Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VODA_025_01

Een sprookje (mondeling), augustus 1977

Hoofdtekst

Het is het verhaal van de Doodsberg te Vessem. Ik wil het u precies vertellen zoals de man, die Rijken, het mij verteld heeft. Ik wil het woordelijk vertellen. De buurtschap Kuilenburg ligt langs den brede zandweg die het dorp Vessem met Oostelbeers verbindt. Aan weerskanten van de weg, hier en daar beschaduwd door een rij van eikenbomen, staan een vijftiental huizen, meest allen eenvoudige boerenwoningen, gescheien door haren en hoven en bouw en weiland. Even buiten het gehucht doorsnijdt de baan een breed bos van hoog opgaande dennenbomen waar zandige karrenwegen en kronkelende paden elkander kruisen en voeren naar de wijde Buikse Heide, aan de ene zijde en naar de gehuchten van den overkant, de donk, en het meerven. Ginds aan het einde der straat, woonde een eenvoudige, brave weduwe met heur zoon Gerrit en heur dochter Hanne.
Lang is het geleeën; zo lang dat niemand het precies weet wanneer. De vrouw bezat een klein boerderijke, dat met zorg werd bewerkt en in den opbrengst daarvan, vond het drietal een sober bestaan. Heel rustig en kalm gleed hun leven daarheen, en gelukkig en tevreden als ze waren, hadden ze hun lot niet met een beter willen verwisselen. Wanneer ze in den zomermaanden klaar waren met hun dagwerk, gebeurde het wel dat ze plaatsnamen op de eikenhouten bank onder de honderdjarige linde voor het huisje. En daar baden ze gezamenlijk hun rozenhoedje en bespraken hun bezigheden voor den volgende dag, of de gebeurtenissen van hun dorp en omgeving. Vaak ook kwamen de buurjongens buurten, want Hanne onder hen graag gezien. Geen wonder, want het was een flinke, stevig-gebouwde boerenmeid, met een gezond wezen met donkerblonde haren en bruine ogen, die altijd flikkerden van ingehouden levenslust zoals het scheen. Een vriendelijke glimlach speelde steeds om haar mond, en ze wist haar antwoorden goed te vinden wanneer de garde haar plaagde.
Op een mooie, ’s zomerse augustusdag gebeurde het, dat Hanne na haar dagelijkse werk te hebben verricht zich verkleedde om even naar haar grootmoeder te gaan. Grootmoeder woonde aan de andere kant van het bos. Ze was al erg oud en kon zich bijna niet meer verhelpen. Maar haar huisje verlaten, waar ze zo gelukkige jaren met haar man zaliger geleefd had, wilde ze niet. En nu was grootmoeder ziek, en Hanne ging naar haar toe om haar te verzorgen en het huisje wat op te knappen. Het schemerde al een beetje en haar moeder had graag dat Gerrit even meeliep, maar die moest nog het vee verzorgen en daarom werd afgesproken dat hij haar bij grootmoeder zou komen afhalen. Met een ‘nou dag moeder tot straks’ zwaait Hanne haar moeder goedendag en met vlugge tred trippelt ze de weg op om straks te verdwijnen achter de bomen van het bos. Maar niet zo gezwind is haar tred, al ze beschouwt nog met zeker welgevallen de veelbelovende veldvruchten om haar op de akkers, met hun gelende korenhalmen, die zich diep buigen onder de zwaarte van de overvolle aar. In het bos gekomen, hoort ze het gezang van enkele vogels die nog niet zijn ingeslapen. Het gekwinkeleer van de merel daar in de bomen, aan het gekrijs van de Vlaamse gaai. Ze ziet de dartelende sprongen van het konijntje op de bosvecht dat bij haar nadering zich schuw terugtrekt in het lage struikwas. Zodanig is zij in de natuur verdiept, dat ze ineens opschrikt, als ze een stem hoort, die uit een der zijpaadjes tot haar doordringt en groetend zegt ‘dag Hanne. Waar ga je heen? Zo laat nog en zo alleen.’ Een wolk betrekt haar anders zo vriendelijk gelaat. Dat hij het juist moet zijn. ‘O, ik moet naar groetmoeder die ziek is’, zegt zij dan gewoon. ‘O ja’, vroeg Jan, een van haar buurjongens die menigmaal aan haar huis kwam. ‘Mag ik dan met je mee?’ ‘O nee, doe het maar niet’, weerde Hanne af. Ik moet mij voortmaken. Straks komt mijn broer me halen. Maar hij luistert niet naar haar antwoord, en zijn eigen gedachten volgend zei hij. ‘Ik moet je spreken Hanne. Je weet dat ik van je hou. Voor mij bestaan geen ander. En ik laat je niet met rust, alvorens je mij verklaart dat ook gij van mij houdt en dat je mijn vrouw zult worden.’ ‘Nee nee’ zegt Hanne koel. ‘Weg. Ik wil, ik mag niet. Nooit zal ik je vrouw worden. Wij passen niet bij elkaar. Gij zijt een welgestelde boerenzoon, en ik slechts de dochter van een behoeftige weduwe. Ga heen en spreek er mij niet meer over. Zoek een ander meisje en laat mij met rust.’ Toen zag zij iets blinkends flikkeren en eer zij zich kon verweren, voelde zij een scherpe, stekende pijn in het hart en met beide handen ontklemde ze haar borst. Stralend bloed guste uit haar wond, een diepe zucht steeg op uit haar mond en ze zeeg neer. ‘Moeder, moeder, kreunde ze nauw hoorbaar.’ En toen ‘Jan, dat je zoiets doen kon.’ Snikkend viel hij naast haar neer. ‘Hanne, vergeef me. Ik wist niet wat ik deed Hanne. Kijk me nog een keer aan. M’n God wat heb ik nou toch gedaan.’ Maar ze had haar ogen reeds gesloten. Gedood had hij haar, het meisje dat die zo lief had, door de steek van het mes. Opeens drong het tot hem door wat die gedaan had. Een moord had die op zijn geweten, een wrede, gruwzame moord. Weg, ver weg slingerde hij het bebloede mes van zich af. Vluchten zou hij, ver van hier. Hier wachtte hem immers de gevangenis of de dood. Dat waren zijn eerste gedachten. Schuw keek die om zich heen en rende toen plotseling langs het voetpad naar de rand van het bos de heide op. Het was intussen donker geworden. Maar waarom zou hij vluchten? Er was hier geen mens. Heinde en verre niet, op de heide. Alles was stil om hem heen. Hij kon immers ongemerkt thuiskomen. Niemand had hem het bos in zien gaan. Niemand zag hem eruit komen. Geen mens had hem bij Hanne gezien. Wie kon hem dus van moord verdenken?
