Hoofdtekst
JAN KLAASSEN
Het is nog niet zo lang geleden dat de poppenkast op de Dam stond, waar Jan Klaassen de strijd aanbond met zijn vrouw Katrijn, de huisbaas, de diender, de grote zeekakelobbes (een krokodil), de beul, de duivel en de dood. Volgens de overlevering was Jan Klaassen trompetter van de prins. Hij had gediend bij de garde te paard onder Frederik Hendrik en onder prins Willem II, bekend om zijn mislukte aanslag op Amsterdam. Jan Klaassen zou toen het Wilhelmus hebben geblazen voor de Regulierspoort, opdat de stad zich zou overgeven. Dat vergaven de regenten hem niet, zodat hij, na de dood van de prins, uit de dienst werd ontslagen. Hij ging toen terug naar zijn geboortestad, Amsterdam, waar hij op het Franse Pad (Goudsbloemsgracht) woonde en de kost verdiende met het vertonen van de poppenkast. Hoewel Jan als ruiter recht van lijf en leden was, stelde hij zichzelf ten toon als een gebochelde met een grote, kromme, rode neus. Zijn kostuum was een oud trompetterspak. Hij droeg een rode kiel met goud-galon, een gele broek en hij had een hoge muts op, waaraan een rode kwast hing en als hij een been over de rand van de kast sloeg, zag men dat hij klompen droeg. Jan Klaassen en Katrijn vervulden steeds de hoofdrollen en altijd hadden ze ruzie; hij was de goede kerel en zij het kwade wijf. Hij richtte steeds het woord tot het publiek en het publiek gaf antwoord. Dat deden ook zijn tegenstanders die hem zochten, maar die steevast met een kluitje in het riet werden gestuurd.
Het is nog niet zo lang geleden dat de poppenkast op de Dam stond, waar Jan Klaassen de strijd aanbond met zijn vrouw Katrijn, de huisbaas, de diender, de grote zeekakelobbes (een krokodil), de beul, de duivel en de dood. Volgens de overlevering was Jan Klaassen trompetter van de prins. Hij had gediend bij de garde te paard onder Frederik Hendrik en onder prins Willem II, bekend om zijn mislukte aanslag op Amsterdam. Jan Klaassen zou toen het Wilhelmus hebben geblazen voor de Regulierspoort, opdat de stad zich zou overgeven. Dat vergaven de regenten hem niet, zodat hij, na de dood van de prins, uit de dienst werd ontslagen. Hij ging toen terug naar zijn geboortestad, Amsterdam, waar hij op het Franse Pad (Goudsbloemsgracht) woonde en de kost verdiende met het vertonen van de poppenkast. Hoewel Jan als ruiter recht van lijf en leden was, stelde hij zichzelf ten toon als een gebochelde met een grote, kromme, rode neus. Zijn kostuum was een oud trompetterspak. Hij droeg een rode kiel met goud-galon, een gele broek en hij had een hoge muts op, waaraan een rode kwast hing en als hij een been over de rand van de kast sloeg, zag men dat hij klompen droeg. Jan Klaassen en Katrijn vervulden steeds de hoofdrollen en altijd hadden ze ruzie; hij was de goede kerel en zij het kwade wijf. Hij richtte steeds het woord tot het publiek en het publiek gaf antwoord. Dat deden ook zijn tegenstanders die hem zochten, maar die steevast met een kluitje in het riet werden gestuurd.
Beschrijving
Jan Klaassen was ooit trompetter in dienst van de prins. Na de dood van Willem II werd hij ontslagen. Hij ging de kost verdienen met poppenkastspelen, waarin hij zelf de hoofdrol vervulde. Hij stelde zichzelf voor als een gebochelde man met een grote kromme neus. Tijdens de spelen praatte Jan Klaassen met het publiek.
Bron
J.R.W. Sinninghe: Spokerijen in Amsterdam en Amstelland. Zaltbommel 1975. p 22-23
Naam Overig in Tekst
Jan Klaassen   
Katrijn   
Frederik Hendrik   
Willem II   
Wilhelmus   
Regulierspoort   
Franse Pad   
Naam Locatie in Tekst
Dam   
Amsterdam   
Goudsbloemsgracht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
