Hoofdtekst
M: Theo Meder
M: "U zei ook: nabij het weiland, daar was riet. Wat deden de boeren met dat riet?"
G: "Dat riet werd afgemaaid, en dat werd gebruikt als strooisel onder de schapen-, kalverenhokken. Dat riet dat wij tenminste hadden - dat was niet veel. Maar je had ook rietlanden, wat werd gebruikt voor dekriet, om op de daken te leggen. En dat zit daar richting Uitdam, Zuiderwoude. Daar zijn een hoop velden riet. Die werden gemaaid voor dekriet. Dat gebeurt nou nog."
M: "En dat boerenbedrijf van uw vader, was dat nou ook deels akkerbouw of alleen maar veeteelt?"
G: "Nee. Enkel weiland. En dat was alleen bereikbaar te water. Ik kon mijn land niet rijdend bereiken. Dat wil zeggen: ik kon mijn hooi niet rijdend thuis krijgen. U kijkt daar [wijst] tegen dat huis an, en daarachter staat nog zo'n huis, en daar was de doorgang zo smal: daar kun je met een baal hooi niet tussendoor. En mijn meeste weiland lag aan die kant van de weg. Dus dat kon ik niet berijen. Toen heeft een grote landeigenaar, die heb dat ene huis gekocht, en die heb twee meter van het huis afgezaagd. Toen kreeg ik ruimte, en toen ben ik gaan rijen. Voor die tijd was het alleen varen... Maar ook... Ik ben dus getrouwd in 1934 en toen kwam mijn vrouw hier, in de crisisjaren, en dan stonden we in de zomer beiden om vier uur op, 's morgens, 's nachts, dan stapten we in een bootje en dan gingen we met melkgerei het veld in koeien melken. Dan kwam je om zeven uur terug, en dan ging die melk naar Amsterdam."
M: "Die ging dan met de melkboot."
G: "Ja, met de melkboot. En 's avonds dito. Dus wij begonnen 's morgens om vier uur en 's avonds om half zeven dan was je klaar. Dan zat er zegge en schrijve één uur schafttijd tussen. Je maakte dus een zeventig-urige werkweek."
M: "Maar u ging dus twee keer per dag melken?"
G: "Twee keer per dag melken."
M: "En dan ging de melk 's avonds nog een keer naar Amsterdam?"
G: "Ja. Die melk ging naar Amsterdam. Maar die ging ik zelf niet uitventen. Dat waren... Dat noemde je hier de stadvaartboeren. In de volksmond noemden ze het 'stafferboeren'. Dat was de naam hier. En zo zaten er naar mijn schatting hier op het dorp zeker wel zo'n vijfentwintig. Die hun melk uitventten in Amsterdam."
M: "Die hoefden niet per se zelf koeien te hebben? Die kochten het van die andere boeren?"
G: "Van de boeren d'r melk. En met die melk gingen ze naar Amsterdam venten. Gingen met de boot naar de Prins Hendrikkade. En bij de Prins Hendrikkade daar was een karrenverhuurder. Daar namen ze een handkar, en dan gingen ze met de handkar de stad in. En in die tijd dat ik trouwde, voor de oorlog dus, toen ontving ik voor de melk ƒ1,75 per 100 liter. Plus regeringstoeslag, ik meen van ƒ1,65. En dat was de prijs voor 100 liter melk."
M: "Dat klinkt heel weinig."
G: "Ik werkte dus hier op deze boerderij. Mijn moeder was een jaar voor ik trouwde gestorven. Mijn vader die kwam bij ons in huis. Die was bij ons in huis; hielp mee in het bedrijf. En mijn vrouw hielp mee in het bedrijf, dus er was geen betaald personeel. Ik pachtte de boerderij van mijn vader voor een schappelijke prijs. En ik durf te zeggen: ik was niet achterlijk als boer. Ik was een goeie boer en ik wist eruit te halen wat erin zat. Toen heb ik in, schat ik, 1937... toen kreeg ik een aanslag van de inkomstenbelasting. Toen schreef ik een brief naar de inspecteur: meneer, ik heb geen inkomen. Kom dat maar eens bewijzen, zei 'ie. Ik zeg: nou dat doe ik. Ik had op diezelfde Landbouwschool eenvoudig boekhouden geleerd. Ik had dus een doodgewoon schrift waar alles in opgeschreven werd. De gemenigheid hadden we nog niet geleerd, want het was nog geen oorlog geweest! In de oorlog hebben we geleerd, hoe je de wet ontduiken ken. Dat hadden we toen niet geleerd. Dus in mijn boekhouding kon 'ie lezen: één kip verkocht: 60 cent; twee liter biest naar bakker Van der Vegten gebracht: 20 cent. Die biest gebruikte hij om z'n beslag af te strijken. Kortom: àlles werd opgeschreven, d'r werd niks ontdoken. En ik ging met mijn boekhouding naar de inspecteur en hij heeft het nagekeken en hij zegt: 'Inderdaad, u heb geen inkomen'... Omdat u zoveel jonger bent, en u wat van het boerenleven weten wil, hoe het toen was, vind ik het nuttig en nodig, dat u dit weet. Ik was - alweer, ik moet dan mezelf prijzen - ik was een hardwerkende boer, en m'n vrouw ook, en m'n vader ook, en wij waren geen uitgaanders, we gingen nooit op vakantie, d'r werd geen borrel gedronken, d'r werd niks over de balk gegooid. En ik kon geen spijker verdienen! M'n buurman..."