Grote ontsteltenis ontstond er op de Kuilenburg, toen men daar vernam dat Hanne niet bij grootmoeder was geweest, en niet terugkeerde al werd het negen, tien, elf uur. De buurt werd gewaarschuwd en men ging zoeken langs de grote weg en langs de zijpaden in het bos. Men veronderstelde nog geen erge dingen. Men vermoedde dat Hanne plotseling ziek was geworden, zonder dat ze zich kon helpen of dat ze hier of daar was gaan rusten en in slaap gevallen was. Misschien was ze wel verdronken, meende iemand. Maar dat kon niet. Er was immers geen water in de nabijheid. Na lang zoeken in allerlei richtingen, vond men bij het aanbreken van den dag langs het pad in het dennenbos een lijk. Diep was de verslagenheid in het rustige, vredige dorp. Een moord was er gebeurd, een gruwelijke moord in een dorp waar zelfs een kip niet ongemerkt een ei kon leggen. Wie zou de moordenaar zijn? Wie zou de misdaad hebben gepleegd? Zou het een dorpsgenoot zijn of een vreemdeling? Een zwerver, een bedelaar of een marskramer? En waarom zou hij de moord hebben gepleegd? Zou de moordenaar vermoed hebben, dat Hanne geld verborgen hield in het korfje dat zij aan d‘r arm droeg? Deze dergelijke vragen en gissingen gingen in het dorp van mond tot mond.
Er zijn inmiddels een paar dagen over deze vreselijke gebeurtenis heengegaan. Iedereen is er nog vol van. Er is geen enkele aanwijzing in de richting van de dader. Het hele dorp loopt uit om de vreemde heren van het gerecht op het gemeentehuis *kuch* en elkeen spreekt zijn minachting uit en verontwaardiging over de onkunde van de geleerde heren. Zou de moordenaar wel ooit ontdekt worden? Men begon reeds te twijfelen. Ondanks het afgrijselijk gebeuren gingen de boerenwerkzaamheden haar gewone gang. De oogst was rijp en het koren moest gemaaid worden. Daarom gingen twee jongemannen naar het veld. Vroeg in de morgen togen ze uit, gewapend met zeis en zichthaak en voorzien van hun middagmaal in linnen zakken en drank in tinnen kannen. Regelmatig zwaaiden hun zeisen in het graan, die flikkerden in het felle zonlicht en de breedgerande strooien hoeden beschermden de mannen tegen de brandende zon. Het werd middag. Een deel van het graan is neergelegd in regelmatige slingerrijen. Straks komen de meiden om de garven te binden en tot struiken op te zetten. Daar horen de maaiers het angelusklokje kleppen, ginds in het dorp. Eerbiedig nemen ze hun hoofddeksel af en bogen den hoofden, en baden nederig het Engel des Heren. *kuch* Daarna legden ze hun gereedschap neer en achter een lommerrijke, koele plek, onder de dichte eikenhaag aan de rand van de akker, om hun middagmaal te gebruiken en daarna een kort middagdutje te doen. Ze waren al een hele poos ingedommeld, toen opeens een hunne wakker schrok. Wat hoorde hij daar? ‘Hanne, Hanne’, mompelde zijn makker. ‘Vergeef het me. Het was mijn bedoeling niet je te doden. Ik hield zo veel van je. Vergiffenis Hanne.’ Hij snikte hoorbaar. De andere ontstelde hevig en verbleekte. Was zijn buurman en vriend Jan de moordenaar? Waarom vroeg die anders vergiffenis? Nee, het kon Jan niet geweest zijn. En toch… ‘Jan’, schudde hij de slapende zachtjes door elkaar. ‘Jan, word wakker man.’ ‘Wat is er’ schrok Jan op. ‘Waar ben ik?’ Angstig keek die rond. ‘Zeg Jan’ voert de andere op ernstige toon, ‘wat zijn dat daar voor vlekken op je broek en aan je jas? Zijn dat geen bloedvlekken?’ ‘Bloed’ zegt Jan verschrikt, en voelend dat hij bezig is zich te verraden, ging die verder: ‘ja, dat is bloed. Ik heb een paar dagen geleden een varken geslacht.’ ‘Zo’ zegt de ander, ‘een varken geslacht’ terwijl die Jan doordringend aanzag. ‘Daar heb ik toch niets van gehoord, en ik ben toch je naaste buurman en vriend.’ ‘Ja, maar niet bij ons thuis. Maar bij ons Driekoom op den donk’. ‘Maak dat de kat wijs’, zegt zijn vriend, ‘het is bloed van Hanne die jij vermoord hebt. Je hebt je in je slaap verraden. Je kunt het niet loochenen’. Jan bekende zijn misdaad. Al de dagen sedert de moord was hij gefolterd en gekweld door akelige visioenen in de nacht. En ging zichzelf aanklagen en het gerecht maakte korte metten met hem.
Op de plek waar hij de moord bedreef werd een heuvel opgeworpen en daarop een galg geplant. Hier werd de moordenaar terecht gesteld. Zijn straf was de dood door de strop. De plaats kreeg en behield de naam van de Doodsberg. Wanneer je heden ten dagen naar de oorsprong van die naam vraagt, zal elke inwoner van Vessem u de geschiedenis welke vooraf ging verhalen en daar ernstig aan toevoegen: ‘zo wordt elke misdaad gestraft. Hoe geheimzinnig ze ook is voorbereid en gepleegd.’ Intussen is het in het jaar 1935 het bos gerooid en de Doodsberg geslecht.

