Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

FRANKE164 - De dijkgraaf van Eierstedt

Een sage (boek), 1934

Hoofdtekst

Eens is het gebeurd dat de zeedijk te Eiderstedt, in Sleeswijk Holstein, ernstig door het ijs bedreigd werd. In groote massa's kwam het aandrijven en stapelde zich op tegen de dijk en op de kruin. Verschrikkelijk was de druk van het opstuwende ijs en dat werd nog erger toen er ook nog een harde Noordwester storm opstak.
Hooger en hooger schoven de schotsen op elkander en zwaarder en zwaarder werd de druk tegen de dijk. Schots stapelde zich op schots. Bergen van ijs, torens van ijs drukten met hun ontzaggelijke gewicht tegen de bedreigde punten.
Angstig klonk het gelui van de dorpstorens en van allerwege kwamen de boeren met spade en kruiwagen naar de gevaarlijke plaats.
De heemraden in hun hooge waterlaarzen stapten over de kruin en de dijkgraaf reed op zijn witte paard van het eene zwakke punt naar het andere.
Het volk werkte zoo had het kon. Niemand gunde zich ook maar een oogenblik rust. Iedereen begreep dat het er nu opaan kwam. De dijk moest versterkt worden. Hier moest aarde aangeplempt worden, daar moest men zandzakken opstapelen.
Rustig reed de dijkgraaf op zijn witte paard langs de werkende mannen, hier een woord van bemoediging sprekend, daar lakend, al naar het noodig was.
Echter, de toestand werd steeds erger. Altijd meer ijs stapelde zich op tegen de dijk, steeds hooger werden de bergen en altijd zwaarder werd de druk.
Het was duidelijk dat het uitloopen zou op een doorbraak.
De mannen verloren het hoofd en wisten niet meer wat te beginnen.
Ook de heemraden stonden met de handen in het haar.
Hier was geen redding meer mogelijk. Een doorbraak was niet meer af te wenden.
Met zekerheid kwam het ongeluk over het lage land.
Angstig klepten de klokken in de dorpen die in het lage land verspreid lagen. Reeds werd het vee naar de kerken gedreven en vluchtten de bewoners naar de hooger gelegen terpen en dijken.
Wat moest er gebeuren?
Hoe kon het gevaar nog bezworen worden?
Werken scheen niet meer te helpen.
Wist de dijkgraaf raad? De dijkgraaf die daar kalm op zijn witte paard van het eene zwakke punt naar het andere reed en rustig en met vaste stem zijn bevelen gaf? Wist hij een middel om het gevaar te bezweren?
Het volk keek naar hem op als verwachtte het redding en uitkomst van die ernstige vastberaden man.
En op een oogenblik, toen ieder zag dat het groote ongeluk zoo dadelijk gebeuren zou, dat zoo meteen de wilde zee door de bres zou stormen om het lage land te verdrinken, riep de dijkgraaf de heemraden bijeen en beval met rustige zekere stem de dijk op een bepaald punt door te steken. Beter was het dat de menschen de natuurkrachten voorkwamen. Wanneer de dijk hier door gestoken werd zou misschien het allerergste nog voorkomen kunnen worden. Maar men moest zich haasten want elk oogenblik wachten kon noodlottig zijn.
Wat? vroegen de heemraden, wat, verstaan wij het goed? Wilt gijzelf de dijk doorsteken? Wilt gijzelf het woedende water ons land binnen laten stroomen? Wilt gijzelf de poorten voor de wilde waterwolf openen?
En de dijkgraaf, op zijn hooge witte paard, knikte ernstig van ja. Het was het eenige middel om het ergste te voorkomen. Wilden de mannen behouden wat er nog te behouden viel dan moesten ze doen wat hij hen voorsloeg. Alleen op die manier kon erger voorkomen worden.
Maar haast u! haast u! riep de dijkgraaf met dringende stem, doe het voor het te laat is!
De mannen wilden het bevel niet uitvoeren in het eerst maar de dijkgraaf zat zoo hoog op zijn paard, zijn stem klonk zoo vast en overtuigd en het gevaar was zoo dreigend dat men er tenlaatste toch toe overging de dijk te doorsteken.
Wild gulpte het water door de bres en overstroomde polder na polder.
Ziet ge nu wel, morden de mannen, ziet ge nu wel dat uw remedie niet geholpen heeft! Wat heeft het voor zin gehad dat we de waterwolf de toegang tot onze landerijen geopend hebben? Hij neemt de eene polder na de andere.
De heemraden groepten bijeen en een donker gegrom steeg uit hun keel.
Wat had dit te beduiden? Wat wilde de dijkgraaf? Wilde hij het land, hun land, de zee prijs geven?
En de dijkgraaf op zijn witte paard die rustig over de kruin van de dijk reed hoorde en zag alles om zich heen.
Hij hoorde hoe het volk hem de schuld gaf van de ramp en hij zag hoe de zee al verder en verder het land overstroomde.
Op een oogenblik gaf hij zijn schimmel de sporen, hief zich hoog in de zadel en reed in razende galop naar de breuk in de dijk. En zonder nog naar het morrende volk om te kijken, zonder een oogenblik aarzelen sprong hij met paard en al in de wielende kokende bres en verdween in de grondelooze diepte.
En zie, niet zoodra was hij in de diepte verzonken of de ijsschotsen liepen vast in de bres. De een schoof op de ander en in minder dan geen tijd was het gat gestopt en de zee buiten het land gesloten.
De wind viel en het water stroomde geleidelijk terug.
Het gevaar was gewegen.
Het gat werd behoorlijk gedicht en na eenige tijd was er geen spoor meer van de overstrooming te bekennen.
Maar de dijkgraaf op zijn witte paard rijdt in stormruwe nachten over de kruin van de dijk.
Hoog zit hij in de zadel en ernstig strak staat zijn gezicht.
Het is of hij de boeren waarschuwen wil: denk om de dijk!

Onderwerp

TM 2604 - Watersnood    TM 2604 - Watersnood   

Beschrijving

De zeedijk te Eierstedt zou gaan overstromen door opstuwend ijs. De dijkgraaf adviseerde om een gat in de dijk te steken, maar hierdoor overstroomde het land. De dijkgraaf sprong toen in het gat en zo stopte uiteindelijk de storm en stroomde het water weer terug.

Bron

Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p. 261-264.

Naam Locatie in Tekst

Eierstedt    Eierstedt   

Sleeswijk Holstein    Sleeswijk Holstein