Hoofdtekst
Dat is dus geen spookverhaal. Maar wij waren ook zo arm, want ik weet nog dat dan dat mijn oudere zusters dat vertelden datte, kwam de kar van de kapelaan rond, want de kapelaan had niet zo veel inkomen. En dan kreeg je dan koren hè. Kreeg tie een zak koren of anders gaven ze het hem in geld en mijn moeder had – je wilt niet weten hoelang – al een dubbeltje apart gelegd. Moes je eens kijken een dubbeltje. Apart gelegd om aan de kapelaan te geven als die met z’n kar kwam. En toen was de, kwam de kar van de kapelaan eraan en toen draaide hij zich bij Giesbers om. Op de hoek daar, dus eh bij onze buurman. Toen heeft mijn moeder – dat vind ik vreselijk – die heeft op haar knieën voor de tafel liggen huilen: “dus nu kunnen álle mensen zien hoe arm we zijn!” Omdat de kar niet naar hun kwam, maar bij de aller áller armste mensen daar ging dus eh de kar van de kapelaan niet eens naar toe hè. En daar heeft ze vreselijk over gehuild. Dus ze had ook nog haar trots [weemoedig gegniffel] … Ja … Ja, en de kapelaan heeft het waarschijnlijk goed gemeend. Die heeft natuurlijk gedacht: “och, ze, ze, menske is met zo’n hoop kinder hè. [lange stilte] Enne, maar mijn moeder vond het natuurlijk vreselijk.
Beschrijving
Moeder had een dubbeltje apart gelegd voor de kapelaan, als hij met de kar langs zou komen. De kapelaan draaide vlak voor hun huis om. De moeder zei: "Nu ziet iedereen hoe arm we zijn".
Bron
Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)
Naam Overig in Tekst
Giesbers   

