Hoofdtekst
Ewel, mijn vadre was koopman, en hij kwamt jij (hij) dagelijks naar hiere. En ‘k zegge: "Mijn vadre, wa zoe da nu toch zijn?" ‘k Zegge: "Onze zwijns beginnen were alzo ’t hoesten. Eh," ‘k zegge, "m’hen tewege (bijna) geweest van ze te verkopen." "Doe ze zere weg", zegt hij. Hij zegt: "’k Zijn uit de meers gekomen en ‘k en ze horen hoesten." Onze (als ze) verkocht waren… die … tegen danze mosten geleverd worden, wast er enen de poten gebroken, de bille gebroken. Da kwam zoverre dat onze Madeleine, die in de wiege lag, mijn broere was daar peetje van, en hij zegt dat tegen mij: "Wat doeje gij met da kind? Da kind is ondervoed." ‘k Zegge: "’t En doet jongen." ‘k Zegge: "Ot een poze krijgt, ge legt het op uwen schoot, ge kunt het niet houden. Ge moet het op de grond leggen." Mijn moedre komt naar hiere. Ze zegt: "Damme ’t ne keer anders deden. Danne ‘k ik van u ware, ‘k zou ne keer naar de paters gaan." Zo gezeid zo gedaan. ‘k Ga naar de pasters en hij zegt tegen mij: "Gaje gelder (gij) naar de messe?" ‘k Zegge "Bè jaam." ‘k Zegge: "Maar ene keer en ’t is de Zondag. In de weke hen welder (wij) genen tijd." Jij (hij) zegt: "Ge moet op geen kwaad denken", zegt hij. Jij zegt: "Da komt van ons Here." Maar hij zegt: "Ge moet vele lezen." Maar ‘k en ware ‘k ik nu daarmee niet content. Dat en beterdige (beterde) niet. Zegt mijn moedre: "Laat ons ne keer naar Steenbrugge gaan." Zo gezeid zo gedaan. En da kindeken altijd maar schremen (wenen) en ’t was dit zo mager of een graatje. En osme (als wij) gunter (ginder) kwamen… altijd maar schremen… altijd maar schremen. Zere weg op den trein hé en thuis ook. Maar nu mijn moedre ga naar de sacristije guntre in Steenbrugge bij de paters en ’t komt daar ne patre mee nen boek. Jij zegt tegen mij… zo ‘k zatte mee da kind op mijne stoel… Hij zegt: "Draait uwen stoel." En dat is… hoe heet da nu???? … Een sitane (stool), ga’k zeggen. Zo ik hou die sitane vaste en ‘k he da kind azo in mijnen arm. En hij doet zijnen boek open en hij begint te lezen. En da kwam zoverre dat hij mee zijne voet hem most tegen mijne stoel schoren (stutten). En hij zegt… jij leesdige altijd maar voort hé, dan de dreupels zweet op zijnen boek driptigen (drupten). En ost hij gedaan had mosten me meegaan naar de sacristije. Jij zegt tegen mij: "’k Ga jen (u) hier wa geven." En hij zegt: "’k Ga je medaldekens geven en in ieder kot moeje medaldekens hangen. Da zijn gewijde medaldekens en ge moet dat in een zaksken hangen. En ge moet," zegt hij, "van die mastelle (zuurdesem) al uw beesten, morgennichting (-ochtend) een brokske van die mastelle geven. En ge moet een krusse maken onder je hekken," zegt hij. "Heie een hekken?" ‘k Zegge: "Jaam, eerwaarde patre". "Ewel ge moet alzo een krusse maken diepe in de grond." Hij zegt: "’k Gaje gewijde palm meegeven." En hij zegt: "Ge moet een krusse maken van diene gewijde palm en ge moet dat daarin leggen in die krusse en ge moet dat ton (dan) dekken." En hij zegt: "Ge moet een kruske maken van gewijde palm en dat op den bom (bodem) van uw wiegske leggen." Hij zegt: "Madam, ’t zal wel beteren." Da kind is in slaap gevallen en ’t heet nen dag en nen nacht geslapen zonder wakker te worden. En ’t kind is vooruit gegaan en da vrouwken hee nooit op ons hof niet meer geweest. En ’t brocht dit altijd hier een brooiken mee, en zijn vader hier was blind. En da was hier tons (dan) de mode, dat ot (als) er nen rijken here of boer begraven wierd, dat er brood uitgedeeld wiere. En ’t brocht altijd da brooiken mee voor peetje en ‘k gave ’t alle keren nen halve kluit. En ’t kwam dit dan naar de wiege en ’t zei: "Eh, dat is toch een schoon bloeiken." En ’t heet dit hem niet meer verroerd en ’t is ’t er dit deure gekomen. En da wijveken hee nooit op ons hof nie meer geweest. En ’t gaf het altijd da brooiken over d’hage dare. Da was ook een vrouwken uit onze gebuurte. En ok (als ik) zeie… ’t was hier tons iemand van onze familie… En ‘k hanne (had) ‘k ik azo van diene reseda staan; ‘k had e ‘k nen hele wegeling (klein wegje)blommen staan hé. En ’t roept van aan d’hage aguntre (alginder): - da was tons nog strate. ’t Lig nu kasseie, maar da was ton nog strate – en ’t roept naar mij: "Valerie," zegt het, "ge most mij daar een pakske reseda’s aftrekken." ‘k Zegge ‘k ik azo en ‘k noeme zijne name: "Komt en trekt u af daje moet hen." Da was voor op de voute te zetten van diene zieke mens. En ’t sla zijn arms naar omhoge en ’t zegt: "’k En kun niet!"
