Hoofdtekst
Een oom van mij, die had iets in z'n gezicht. Zo iets roodachtigs. Dit had hij als jongen bij een ruzie gekregen. Een van die jongens had hem toen met een riek gestoten en toen kreeg hij het gezicht vol pukkels en rood, weet je wel.
Hij werd maar niet beter, was reeds overal naar de doktoren geweest maar die konden er niets aan doen, niets aan doen.
Toen kwam er een Duitser, een Pruis, 'n soort landloper. Die was hier in een herberg geweest. Deze kwam hierheen, bij hem en zeide hem dat hij hem dat ding zou verdrijven. Hij wilde 't hem ook verdrijven, maar dan liep hij de kans dat hij de ogen zou verliezen. Ja, en toen vertelde hij hem ook dat hij door een kwade hand was geraakt en, dat degenen die hem dat geleverd hadden, hem moedwillig in 't gezicht gestoten hadden, daartoe behoorden.
Enfin, 't was dan goed. De kerel had in de Slakkenbeemd bloemen geplukt, van allerhande kruiden haalde de Pruis, die kerel. Toen zei hij: "Heer, man, hier zijn er nog veel van die wijven die zulks kennen. 't Zijn er negen. Toen lachten ze hem uit, hè noe, nu wacht zei hij, ik laat ze komen. Hij haalde een boekje te voorschijn, scheurde er een blad uit, en daar maakte hij negen papiertjes van en deze legde hij op straat. En die negen vrouwen kwamen en elkeen, iedere raapte een papiertje op.
Vraag opnemer: Dus met die papiertjes, daardoor had de Pruis bewezen dat er nog negen van dat soort wijven waren?
Antwoord vert : Ja zeker, die komen op wit aan. Dat is bewezen zaak!
Vraag opn. : Als ik het verhaal goed begrepen heb, dan heeft Uw oom zich niet door de Duitser laten helpen?
Antw. vert. : Neen, door diens behandelingliep hij immers de kans blind te worden. Mijn oom is aan de genoemde ziekte gestorven.
Plaats van handeling: Klimmen
Hij werd maar niet beter, was reeds overal naar de doktoren geweest maar die konden er niets aan doen, niets aan doen.
Toen kwam er een Duitser, een Pruis, 'n soort landloper. Die was hier in een herberg geweest. Deze kwam hierheen, bij hem en zeide hem dat hij hem dat ding zou verdrijven. Hij wilde 't hem ook verdrijven, maar dan liep hij de kans dat hij de ogen zou verliezen. Ja, en toen vertelde hij hem ook dat hij door een kwade hand was geraakt en, dat degenen die hem dat geleverd hadden, hem moedwillig in 't gezicht gestoten hadden, daartoe behoorden.
Enfin, 't was dan goed. De kerel had in de Slakkenbeemd bloemen geplukt, van allerhande kruiden haalde de Pruis, die kerel. Toen zei hij: "Heer, man, hier zijn er nog veel van die wijven die zulks kennen. 't Zijn er negen. Toen lachten ze hem uit, hè noe, nu wacht zei hij, ik laat ze komen. Hij haalde een boekje te voorschijn, scheurde er een blad uit, en daar maakte hij negen papiertjes van en deze legde hij op straat. En die negen vrouwen kwamen en elkeen, iedere raapte een papiertje op.
Vraag opnemer: Dus met die papiertjes, daardoor had de Pruis bewezen dat er nog negen van dat soort wijven waren?
Antwoord vert : Ja zeker, die komen op wit aan. Dat is bewezen zaak!
Vraag opn. : Als ik het verhaal goed begrepen heb, dan heeft Uw oom zich niet door de Duitser laten helpen?
Antw. vert. : Neen, door diens behandelingliep hij immers de kans blind te worden. Mijn oom is aan de genoemde ziekte gestorven.
Plaats van handeling: Klimmen
Onderwerp
TM 3117 - De kwade hand (het boze oog)   
Beschrijving
Tovenaar zegt iemand te kunnen genezen van wat hem door de kwade hand is overkomen. Laat negen vrouwen die ook met kruiden kunnen genezen, tevoorschijn komen.
Bron
Collectie Brouwers, verslag 3, verhaal 2 (Archief Meertens Instituut)
Commentaar
Brouwers: Verslag no. 5
Naam Overig in Tekst
Duitser   
Pruis   
Slakkenbeemd   
Plaats van Handelen
Klimmen   
