Hoofdtekst
In het dorp Küssenberg leefde een pastoor die een knappe meid en een mooi paard had. Hij had ze alle twee even graag. De hertog van Brunswijk wilde het paard van de pastoor graag kopen.
Meermaals liet hij aan de pastoor zeggen dat hij er meer geld wilde voor geven dan het dier waard was. Maar de pastoor had altijd geweigerd omdat hij zoveel van het dier hield. En de hertog durfde het niet af te nemen, want de rechtspraak berustte immers bij de raad van Brunswijk. Dat kwam Ulenspiegel ter ore. Hij zei tegen de hertog: "Genadige heer, wat geeft u mij als ik ervoor zorg dat
u het paard van de pastoor krijgt?"
De hertog antwoordde: "Ik zal je mijn mantel geven."
Die was van rode stof gemaakt en de randen waren bezet met parels.
Ulenspiegel nam afscheid van de hertog en trok naar de pastoor. Hij kwam nogal vaak in dat dorp en werd er dus hartelijk ontvangen. Na drie dagen deed hij alsof hij ziek was. Hij bleef in bed liggen, zodat de pastoor en zijn meid bedroefd waren. Ulenspiegel werd nog zieker en de pastoor drong er bij hem op aan dat hij zijn biecht zou spreken en de troost van de heilige Kerk ontvangen. Ulenspiegel was daar heel blij om en ging dus bij de pastoor te biechten. Die ondervroeg hem diepgaand, sprak vermanende woorden en zei dat hij berouw moest hebben opdat zijn Ziel be-
waard zou blijven. Dan zou God hem al zijn boevenstreken vergeven. Ulenspiegel zei: “Ik heb maar één zonde die ik u niet durf op te biechten, want dan zou u heel kwaad op me zijn. U zou er
beter een andere priester bij halen aan wie ik die zonde wel kan biechten.”
De pastoor, die dacht dat er iets bijzonders achter zat, zei: “Goede vriend, het is een eind van hier. Zo vlug kan ik geen andere priester vinden. En als je intussen zou sterven, zijn we beiden schuldig
tegenover God. Biecht mij die zonde dus maar op. Hoe groot ze ook is, ik zal je de absolutie geven. En of ik er kwaad om ben, doet er niet toe want ik moet het biechtgeheim eerbiedigen.”
Ulenspiegel zei: "Ik wil die zonde wel biechten. Ze is echt niet zo groot. Maar ze heeft met u te maken en ik vrees dat u kwaad gaat worden."
Toen werd de pastoor nog nieuwsgieriger. Of Ulenspiegel hem bestolen had of schade had toegebracht, hij zou het hem vergeven en het later ook nooit kwalijk nemen.
Ulenspiegel zei: "Lieve heer, ik weet dat u kwaad zult zijn, maar ik voel me zo slecht dat ik het u wil zeggen. Ik heb met uw meid geslapen."
De priester vroeg: "Hoe vaak?"
Ulenspiegel zei: "Niet meer dan vijf keer."
De priester dacht: vijf builen zal ze daarvoor krijgen. Hij gaf Ulenspiegel vlug de absolutie, ging weg bij hem en riep de meid in zijn kamer. Hij vroeg haar meteen of ze bij Ulenspiegel geslapen had.
Maar de meid zei dat het gelogen was.
De pastoor zei: "Hij heeft het gebiecht. Bovendien is het zo slecht met hem gesteld dat ik hem geloof."
Maar de meid zei: "Nee" en de pastoor zei: "Ja" en hij sloeg haar bont en blauw. Ondertussen lag Ulenspiegel in zijn bed te lachen. Hij dacht: nu zal ik die pastoor wel hebben. Maar hij bleef die dag
op zijn bed liggen. Die nacht herstelde hij helemaal.
's Morgens stond hij op en zei dat hij genezen was. Hij wilde van de priester weten hoeveel hij hem tijdens zijn ziekte gekost had. De priester rekende het uit, maar hij was zo boos dat hij niet wist
wat hij deed. Anderzijds was hij, net als de meid, heel blij dat Ulenspiegel ging vertrekken.
Toen Ulenspiegel wegging, zei hij: "Heer, denk eraan dat u uit de biecht hebt geklapt. Ik ga naar de bisschop in Halberstadt en zal me erover beklagen."
Toen de pastoor dat hoorde, vergat hij alle boosheid, viel voor Ulenspiegel op zijn knieën en smeekte hem om te zwijgen. Dan zou hij hem zelfs twintig gulden geven.
Ulenspiegel antwoordde: "Ik zou het nog niet voor honderd gulden verzwijgen. Ik zal het aan de bisschop vertellen, zoals het hoort."
Met tranen in de ogen vroeg de pastoor aan de meid of ze naar Ulenspiegel wou gaan en hem vragen wat hij wilde hebben. Toen zei Ulenspiegel: "Als hij mij dat paard wil geven, praat ik er niet
meer over. lets anders wil ik niet hebben."
De pastoor hield zoveel van dat paard dat hij hem nog meer geld wou geven dan het dier waard was. Maar met tegenzin moest hij het geven.
Ulenspiegel bracht het paard naar de hertog van Brunswijk, die hem erg dankbaar was en hem de beloofde mantel schonk. Ulenspiegel moest, tot groot plezier van de hertog, vertellen hoe hij het paard gekregen had. En de hertog gaf hem een ander paard.
En hoe zat het met de pastoor? Wel, die sloeg elke dag zijn meid tot zij bij hem wegliep. Zo raakte hij ze beiden kwijt: zijn paard en zijn meid. En dat allemaal door die schurkenstreken van Ulenspiegel.
Onderwerp
VDK 1635* 05 - Eulenspiegel's Tricks. 5: Ulespegel maakt een pastoor zijn paard afhandig.   
VDK 1635* - Eulenspiegel's Tricks   
ATU 1635* - Eulenspiegel’s Tricks   
AT 1635* - Eulenspiegel's Tricks   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Tijl Uilenspiegel   
Naam Locatie in Tekst
Brunswijk   
Halberstadt   
Braunschweig   
Plaats van Handelen
Küssenberg   
