, langs de rij van zijn geboeide rotgezellen.
Jazeker, zonder hoofd slaagde hij er in er elf te passeeren.
Nu, die werden dan volgens afspraak vrijgelaten hè en dankten dus hun leven aan Claes toen hij al geen hoofd meer had.
Zoo'n barbaar was die piraat van de Noordzee.
Het was een heele opluchting toen hij eenmaal onschadelijk gemaakt was. Allerwege ging een juichkreet op. Zooals gezegd werd er en zegelied gedicht en al het volk was uitermate blij dat er eindelijk aan de schanddaden van Claes Stortebeker een eind gekomen was.
Maar toen hij eenmaal goed en wel begraven was dacht men aan die ketting van goud die hij om Hamburg had willen leggen voor het geval dat men hem vrij gelaten zou hebben.
Sjonge ja, dat goud. Dat hadden ze toen wel geweigerd, want de prijs er voor was te hoog, maar ze wilden het toch wel erg graag hebben.
Naar het kaperschip dus en zoeken of het daar wellicht te vinden was.
Aanvankelijk leverde het niet veel op. De ruimen stonden wel vol met allerlei dingen, van waarde natuurlijk, maar het goud waarvan die ketting gesmeed zou worden, kwam niet voor de dag.
Teleurgesteld meenden de mannen vanHamburg weer af te trekken toen opeens een timmerman luidkeels begon te schreeuwen Hier!!! Hier!!!
Wat was het geval?
De timmerman had uit baloorigheid zoo met zijn bijl een paar hakken in de groote mast gegeven en dat klonk zoo vreemd, zoo hol.
Zou daar misschien het goud zitten?
En zoo was het. Vol met goud en zilver en koper zat de mast en de andere masten ook, vol met goud meneertje, propvol.
En dat was nog niet alles. Welnee, dat was alleen maar het goud en zilver dat toevallig aan boord was. Er was nog veel meer.
Tja, als je je heele leven niets anders doet dan stelen en rooven.
Dat begrepen de menschen van die dagen heel goed en het is dus best te begrijpen dat ze op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen naar de onmetelijke schatten van den zeeroover gezocht hebben.
Maar om ze te vinden hè.
Op het eiland Borkum moest het zijn. Daar lag het goud opgestapeld, maar waar precies? In de Waldduinen; maar op welke hoogte? Hoe er achter te komen waar de schatten opgeborgen lagen?
Er is gegraven en gespit, gewoeld en gewroet maar het goud is nimmer aan de dag gekomen.
En toch moet het er liggen. Toch bevindt zich de schat op het eiland Borkum, in de Waldduinen. Iedereen weet het, iedereen heeft het hooren verluiden. Diep onder het zand bedolven liggen de schatten van de beruchte zeeroover Claes Stortebeker.
Zoek het goud, zoek het goud van Claes Stortebeker! ruischen de golven die om Borkum rollen.
Zoek het goud, zoek het goud! zingt de Waddenzee in die contreie.
Diep onder het zand ligt het te glanzen. Het wacht slechts op den man die het vinden zal. Claes heeft het daar verstopt maar hij werd onthoofd en hij alleen wist de plaats waar het begraven ligt.
Niemand weet u de juiste plek te wijzen maar het ligt er. De zee zingt er van; de golven ruischen het, de wind suizelt het en de menschen fluisteren er over.
Nee nee, dat goud en zilver in de holle masten was volstrekt niet de gansche schat van den zeeroover. De geweldige piraat had het grootste gedeelte reeds eerder in veiligheid gebracht. Om het later op zijn gemak te kunnen verbrassen natuurlijk maar hij heeft er niet van kunnen profiteeren. Hij werd onthoofd.
En het goud ligt er nog altijd.
Hoe zou anders dat versje in de wereld gekomen zijn:
"Wanneer de Waldeduinen konden spreken
zou het Borkum nooit aan geld ontbreken."
Maar de duinen spreken niet.
Onderwerp
SINAT 0977* - Der hingerichtete Räuberhauptmann   
SINSAG 0436 - Mörder kehrt wieder.   
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Claes Stortebeker   
Geuchie Mecheel   
Sissinga van Groninga   
Klaus Störtebeker   
Naam Locatie in Tekst
Noordzee   
Oost-Friesland   
Marienhafe   
Hamburg   
Waddenzee   
Borkum   