Onderwerp

ATU 0960 - The Sun Brings All to Light.    ATU 0960 - The Sun Brings All to Light.   

AT 0960 - The Sun Brings All to Light    AT 0960 - The Sun Brings All to Light   

Beschrijving

Terwijl Hanne op weg is naar haar zieke grootmoeder komt zij haar dorpsgenoot Jan tegen. Hij verklaart zijn liefde aan haar, maar wordt afgewezen, waarop hij Hanne vermoordt. Jan vlucht van de plek van de misdaad. Als Jan enkele dagen later met een vriend op een akker ligt, verraadt hij in zijn slaap dat hij Hanne heeft vermoordt. Hij geeft zichzelf aan en wordt ter dood veroordeeld. Op de plaats waar hij Hanne vermoordde wordt een heuvel opgeworpen die de Doodsberg wordt genoemd.

Bron

Radio-uitzending Vonken onder de As (NOS)

Naam Overig in Tekst

Hanne    Hanne   

Jan    Jan   

Gerrit    Gerrit   

Driekoom    Driekoom   

Naam Locatie in Tekst

Vessem    Vessem   

Doodsberg    Doodsberg   

Oostelbeers    Oostelbeers   

Buikse Heide    Buikse Heide   

Kuilenburg    Kuilenburg   

Plaats van Handelen

Vessem    Vessem   

Doodsberg    Doodsberg