Hoofdtekst
102.
De snoek
Niet voor niets luiden des Zondags de klokken in het Limburgsch land. Ze hebben goede en vrome stemmen, ze roepen van verre en dichtbij, ze schijnen wel te klinken tot het einde der wereld. Luistert, als de klokken lokken. Zeggen ze niet wijd-uit - och, haar woorden zijn zoo simpel als van een manneke, dat jong is geweest en oud is geworden op éénzelfde plek ter aarde -: “Kom tot ons ! Die belast en beladen zijt - ter kerke - wacht niet!”
Hoe kunnen er menschen gevonden worden, die haar stemmen nooit verstaan? Velen liggen te slapen, als de klokken roepen met haar ragfijnen, sterken klank. Anderen willen niet luisteren, hoe groote moeite het ook kost de ooren te sluiten. Er zijn er, maar slechter zondaren bestaan ter wereld niet, die heel goed weten, dat ze worden verwacht, maar die onverschillig blijven.
Dichtbij Halen woonde zulk een man. Een Zondag kwam hij naar buiten: “bim-bam-bim-bam”, hoorde hij van den kant der kerk, doch hij deed, of het hem niet aanging.
“Laat anderen daar maar heen gaan”, dacht hij, “ik heb wel wat beters te doen.”
Hij nam zijn hengel op den rug, keek snoer en haak nog eens na, en wandelde naar den vijver.
“Gisteren heb ik daar een grooten snoek zien staan”, peinsde hij, “ik heb net een mooie visch als aas, niet voor niets gisteren gevangen en in een emmer water levend gehouden ! De snoek zal vanmorgen de mijne zijn, en mijn vrouw zal hem koken. De heele week zullen we ervan kunnen eten.”
Grondeloos is het water van het meer van Halen, zoo diep, dat er een groot kasteel in verzonk. In de koele diepte, door geen menschenoog bespied, spelen de visschen. De groote, booze snoek kan ze wel vinden: snel duikt hij en zijn lange bek met de scherpe, meedoogenlooze tanden weet te grijpen.
103.
Niet altijd zwemt hij naar zijn buit. Soms staat hij rechtop in het water, als een lange paal. Niets verraadt, dat hij levend is. Ja, zelf schijnt hij niet te weten, de nooit-vermoeide droomer, dat hij bestaat. Het water rimpelt om hem heen. Hij wiegelt zachtkens mede. Zijn oogen dreigen niet. Soms, als 't zonnelicht verder doordringt in 't blauwe water, en hij meenen kan, dat een blank vischje hem voorbij-schiet, lijkt het, of zijn roerloosheid even siddert. Is het door een tijd te bepalen? Wee den grondel of den voorn, den kikvorsch of 't waterhoen, dat binnen zijn bereik komt. De kaakbeenderen, de keelbeenderen, het gehemelte, de tong zijn niet voor niets met messetanden bezet. Den bek schijnt hij te kunnen openen, zoover hij wil: zelfs de otter is niet voor hem veilig.
Terwijl de man in zijn bootje naar de plaats zocht, waar hij den vorigen dag den snoek had zien staan, bleef hij plots verschrikt staren. Want hij had natuurlijk over de grootte van den visch wel nagedacht, ja misschien had hij er wel den vorigen nacht over gedroomd. Zoo hij een schatting waagde, meende hij, dat het roofdier niet meer dan twee el zou meten; doch toen hij dezen Zondag den snoek weer aanschouwde, klopte zijn hart hem toe, dat hij wel drie el moest wezen, en dat hij zeker een zestig pond kon wegen. Zulk een snoek had men nog nimmer in eenigen vijver van het Limburgsch land gevangen. De visscher keek den hengelstok, het snoer, den haak na, voor hij den aasvisch in het meer terneder legde: zoodra gevoelde 't diertje het water om zich heen, of, al was de scherpe punt van den angel ook stevig in zijn weeke vleesch bevestigd, hij schoot met 't onzichtbare snoer weg, en de man in het bootje keek naar den dobber en naar den snoek, die nog steeds onbeweeglijk rechtop stond. Er was geen deining in den vijver. Het leek, of de visch daar ver beneden in den bodem geheid was.
De stilte van den Limburgschen Zondag, wanneer alle menschen in de kerk zitten, en het klokgebeier zoolang
104.
geleden heeft opgehouden, dat alle trillingen tot in de verste hoekenvan hemel en aarde in de verlatenheid verloren zijn, beefde door de lucht. Het koren op het land ruischte niet. Geen enkele leeuwerik - de vogel, die anders den geheelen dag het zonlicht zoekt hoog tegen de licht-gevederde wolkjes - was op dat oogenblik gestegen. Zelfs de merel zweeg.
De visscher, in zijn droomen verzonken, dacht er plots aan, dat hij in een betooverd meer vischte. Niet alleen, dat er diep in het water een kasteel is gedaald, met al zijn muren en torens, neen! in den heiligen Kerstnacht kan men hier, als men zich over het water buigt, klokken hooren luiden. Klokken die ter kerke roepen ...
