Hoofdtekst
DE BEZETEN WEESKINDEREN
In de maand maart van het jaar 1566 sprak iedereen in Amsterdam van weeskinderen die plotseling door boze geesten waren bezeten. Het waren er wel dertig die als katten langs de muren van de huizen tot op de daken klommen. Eens klommen ze zelfs op die manier op de toren van de Oude Kerk en ze bespeelden met hun vuisten het carillon, terwijl ze zongen:
"Wij zullen hier niet van daen gaen,
Of Bametje zal in 't vuure staen."
Bametje was een heel godsdienstige vrouw die elke dag languit op de stenen vloer van de kapel van de Heylige Stee lag en eerst na een paar uur, onder "veel zuchtens uit 't binnste hares herts" weer uit haar extase ontwaakte. Sommigen geloofden echter dat die vroomheid maar schijn was en dat ze in werkelijkheid een kol (heks) was, die 's nachts door de lucht vloog naar de heksenvergadering, ze was dan "uit kol ryen." De weeskinderen verklaarden eenstemmig dat Bametje hen had betoverd en ze maakten veel misbaar als zij haar op straat ontmoetten. Een van hen drong zelfs haar huis binnen en dreigde de "Grote Vrouw," zoals ze haar noemden, in elkaar te slaan, maar de "Grote Man" — en hier wees hij naar boven — had het hem verboden. Vaak liepen weesmeisjes naar de kant van de gracht alsof ze in het water wilden springen, maar vlak bij de kant bleven ze eensklaps staan en gilden met opgeheven handen en verwrongen gezichten:
"Grote Man verbiedt het ons."
Soms lieten de wezen zich op de grond vallen en rolden daar wel een uur om en om, maar als ze dan opstonden wisten ze van niets en dachten dat ze hadden geslapen. De dokters stonden machteloos; wel meenden zij dat die ziekte een natuurlijke oorzaak had. Daarom riep men de hulp in van duivelbanners en exorcisten, die de boze geesten zouden bezweren, maar daarin niet slaagden. Wel braakten de kinderen, toen de exorcisten met hen bezig waren, spelden en naalden, vingerhoeden en potscherven, glas en wollen lappen uit, "sonder nochttans verlost te worden."
De weeskinderen hadden het vooral op de schout gemunt en er ging geen dag voorbij of zij kwamen bij zijn huis om onprettige dingen tegen hem te zeggen. Hij trachtte ze dan zoet te houden met appelen, suikergoed en koek, maar het enige resultaat was dat ze hem voortaan voor lange Deventerse koek uitscholden. Een van de weesjongens werkte bij een beeldhouwer in de Kalverstraat, die juist de laatste hand had gelegd aan een kunstwerk, "Het Laatste Oordeel." Op een kwade dag kwam die jongen het atelier binnen en gilde met vertrokken gezicht: "Zal ik dat laatste oordeel eens naar beneden halen en in stukken smijten?" En de daad bij het woord voegend, klom hij als een kat tegen de muur op en verbrijzelde het beeldhouwwerk met een hamer, terwijl hij riep: "Grote Man wil het."
Eerst toen Bametje wegens hekserij was gevangen genomen, keerde de rust in het weeshuis terug. Of zij werd veroordeeld is niet bekend. Waarschijnlijk bleef ze opgesloten ergens buiten de stad, want haar familie was schatrijk.
In de maand maart van het jaar 1566 sprak iedereen in Amsterdam van weeskinderen die plotseling door boze geesten waren bezeten. Het waren er wel dertig die als katten langs de muren van de huizen tot op de daken klommen. Eens klommen ze zelfs op die manier op de toren van de Oude Kerk en ze bespeelden met hun vuisten het carillon, terwijl ze zongen:
"Wij zullen hier niet van daen gaen,
Of Bametje zal in 't vuure staen."
Bametje was een heel godsdienstige vrouw die elke dag languit op de stenen vloer van de kapel van de Heylige Stee lag en eerst na een paar uur, onder "veel zuchtens uit 't binnste hares herts" weer uit haar extase ontwaakte. Sommigen geloofden echter dat die vroomheid maar schijn was en dat ze in werkelijkheid een kol (heks) was, die 's nachts door de lucht vloog naar de heksenvergadering, ze was dan "uit kol ryen." De weeskinderen verklaarden eenstemmig dat Bametje hen had betoverd en ze maakten veel misbaar als zij haar op straat ontmoetten. Een van hen drong zelfs haar huis binnen en dreigde de "Grote Vrouw," zoals ze haar noemden, in elkaar te slaan, maar de "Grote Man" — en hier wees hij naar boven — had het hem verboden. Vaak liepen weesmeisjes naar de kant van de gracht alsof ze in het water wilden springen, maar vlak bij de kant bleven ze eensklaps staan en gilden met opgeheven handen en verwrongen gezichten:
"Grote Man verbiedt het ons."
Soms lieten de wezen zich op de grond vallen en rolden daar wel een uur om en om, maar als ze dan opstonden wisten ze van niets en dachten dat ze hadden geslapen. De dokters stonden machteloos; wel meenden zij dat die ziekte een natuurlijke oorzaak had. Daarom riep men de hulp in van duivelbanners en exorcisten, die de boze geesten zouden bezweren, maar daarin niet slaagden. Wel braakten de kinderen, toen de exorcisten met hen bezig waren, spelden en naalden, vingerhoeden en potscherven, glas en wollen lappen uit, "sonder nochttans verlost te worden."
De weeskinderen hadden het vooral op de schout gemunt en er ging geen dag voorbij of zij kwamen bij zijn huis om onprettige dingen tegen hem te zeggen. Hij trachtte ze dan zoet te houden met appelen, suikergoed en koek, maar het enige resultaat was dat ze hem voortaan voor lange Deventerse koek uitscholden. Een van de weesjongens werkte bij een beeldhouwer in de Kalverstraat, die juist de laatste hand had gelegd aan een kunstwerk, "Het Laatste Oordeel." Op een kwade dag kwam die jongen het atelier binnen en gilde met vertrokken gezicht: "Zal ik dat laatste oordeel eens naar beneden halen en in stukken smijten?" En de daad bij het woord voegend, klom hij als een kat tegen de muur op en verbrijzelde het beeldhouwwerk met een hamer, terwijl hij riep: "Grote Man wil het."
Eerst toen Bametje wegens hekserij was gevangen genomen, keerde de rust in het weeshuis terug. Of zij werd veroordeeld is niet bekend. Waarschijnlijk bleef ze opgesloten ergens buiten de stad, want haar familie was schatrijk.
Onderwerp
SINSAG 0540 - Hexe führt irre   
Beschrijving
Een grote groep weeskinderen is bezeten door boze geesten, en zorgt voor veel overlast in Amsterdam. De kinderen beweren dat Bametje, een zeer vrome vrouw, in werkelijkheid een kol is, en dat zij hen heeft betoverd. Zodra Bametje gevangen is genomen op beschuldiging van hekserij, keert de rust in het weeshuis terug.
Bron
J.R.W. Sinninghe: Spokerijen in Amsterdam en Amstelland. Zaltbommel 1975. p. 16-18
Commentaar
Hexe führt irre
Naam Overig in Tekst
Bametje   
Heylige Stee   
Grote Vrouw   
Grote Man   
Het Laatste Oordeel   
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Oude Kerk   
Deventer   
Kalverstraat   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
