Hoofdtekst
Nog een ander verhaal dat hier op de buurten bij de boeren verteld werd is het volgende.
Op de Achterste Hoef woonde eens lang geleden een boer, en diejen boer haj (had) een knecht en die wier (werd) ooit weerwolf. En daar waren ze ârrig (aardig) achter gekomen. Die knecht vreêj (verkeerde) met een meid uit de buurt. Nou waren die twee samen eens buiten dorps (naar een ander dorp) geweest en 't was al tusschen licht en donker toen ze op huis aan gingen. Ze waren al zoo heel ver niet meer van huis toen hij weer voelde dat hij weerwolf worden zou. De meid merkte niets. Hij zei tegen haar: "Ik moet hier eens effekes van de weg af bij geenen (gindschen) boer zijn. Ga gij maar door, ik zal oe (u) wel inhalen; maar komt ge soms eenen kwaden hond tegen, die op u aan bijt, gooit hem dan mijn zakdoek toe, die zal hij misschien wel vatten, en loopt gij gauw door." Zoo gezeed, zoo gedaan. De meid kwam een grooten kwaden hond tegen, ze gooide hem den zakdoek toe welke hij terstond pakte en kapot beet terwijl zij er van door ging. Toen de zakdoek verscheurt was werd dezen hond, want dat was de weerwolf, weer stillekens aan mensch en ging zijn lief achterna die hij inhaalde en thuis bracht terwijl zij hem het geval vertelde. Toen ze zamen thuis kwamen bij haar ouders werd het geval nogmaals besproken, ofschoon hij er niet veel praat over hebben wou, en [werd] hij op het avondeten genoodigd.
Onder het eten zagen ze de stukken van den verscheurden zakdoek tusschen zijn tanden zitten en merkten zoo [dat] hij de weerwolf was. Hij was daaraf gekomen op de volgende manier. Die weerwolven droegen eenen band om 't lijf en kan men die machtig worden, dan [= en] verbranden, dan was hij weer gewoon mensch. Op een goeien keer had den boer hem ver van huis ergens naar toe gezonden en toen hij weg was vond hij den band. Dadelijk werd den oven gloeiend heet gestookt, de buren er bij geroepen en den band in den gloeiend heeten oven geworpen. Op welke manier wist niemand maar eensklaps stond de weerwolf in menschengedaante evenwel bij den oven en wilde er in loopen om den band er uit te halen doch alleman pakte hem en hield hem vast totdat den band verbrand was. Toen dat goed en wel gebeurd was deede hij geen moeite meer om er in te komen en was voor goed van de weerwolverij af.
Op de Achterste Hoef woonde eens lang geleden een boer, en diejen boer haj (had) een knecht en die wier (werd) ooit weerwolf. En daar waren ze ârrig (aardig) achter gekomen. Die knecht vreêj (verkeerde) met een meid uit de buurt. Nou waren die twee samen eens buiten dorps (naar een ander dorp) geweest en 't was al tusschen licht en donker toen ze op huis aan gingen. Ze waren al zoo heel ver niet meer van huis toen hij weer voelde dat hij weerwolf worden zou. De meid merkte niets. Hij zei tegen haar: "Ik moet hier eens effekes van de weg af bij geenen (gindschen) boer zijn. Ga gij maar door, ik zal oe (u) wel inhalen; maar komt ge soms eenen kwaden hond tegen, die op u aan bijt, gooit hem dan mijn zakdoek toe, die zal hij misschien wel vatten, en loopt gij gauw door." Zoo gezeed, zoo gedaan. De meid kwam een grooten kwaden hond tegen, ze gooide hem den zakdoek toe welke hij terstond pakte en kapot beet terwijl zij er van door ging. Toen de zakdoek verscheurt was werd dezen hond, want dat was de weerwolf, weer stillekens aan mensch en ging zijn lief achterna die hij inhaalde en thuis bracht terwijl zij hem het geval vertelde. Toen ze zamen thuis kwamen bij haar ouders werd het geval nogmaals besproken, ofschoon hij er niet veel praat over hebben wou, en [werd] hij op het avondeten genoodigd.
Onder het eten zagen ze de stukken van den verscheurden zakdoek tusschen zijn tanden zitten en merkten zoo [dat] hij de weerwolf was. Hij was daaraf gekomen op de volgende manier. Die weerwolven droegen eenen band om 't lijf en kan men die machtig worden, dan [= en] verbranden, dan was hij weer gewoon mensch. Op een goeien keer had den boer hem ver van huis ergens naar toe gezonden en toen hij weg was vond hij den band. Dadelijk werd den oven gloeiend heet gestookt, de buren er bij geroepen en den band in den gloeiend heeten oven geworpen. Op welke manier wist niemand maar eensklaps stond de weerwolf in menschengedaante evenwel bij den oven en wilde er in loopen om den band er uit te halen doch alleman pakte hem en hield hem vast totdat den band verbrand was. Toen dat goed en wel gebeurd was deede hij geen moeite meer om er in te komen en was voor goed van de weerwolverij af.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongeman is een weerwolf. Wanneer hij wandelt met zijn meisje, voelt hij aankomen dat hij zal veranderen. Hij stuurt haar verder en waarschuwt haar voor een grote hond. Zij moet hem zijn zakdoek toewerpen, dan kan het meisje vluchten. Later zien zij en haar familie echter dat de stukken zakdoek tussen de tanden van de jongeman zitten. Weerwolven hebben altijd een band om hun middel. De boer, bij wie de jongeman in dienst is, verbrandt de band. De weerwolf probeert nog in het vuur te komen, maar hij wordt tegengehouden. Wanneer de band verbrand is, is de jongeman weer een gewoon mens.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
1 januari 1894
Dat verhaal omtrent den weerwolf maakt zooals een mijner kennissen vertelde in Limburg ook opgang.
Das zerbissene Tuch & SINSAG 0824: Die verbrannte Haut
Naam Overig in Tekst
Achterste hoef   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