De man schrok angstig uit zijn dommel op. Klokken ...?
Had hij niet den heiligen dienst verzuimd? Was zijn plaats niet te midden der geloovigen?
Er voer een zachte zefier over het water, en de dobber, lichter dan een veder, buitelde efkes, zoodat een minder ervaren visscher zeker zou hebben gedacht, dat een visch hapte. Knapen en Zondags-hengelaars vergissen zich gemakkelijk, als de wind zoo schalksch den dobber beroert. De visscher echter, die weet wat visschen is, vindt het niet de moeite waard het snoer te halen.
Eensklaps kwam er een andere beweging inden dobber. Het vischje had den vijand gezien, en vluchtte. Zoo vlucht een man in zijn gevangenispak; weet hij niet zeker, dat hij wordt herkend, ingehaald en gegrepen? De man in de boot liet de lijn vieren, op zijn gemak. Vischje! vischje! er is een eind aan het snoer.
Het lange, slanke lijf van den snoek was al achter hem, de lepels van den bek had hij al reeds van elkaar getroken ... hap! deed hij, en met een vaart schoot de dobber naar beneden.
“Halen, jongens,” dacht de man blijde. “Dat is vanmiddag iets lekkers in de pan.”
Men weet, dat het gemakkelijk valt het gewicht van
105.
een visch - zoolang hij nog onder water is - te torsen. Deze snoek echter bezat een vreemde kracht. Hij leek niet verschrikt, dat een andere wil hem aan het touw hield. Hij trok als een sterk, gespierd mensch terug.
De visscher dacht eraan, dat hij de kerkgang had verzuimd. Waarom luisterde hij niet naar 't luiden der klokken? Hij moest zijn straf lijden, daar hij ging hengelen, instee deze heilige stemmen te gelooven.
Hij verzette zich, doch stap voor stap (het bootje wiegelde) over de lengte van zijn boot, werd hij meegesleurd, tot hij op den rand stond. De spieren van zijn beide armen werden hard als staal.
Toen hij eenmaal wankelde, de arme visscher, met wien Gods wil geschiedde, toen hij eenmaal wankelde, moest hij wel vallen, en hij viel in 't lichtblauwe water, waartusschen hier en daar de blinkende banen van het zonlicht groefden.
De snoek
Niet voor niets luiden des Zondags de klokken in het Limburgsch land. Ze hebben goede en vrome stemmen, ze roepen van verre en dichtbij, ze schijnen wel te klinken tot het einde der wereld. Luistert, als de klokken lokken. Zeggen ze niet wijd-uit - och, haar woorden zijn zoo simpel als van een manneke, dat jong is geweest en oud is geworden op éénzelfde plek ter aarde -: “Kom tot ons ! Die belast en beladen zijt - ter kerke - wacht niet!”
Hoe kunnen er menschen gevonden worden, die haar stemmen nooit verstaan? Velen liggen te slapen, als de klokken roepen met haar ragfijnen, sterken klank. Anderen willen niet luisteren, hoe groote moeite het ook kost de ooren te sluiten. Er zijn er, maar slechter zondaren bestaan ter wereld niet, die heel goed weten, dat ze worden verwacht, maar die onverschillig blijven.
Dichtbij Halen woonde zulk een man. Een Zondag kwam hij naar buiten: “bim-bam-bim-bam”, hoorde hij van den kant der kerk, doch hij deed, of het hem niet aanging.
“Laat anderen daar maar heen gaan”, dacht hij, “ik heb wel wat beters te doen.”
Hij nam zijn hengel op den rug, keek snoer en haak nog eens na, en wandelde naar den vijver.
“Gisteren heb ik daar een grooten snoek zien staan”, peinsde hij, “ik heb net een mooie visch als aas, niet voor niets gisteren gevangen en in een emmer water levend gehouden ! De snoek zal vanmorgen de mijne zijn, en mijn vrouw zal hem koken. De heele week zullen we ervan kunnen eten.”
Grondeloos is het water van het meer van Halen, zoo diep, dat er een groot kasteel in verzonk. In de koele diepte, door geen menschenoog bespied, spelen de visschen. De groote, booze snoek kan ze wel vinden: snel duikt hij en zijn lange bek met de scherpe, meedoogenlooze tanden weet te grijpen.
103.
Niet altijd zwemt hij naar zijn buit. Soms staat hij rechtop in het water, als een lange paal. Niets verraadt, dat hij levend is. Ja, zelf schijnt hij niet te weten, de nooit-vermoeide droomer, dat hij bestaat. Het water rimpelt om hem heen. Hij wiegelt zachtkens mede. Zijn oogen dreigen niet. Soms, als 't zonnelicht verder doordringt in 't blauwe water, en hij meenen kan, dat een blank vischje hem voorbij-schiet, lijkt het, of zijn roerloosheid even siddert. Is het door een tijd te bepalen? Wee den grondel of den voorn, den kikvorsch of 't waterhoen, dat binnen zijn bereik komt. De kaakbeenderen, de keelbeenderen, het gehemelte, de tong zijn niet voor niets met messetanden bezet. Den bek schijnt hij te kunnen openen, zoover hij wil: zelfs de otter is niet voor hem veilig.