M: "U speelde voortdurend quitte. U kon leven, u kon wonen, eten enzovoort, maar..."
G: "Ik kon, dankzij dat ik van mijn vader huurde, die het vel niet over m'n neus haalde, kon ik me redden. M'n buurman die werkte op de zwavelzuurfabriek en verdiende dertig gulden in de week. En dan zeien m'n vrouw en ik tegen mekander: 'As we dat nou nog es magge beleven: dat we dertig gulden per week te verteren hebben'. Dan ben je boer op een groot bedrijf. En wat me altijd erg zwaar heb gezeten, is dat je toch door de arbeidende klasse als kapitalist bekeken wordt. Ieder die met arbeid z'n brood verdienen moet, is geen kapitalist. En dat je daarvoor aangekeken werd, dat vond ik vreselijk! Er staan koeien op stal, niet? Een groot bezit. Maar ik begon met een kont met schuld bij de bank. Bij de Boerenleenbank, waar mijn vader weer mede-oprichter van was. En wat was dat, die Boerenleenbank? Die ouwe heer Raifaissen, uit Duitsland, dat verhaal dat ken u, de oprichter van de Raifaissenbank..."
M: "Ja, ik ken de naam ja."
G: "...die droeg die arme boertjes in Duitsland een warm hart toe, en die richtte een Raifaissenbank op, waar men als men wat verdiend had brengen kon, en als je geld nodig had lenen kon. Daaruit is de huidige RABO-bank ontstaan. En dat was zuiver van mensen die het opgespaarde geld brachten en met geleend geld begonnen. Ik zat dus in die crisisjaren met een grote schuld aan de bank, vreselijk hard werken en geen spijker verdienen. Zo zat het. Ja."
M: "Maar dat is in later jaren, hoop ik, toch nog wel goed gekomen?"
G: "Dat is in later jaren goed gekomen. Ja, dat is een tijd, daar weet u alles van. De omstandigheden zijn veel en veel beter geworden. Een arbeider kon in die crisisjaren geen spijker verdienen, net zo min als ik dat kon; en dat kon een arbeider nog veel slechter, want het enige wat wij wèl hadden: een produkt dat we zelf ook gebruiken konden. Ik had een buurman, die had een zaakie gehad in Amsterdam, en door de crisis raakte 'ie failliet, en die kwam hier wonen. In een klein huissie, voor één gulden huur per week. Piepklein huissie, bestaande uit één kamer, zonder keuken, met een paar bedsteden en een zoldertje, en een regenwaterbak in het gangetje waar je inkwam. Piepklein, en vier kinderen. Die man verdiende twaalf gulden met het baggeren hier in deze wateren. Baggeren in een schuit, en die schuit met een schop leeghozen. Dat waren de crisisjaren. Ik ben ook niet een socialist, hoewel ik wèl sociaalvoelend ben. Ik heb grote eerbied en respect voor wijlen de heer Drees. Dat was een zeer bekwaam en zeer betrouwbaar regeerder. En die heeft voor de arbeidende klasse onzettend veel goed gedaan. En dat de economie in z'n geheel veel beter is geworden na de oorlog, daaraan danken we allemaal dat we het veel beter hebben. Ook de boeren hebben het nou veel beter. Ik zeg wel eens: ik heb te vroeg geleefd."
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Prins Hendrikkade   
Van der Vegten   
Boerenleenbank   
Raifaissenbank   
RABO   
Naam Locatie in Tekst
Uitdam   
Zuiderwoude   
Amsterdam   
Landbouwschool   
Duitsland   
Drees   
