Hoofdtekst
Spookhonden
Het is jaren geleden dat ik het hieronder volgende verhaal hoorde. Of het een verzinsel is of op waarheid berust kan ik niet meer achterhalen.
Twee vrienden, die steeds het liefst in het duister werkten, (overdag deden ze niets, maar zodra de avond viel gingen ze op strooptocht) hadden op een keer hun strikken in een haag langs een appelboomgaard gehangen. Omdat het nu toevallig appelentijd was en omdat ze toevallig door een appelboomgaard hun weg naar de strikken moesten nemen, hadden ze, om twee vliegen in een klap te slaan ieder een zak meegenomen. Maar voordat ze de boomgaard binnengingen, moesten ze eerst nog bij een kennis aangaan, die vlak bij de boomgaard woonde. Deze kennis was ook lid van het gilde, hij had opdracht gekregen, de dag van tevoren reeds, om scherp op te letten dat er geen onbevoegden bij de strikken kwamen. Of die derde man nu bang was geweest en of hij aan hallucinaties leed, dat weet ik niet, maar in ieder geval, toen zijn compagnons hem kwamen halen waarschuwde hij hen, dat hij al de hele dag verdachte geluiden in de boomgaard had gehoord. 't Waren net zo'n geluiden geweest alsof er takken afbraken waarmee gegooid werd. Toen het donker werd, waren deze geluiden nog veel sterker geworden, soms leek het ook wel op blaffen en het gerammel van kettingen. "Ben je gek", zeiden de twee stropers, "er is niks, dat verbeeld jij je maar. Kom, we gaan de strikken na en neem ook een zak mee, want voor moeder de vrouw brengen we vannacht ook wat mee." Enfin, ze gingen op stap. Toen ze de eerste schreden in de boomgaard gezet hadden, waarachtig daar hoorden ze het ook. 't Was net of er een tak brak. "t Is niks, kom mee, zal wel de wind zijn", zei de moedigste. Maar ze waren nog niet goed en wel halverwege of een hels lawaai brak los. Takken vlogen hun om de oren, ze wrden met appels bekogeld, kettingen rammelden, honden blaften, een van de drie kreeg een mep met een of ander voorwerp op z'n hoofd. Ze zetten het op een lopen, achter hen blaften honden en rammelden kettingen. Bijgelovig als ze waren, vertelden ze naderhand dat het spookhonden geweest waren, die hun achterna hadden gezeten, mensen waren het beslist niet, want die hadden ze niet gezien.
Het is jaren geleden dat ik het hieronder volgende verhaal hoorde. Of het een verzinsel is of op waarheid berust kan ik niet meer achterhalen.
Twee vrienden, die steeds het liefst in het duister werkten, (overdag deden ze niets, maar zodra de avond viel gingen ze op strooptocht) hadden op een keer hun strikken in een haag langs een appelboomgaard gehangen. Omdat het nu toevallig appelentijd was en omdat ze toevallig door een appelboomgaard hun weg naar de strikken moesten nemen, hadden ze, om twee vliegen in een klap te slaan ieder een zak meegenomen. Maar voordat ze de boomgaard binnengingen, moesten ze eerst nog bij een kennis aangaan, die vlak bij de boomgaard woonde. Deze kennis was ook lid van het gilde, hij had opdracht gekregen, de dag van tevoren reeds, om scherp op te letten dat er geen onbevoegden bij de strikken kwamen. Of die derde man nu bang was geweest en of hij aan hallucinaties leed, dat weet ik niet, maar in ieder geval, toen zijn compagnons hem kwamen halen waarschuwde hij hen, dat hij al de hele dag verdachte geluiden in de boomgaard had gehoord. 't Waren net zo'n geluiden geweest alsof er takken afbraken waarmee gegooid werd. Toen het donker werd, waren deze geluiden nog veel sterker geworden, soms leek het ook wel op blaffen en het gerammel van kettingen. "Ben je gek", zeiden de twee stropers, "er is niks, dat verbeeld jij je maar. Kom, we gaan de strikken na en neem ook een zak mee, want voor moeder de vrouw brengen we vannacht ook wat mee." Enfin, ze gingen op stap. Toen ze de eerste schreden in de boomgaard gezet hadden, waarachtig daar hoorden ze het ook. 't Was net of er een tak brak. "t Is niks, kom mee, zal wel de wind zijn", zei de moedigste. Maar ze waren nog niet goed en wel halverwege of een hels lawaai brak los. Takken vlogen hun om de oren, ze wrden met appels bekogeld, kettingen rammelden, honden blaften, een van de drie kreeg een mep met een of ander voorwerp op z'n hoofd. Ze zetten het op een lopen, achter hen blaften honden en rammelden kettingen. Bijgelovig als ze waren, vertelden ze naderhand dat het spookhonden geweest waren, die hun achterna hadden gezeten, mensen waren het beslist niet, want die hadden ze niet gezien.
Onderwerp
SINSAG 0332 - Spuktier kämpft mit Mann.
  
Beschrijving
Stropers horen blaffen en rammelen van kettingen en beweren dat
ze zijn achtervolgd door spookhonden.
ze zijn achtervolgd door spookhonden.
Bron
Volkskundevragenlijst 21 (1957), formulier Q.222, archief Meertens Instituut
Plaats van Handelen
Vaals   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