Terwijl de man in zijn bootje naar de plaats zocht, waar hij den vorigen dag den snoek had zien staan, bleef hij plots verschrikt staren. Want hij had natuurlijk over de grootte van den visch wel nagedacht, ja misschien had hij er wel den vorigen nacht over gedroomd. Zoo hij een schatting waagde, meende hij, dat het roofdier niet meer dan twee el zou meten; doch toen hij dezen Zondag den snoek weer aanschouwde, klopte zijn hart hem toe, dat hij wel drie el moest wezen, en dat hij zeker een zestig pond kon wegen. Zulk een snoek had men nog nimmer in eenigen vijver van het Limburgsch land gevangen. De visscher keek den hengelstok, het snoer, den haak na, voor hij den aasvisch in het meer terneder legde: zoodra gevoelde 't diertje het water om zich heen, of, al was de scherpe punt van den angel ook stevig in zijn weeke vleesch bevestigd, hij schoot met 't onzichtbare snoer weg, en de man in het bootje keek naar den dobber en naar den snoek, die nog steeds onbeweeglijk rechtop stond. Er was geen deining in den vijver. Het leek, of de visch daar ver beneden in den bodem geheid was.
De stilte van den Limburgschen Zondag, wanneer alle menschen in de kerk zitten, en het klokgebeier zoolang
104.
geleden heeft opgehouden, dat alle trillingen tot in de verste hoekenvan hemel en aarde in de verlatenheid verloren zijn, beefde door de lucht. Het koren op het land ruischte niet. Geen enkele leeuwerik - de vogel, die anders den geheelen dag het zonlicht zoekt hoog tegen de licht-gevederde wolkjes - was op dat oogenblik gestegen. Zelfs de merel zweeg.
De visscher, in zijn droomen verzonken, dacht er plots aan, dat hij in een betooverd meer vischte. Niet alleen, dat er diep in het water een kasteel is gedaald, met al zijn muren en torens, neen! in den heiligen Kerstnacht kan men hier, als men zich over het water buigt, klokken hooren luiden. Klokken die ter kerke roepen ...
De man schrok angstig uit zijn dommel op. Klokken ...?
Had hij niet den heiligen dienst verzuimd? Was zijn plaats niet te midden der geloovigen?
Er voer een zachte zefier over het water, en de dobber, lichter dan een veder, buitelde efkes, zoodat een minder ervaren visscher zeker zou hebben gedacht, dat een visch hapte. Knapen en Zondags-hengelaars vergissen zich gemakkelijk, als de wind zoo schalksch den dobber beroert. De visscher echter, die weet wat visschen is, vindt het niet de moeite waard het snoer te halen.
Eensklaps kwam er een andere beweging inden dobber. Het vischje had den vijand gezien, en vluchtte. Zoo vlucht een man in zijn gevangenispak; weet hij niet zeker, dat hij wordt herkend, ingehaald en gegrepen? De man in de boot liet de lijn vieren, op zijn gemak. Vischje! vischje! er is een eind aan het snoer.
Het lange, slanke lijf van den snoek was al achter hem, de lepels van den bek had hij al reeds van elkaar getroken ... hap! deed hij, en met een vaart schoot de dobber naar beneden.
“Halen, jongens,” dacht de man blijde. “Dat is vanmiddag iets lekkers in de pan.”
Men weet, dat het gemakkelijk valt het gewicht van
105.
een visch - zoolang hij nog onder water is - te torsen. Deze snoek echter bezat een vreemde kracht. Hij leek niet verschrikt, dat een andere wil hem aan het touw hield. Hij trok als een sterk, gespierd mensch terug.
De visscher dacht eraan, dat hij de kerkgang had verzuimd. Waarom luisterde hij niet naar 't luiden der klokken? Hij moest zijn straf lijden, daar hij ging hengelen, instee deze heilige stemmen te gelooven.
Hij verzette zich, doch stap voor stap (het bootje wiegelde) over de lengte van zijn boot, werd hij meegesleurd, tot hij op den rand stond. De spieren van zijn beide armen werden hard als staal.
Toen hij eenmaal wankelde, de arme visscher, met wien Gods wil geschiedde, toen hij eenmaal wankelde, moest hij wel vallen, en hij viel in 't lichtblauwe water, waartusschen hier en daar de blinkende banen van het zonlicht groefden.
Beschrijving
Ondanks het luiden van de kerkklokken gaat een man op zondag vissen. De snoek die hij aan de lijn krijgt is zo sterk dat de man in het water valt en verdrinkt, als straf voor het verzuimen van de kerkgang.
Bron
Cohen, J. Nederlandsche sagen en legenden. 2 dln. Zutphen: Thieme, 1918-1919 Dl 2, p. 102-105
Commentaar
Halen in Belgisch Limburg
Naam Overig in Tekst
God   
Limburgs   
Zondag   
Kerstnacht   
Naam Locatie in Tekst
Halen   
Plaats van Handelen
Halen   
