Hoofdtekst
Moeder had naar de kermisse naar Bluisboekel geweest, ze kwam weer, zij en vader. ’t Was laat en de maan schonk. Van verre zagen ze luchtjes (lichtjes), en als ze dichter kwamen vier witte hondekes kwamen tegen mekaar en dan verdwenen ze. Moeder keek. “Maar waarnaar kijkte gij”, zei ’t ie, vader. “Ah waar zijn die hondjes naartoe?” Toen kwam de vreze op.
Beschrijving
Een echtpaar kwam bij maneschijn terug van de kermis in Bluisboekel. De man en de vrouw zagen in de verte lichtjes. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze vier witte hondjes tegen elkaar botsen en vervolgens verdwijnen.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
124
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zegelsem   
Plaats van Handelen
Bluisboekel   