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Op een boerderij leden de varkens aan een vreemde ziekte. Op een dag sprak de boerin tot haar vader die koopman was: "Onze varkens hoesten. Zouden we ze niet beter verkopen?" De koopman gaf zijn dochter de raad de dieren zo snel mogelijk te verkopen. Toen men een koper had gevonden, had één van de varkens nog vóór de levering een gebroken poot.
Omdat het kindje van de boerin ondervoed leek, gaf de moeder van de boerin haar dochter de raad om naar de pastoors te gaan. De pastoors vroegen de boerin of ze naar de mis ging. "Jazeker meneer pastoor", zei de boerin, "iedere zondag. Door de week hebben we geen tijd om te gaan". De geestelijke gaf de boerin de raad om niet aan het kwaad te denken en om veel te bidden. Ten einde raad besloten moeder en dochter met het graatmagere kindje naar de paters van Steenbrugge te gaan. Het kindje huilde onderweg de hele tijd. Toen één van de paters uit de sacristie kwam, moest de boerin die met het kindje op haar schoot zat, haar stoel draaien en de stool van de geestelijke vasthouden terwijl deze laatste in een boek las tot de zweetdruppels van zijn gezicht rolden. Daarna moest de boerin meegaan naar de sacristie, waar ze van de pater gewijde medailles kreeg, die ze in een zakje in alle kamers van de boerderij moest hangen. De boerin moest haar dieren de volgende ochtend ook een brokje zuurdesem geven. Onder het hek van de boerderij moest ze een palmtak in kruisvorm begraven. Ze moest ook twee takjes gewijde palm in de vorm van een kruis in het wiegje van het kind leggen.
Na het bezoek aan de paters is het kindje van de boerin in een diepe slaap gevallen tot de volgende dag. Het kind is daarna snel genezen. Een vrouw die voorheen altijd op de boerderij was gekomen, zag men niet meer. De vrouw kwam vroeger altijd een broodje brengen, dat op de begrafenis van één of andere rijke heer was uitgedeeld. De boerin gaf haar dan altijd een koperen geldstuk van vijf centiemen. De vrouw ging dan ook even bij het wiegje van het kind staan en zei: "Wat een mooi kindje!" Toen die buurvrouw een tijdje later nog eens langskwam, geraakte ze niet voorbij de haag. Daarom riep ze naar de boerin: "Kan je mij daar eens een bosje 'reseda's' (?) afplukken om bij het bed van een zieke te zetten?" De boerin antwoordde: "Kom zelf maar halen zoveel je nodig hebt!", maar daarop zei de buurvrouw: "Ik kan het niet!"
Omdat het kindje van de boerin ondervoed leek, gaf de moeder van de boerin haar dochter de raad om naar de pastoors te gaan. De pastoors vroegen de boerin of ze naar de mis ging. "Jazeker meneer pastoor", zei de boerin, "iedere zondag. Door de week hebben we geen tijd om te gaan". De geestelijke gaf de boerin de raad om niet aan het kwaad te denken en om veel te bidden. Ten einde raad besloten moeder en dochter met het graatmagere kindje naar de paters van Steenbrugge te gaan. Het kindje huilde onderweg de hele tijd. Toen één van de paters uit de sacristie kwam, moest de boerin die met het kindje op haar schoot zat, haar stoel draaien en de stool van de geestelijke vasthouden terwijl deze laatste in een boek las tot de zweetdruppels van zijn gezicht rolden. Daarna moest de boerin meegaan naar de sacristie, waar ze van de pater gewijde medailles kreeg, die ze in een zakje in alle kamers van de boerderij moest hangen. De boerin moest haar dieren de volgende ochtend ook een brokje zuurdesem geven. Onder het hek van de boerderij moest ze een palmtak in kruisvorm begraven. Ze moest ook twee takjes gewijde palm in de vorm van een kruis in het wiegje van het kind leggen.
Na het bezoek aan de paters is het kindje van de boerin in een diepe slaap gevallen tot de volgende dag. Het kind is daarna snel genezen. Een vrouw die voorheen altijd op de boerderij was gekomen, zag men niet meer. De vrouw kwam vroeger altijd een broodje brengen, dat op de begrafenis van één of andere rijke heer was uitgedeeld. De boerin gaf haar dan altijd een koperen geldstuk van vijf centiemen. De vrouw ging dan ook even bij het wiegje van het kind staan en zei: "Wat een mooi kindje!" Toen die buurvrouw een tijdje later nog eens langskwam, geraakte ze niet voorbij de haag. Daarom riep ze naar de boerin: "Kan je mij daar eens een bosje 'reseda's' (?) afplukken om bij het bed van een zieke te zetten?" De boerin antwoordde: "Kom zelf maar halen zoveel je nodig hebt!", maar daarop zei de buurvrouw: "Ik kan het niet!"
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
261
memoraat
Naam Overig in Tekst
Steenbrugge (paters van)   
paters van Steenbrugge   
Naam Locatie in Tekst
Maldegem   
